Doorgaan naar hoofdcontent

September 2019

Winnaar september 2019

Een Jood in de klas
Gilbert Keyzer

 
Een Jood in de klas,  voorgelezen door Marc Graetz

De schooldeuren werden binnenwaarts opengetrokken.
Twee onderwijzers hieven in de donkerte van een korte tunnel de handen aan schuin omhoog gestrekte armen in Hitlergroet.
‘Heil Hitler!’ schreeuwden zij.
De veelstemmige wedergroet klonk rommelig genoeg om de groep natgeregende schooljongens tot stilstand te brengen en tot de orde te roepen, maar de onderwijzers duwden ongeduldig achterblijvers de goede richting uit en sloten de toegangsdeuren.
Joseph had gegroet noch de hand geheven. Hij huiverde in zijn dunne jas in de koude van een novemberochtend.
Ik ben een dier dat zich door de kudde mee laat voeren, dacht hij met een gevoel van diepe moedeloosheid.
Met twee Joodse grootouders en een Joodse vader zou hij door de nazi’s als te verdelgen worden beschouwd. Maar binnen zijn familie aan vaders en moederskant waren al generaties lang huwelijken met katholieke Duitsers gesloten. Hun genealogie kon vanwege een bombardement op het stadje waar hij woonde, waarbij het kerkgebouw was verwoest, vanwege verloren gegane doopregisters niet geheel meer worden achterhaald. 
Joseph had dit uiteraard voor leraren en klasgenoten geheim gehouden.
Hij ging hierin zover om in aanwezigheid van hen af te geven op de Joden.
Iedere minuut van zijn aanwezigheid op school bracht hij door in angst te worden ontdekt. Daarnaast vreesde hij op den duur de energie voor de komedie die hij opvoerde, waarbij hij enthousiast in het klasselokaal de Hitlergroet bracht en zelfs een opstel over de verdiensten van het Germaanse ras geschreven had, niet langer op te kunnen brengen.
Joseph had verhalen gehoord over verwante familieleden, die op een trein naar een kamp gezet waren en waarvan nooit meer iets werd vernomen.
Tijdens het eerste jaar van de oorlog was hij er getuige van geweest hoe Joodse gezinnen hun huizen uit gedreven werden door SS’ers, om onder het applaus en gelach van omstanders, in veewagens te worden afgevoerd.

In de geuren van natte wol en ongewassen lichamen staken de schooljongens een pleintje over, stommelden een gang door en gingen een lokaal binnen.
Hauptmann, de nieuwe klassenleraar, knipte beide nog intacte plafondlampen aan, sloot de deur en liep tussen de schoolbanken door naar voren.
Het zwartwitportret van de Fürher zat achter gebarsten glas. Bombardementstrillingen hadden het van het haakje gewipt.
Het deed Joseph iedere schoolochtend denken aan de geruchten over Duitse nederlagen en de oorlog, die verloren zou zijn.
Hauptmann nam een lijst van zijn bureau, blafte om stilte en begon namen voor te lezen.
‘Aanwezig, mijnheer de onderwijzer!’ klonk het telkens.
‘Joseph Brunner!’
Joseph keek door een hoge ruit naar het grauwe ochtendschijnsel en regensluiers, die op het pleintje kletterden. Hauptmann kwam langzaam op hem af. De vloerplanken kraakten. Alle schooljongens keerden zich naar Joseph toe, hongerig naar sensatie.
De leraar bleef naast de schoolbank van Joseph staan.
Geschrokken keek Joseph naar hem op.
‘Aanwezig!’
‘Aanwezig wat?’
‘Aanwezig mijnheer de onderwijzer!’
Hauptmann bekeek het gezicht van zijn leerling zorgvuldig.
Het was doodstil geworden in de klas. 
‘Ben jij een Jood?’ vroeg hij zijn leerling op barse toon.
‘Zeker niet, mijnheer de onderwijzer. Thuis zijn we allemaal katholiek!’
Joseph kneep zijn handen tot vuisten, om zijn trillende vingers onder controle te krijgen.
‘Je ruikt als een Jood. Als een smerige, achterbakse, leugenachtige Jood’, sprak Hauptmann, iedere lettergreep met nadruk uitsprekend.’
Joseph durfde hem niet aan te kijken. Langzaam schudde hij zijn hoofd.
‘Welnu! We zullen zien! We hebben gymles. Naar het gymlokaal iedereen!’
De klas stroomde leeg.
Joseph wachtte. Hij wilde als laatste weg, om niet onderweg te worden lastiggevallen, maar werd door de leraar aan zijn kraag de schoolbank uit getrokken.
‘Opschieten jij, vuile Semitische volksverrader!’
Hij kreeg een duw in zijn rug en struikelde het lokaal uit. Met de adem van Hauptmann in zijn nek, spoedde hij zich naar het gymlokaal, dat aan de andere zijde van het pleintje gelegen was.
Ik ben er geweest! En ze pakken Arnold en vader en moeder ook op!
Vechtend tegen zijn tranen, misselijk van angst, bereikte hij het lokaal, alwaar zijn klasgenoten hem opwachtten.
Zij hadden zich tot op hun ondergoed uitgekleed en keken toe, hoe Joseph schoenen en bovenkleding uittrok.
‘Jodenjongen! Je gaat op transport! Met die familie van je!’ werd er geroepen.
Op commando van de leraar ging men in een halve kring om Joseph heen staan.
Joseph hield zijn ogen gesloten. Misschien slaan ze me wel dood, dacht hij.
En ineens, vanuit en vluchtimpuls, schoot hij voorwaarts.
Mijn familie waarschuwen, schoot het door hem heen.
Maar hij werd pootje gehaakt en viel voorover op de houten vloer van de gymzaal. Ruw werd hij overeind getrokken.
Op bevel van Hauptmann hielden twee jongens hem bij de polsen.
De leraar kwam voor Joseph staan en trok met twee rukken diens onderbroek naar beneden.
‘Als ik het niet dacht! Besneden. Nou jongens, kijk maar eens hoe de lul van een Jood eruit ziet!’
Zij dromden om hem samen. Hij hield zijn ogen dicht en zijn hoofd gebogen.
Eindelijk, na schier eindeloze spotternijen, mocht Joseph zijn onderbroek omhoog halen en zijn overige kleding aantrekken.
Hauptman greep hem in zijn nek en duwde hem de gymzaal uit, onderwijl de schooljongens opdracht geven tot gymoefeningen.
Joseph kreeg het gevoel in een bankschroef klem te zitten. 
Via een lange, hoge gang bereikten zij de lerarenkamer.
‘Jij gaat daar in de hoek op de grond zitten. Als je ook maar een vinger durft te bewegen, sla ik je helemaal verrot! Begrepen? Joodse hoerenzoon!’
Hauptmann belde met een Gestapo officier.
Vervolgens nam hij uit een kast een aanwijsstok en begon ermee voor Joseph heen en weer te paraderen.
‘Ik ben niet Joods’, verklaarde Joseph met trillende stem.
Meteen kreeg hij een forse mep op zijn schouder.
‘Kop dicht, verdomde smous! Je praat alleen als ik je iets vraag!’
Hauptmann probeerde met zijn schoenen heen en weer te stampen, alsof hij legerlaarzen droeg.
‘Vertel mij maar eens, waarom je dan besneden bent.’
‘Het zat erg nauw, daar beneden. Ik kon het nooit goed schoon krijgen’, stamelde Joseph.
‘Spaar me je gore verhalen!’
Weer een klap, op dezelfde plek. Joseph schreeuwde het uit. Hij trok zijn armen boven zijn hoofd.
Hauptmann leek te overwegen om tot een ranselpartij over te gaan. Hij mepte zachtjes met de stok in een handpalm.
Twee leraren kwamen de kamer binnen. Op trotse toon vertelde Hauptmann over zijn vermeende ontdekking.
‘Dit hondsvot heeft een pak slaag verdiend, dat hem tot aan zijn spoedige dood zal bijblijven’, vond de klassenleraar.
‘Als ik met hem klaar ben, mogen jullie je gang gaan!’
Maar zijn collega’s wezen dit aanbod af.
‘Laat dat maar aan de Gestapo over’, vond een van hen.
‘Wij zijn geen beulen, herr Hauptmann’ verklaarde de ander.
Zij gingen aan een tafel zitten. Een van hen schonk chicorei uit een kan.
Joseph schoot overeind en greep de aanwijsstok.
Hauptmann brulde vloeken. Een gevecht om de stok ontstond.
Het werd onderbroken door de binnenkomst van twee geüniformeerde Gestapo officieren. Joseph liet de stok los, zodat Hauptmann achterover struikelde. 
De officieren stelden zich voor.
Hauptmann krabbelde overeind, salueerde en noemde zijn naam, om vervolgens naar Joseph te wijzen. Hij zag rood in het gelaat.
De Gestapo bevalen hem op te staan en vroegen hem naar zijn naam en adres.
Joseph gaf straat en huisnummer van de stadsbibliotheek op. Dit gebouw was kort geleden tijdens een bombardement geheel afgebrand.
Hij werd door hen over zijn afkomst ondervraagd en verklaarde uit een katholieke familie afkomstig te zijn.
‘Hij is besneden!’ riep Hauptmann. 
Joseph werd door de officieren bij polsen en bovenarmen genomen en in snelwandelaarspas de school uit gebracht.
De officieren duwden hem de laadruimte van een zwarte overvalwagen in.
Zij stapten de cabine in.
Stuiterend over oneffenheden reden zij door enkele straten.
Joseph lag op de laadvloer. Hij probeerde zich aan zijn naderende dood over te geven.
Ik zou willen bidden, maar tot welke God? De Eeuwige of de Here?
Er moet toch iemand zijn, die rechtvaardigheid brengt?
Ach, Opperste… helpt u mij alstublieft! Indien u mij en mijn familie spaart, zullen wij u iedere dag danken en vereren.
Maar zo betekenisloos kwamen hem zijn woorden voor, dat hij in tranen uitbarstte.
Hij proefde het zout ervan. 
De auto kwam tot stilstand. De motor werd uitgeschakeld.
Joseph werd een gebouw ingesleurd en hardhandig een kamer ingeduwd.
Er brandde fel licht uit bollen, die net als in het schoollokaal, met staven aan het plafond vastzaten. Joseph kneep zijn ogen halfdicht.
Alhier zaten twee ambtenaren in witte jassen aan een soort laboratoriumtafel. De een droeg een brilletje met ronde glazen, de ander had twee streepjes glas voor de ogen.
Zij sprongen overeind en salueerden.
‘Joseph Brunner, verdachte Jood. Mischlinge eerste klas, op zijn minst, vermoedden wij’, blafte een van de officieren.
Joseph werd op een houten stoel geduwd.
‘Schedelmeting!’ beval de andere officier.
‘Jawel heer officier!’
Knipperend tegen het licht, keek Joseph om zich heen. Aan de muren hingen afbeeldingen van schedels in frontaal en zij aanzicht, met lijntjes en cijfers. Op tafel lag een kaart met een aantal tabellen, waarvan sommige cijferintervallen bevatten.
Een van de ambtenaren nam een meetapparaat met gebogen benen van de tafel. Joseph zag een cirkeltje op het handvat, waarin een hakenkruis was aangebracht. De ander ontrolde een lintmeter.
Een van de officieren blafte hem toe doodstil te blijven zitten.
Het meetapparaat werd opengeschroefd. Beide einden werden op verschillende plaatsen tegen zijn schedel geplaatst. De ambtenaar prevelde diverse cijfers, die hij in een lege kolom invulde. Diens collega mat Josephs neus en oren en trok de lintmeter op verschillende hoogtes om de schedel heen, om vervolgens, eveneens prevelend, zijn cijfers in een andere kolom op te schrijven. Blauwe ogen, maar in een ervan een bruin vlekje, donkerblond haar, schreef hij in een tabel.
Joseph hield zo lang zijn adem in, dat het hem duizelde. Een van de officieren diende hem een klap tussen de schouderbladen toe.
‘Stilzitten, jankende Jood!’
Opperste, alstublieft! Laat mij niet in de steek!
Beide ambtenaren vergeleken hun cijfers met een uitgevouwen lijst, waarop Joseph een schedel zag afgebeeld. Op geleide van hun gegevens, trokken zij met potloden lijntjes over de schedel.
Nieuwsgierig keken beide officieren over de schouders van de ambtenaren mee.
De man met de glasstreepjes opende een boek en begon gegevens met elkaar te vergelijken.
‘Is het nou een Jood of niet?’ riep een van de Gestapo ’s ongeduldig.
‘Volgens onze vergelijkingen betreft het hier een Germaanse jongen van West Baltische oorsprong. Mogelijk licht Slavische invloeden, maar een redelijk raszuivere Germaan’, verklaarde de glasstreepjes.
Zijn collega knikte. Zij keken naar de officieren op, alsof zij bevreesd waren hen met dit nieuws teleur te stellen.
‘Maar de neus lijkt toch een tikje gebogen te lopen’, vond een van de officieren.
‘Zo was de neus van herr Heydrich ook!’ wist de ambtenaar met de ronde brillenglaasjes.
‘Maar de naam Joseph, dat is toch een typisch Joodse naam!’, beweerde de andere officier.
‘Onze minister van propaganda heet ook Joseph!’ sprak Joseph met onvaste stem.
Er viel een korte stilte.
‘Schrijf een groot Ariër certificaat uit van raszuiverheid en geef dat die jongen mee’, beval een van de Gestapo ‘s.
De ambtenaar vulde een op dik papier gedrukt formulier in, dat hij Joseph overhandigde. Bovenaan stond een hakenkruis afgebeeld.
‘Nou, huiler’, smaalde de andere Gestapo. ‘Ren maar snel naar je moeder toe. Hoe oud ben je?’
‘Vijftien, meneer officier.’
‘Vertel je ouders maar, dat jullie binnenkort opgeroepen worden voor militaire dienst. De Fürher heeft dringend soldaten nodig!’
‘Volgens mijn vader hebben we de oorlog al verloren’, liet Joseph zich ontvallen.
De officier wilde een antwoord snauwen, maar werd onderbroken door het gegil van luchtalarmsirenes. Joseph schoot de kamer uit, repte zich de gang door en sprong zowat de straat op. Publiek repte zich naar schuilkelders en huisadressen.
Het gehuil van de sirenes klonk gekmakend hard. 
Nu de bommen nog overleven, dacht Joseph. Heel lang kan het toch niet meer duren.
De huid onder zijn ogen voelde een beetje strak aan. Zijn oogleden brandden. Zijn schouder voelde aan, alsof er gloeiende strepen doorheen liepen.
Hij herinnerde zich dat zijn vader van iemand, die illegaal geallieerde zenders beluisterde, had vernomen dat de Russen de grens van Nazi-Duitsland tot op enkele kilometers waren genaderd en dat een deel van België al was bevrijd. Er zouden zelfs al Amerikaanse en Engelse troepen op Duits grondgebied zijn doorgedrongen! De Fürher liet niets meer van zich horen. Slechts af en toe klonk het hysterische geraas van Goebbels uit de radio.
Op een drafje bewoog hij zich huiswaarts, regenplassen en vluchtend volk ontwijkend. Met beide handen hield hij het certificaat tegen zijn bovenlichaam gedrukt, als ware het een door hem behaald diploma.



Gilbert Keyzer is sinds 2013 schrijver van romans, verhalen en gedichten. In september is zijn elfde roman verschenen: Almeerse zomer.


Shortlist september 2019

 Adri van Beelen Le Petit Cambodge
 Gilbert Keyzer Een Jood in de klas
 Gerard Moer Spiegeling
 Soraya van Duijn Verkenners en krachten
 Annette Akkerman Een dag om te plukken



Longlist september 2019

 Hanne Polspoel Tafelpoot
 Pieter Drift Witte kogels
 Odile Schmit Hora est
 Alexander Roessen Verblind
 Aquelle Happen en stappen
 Adri van Beelen Le Petit Cambodge
 Thomas Haghenbeek Groene vrede
 SA van 't Peelhof Mijn geluk is not for sale
 Gilbert Keyzer Een Jood in de klas
 Gerard Moer Spiegeling
 Miriam Dubbeldam-Druijff Slechte gezondheid
 Soraya van Duijn Verkenners en krachten
 Suzanne Asibot
 Marlis Genevieve
 Annette Akkerman Een dag om te plukken