Kutzke - Hans Lucien Roosen - illustratie: Peter Meijer - 1920 Dit gezegd zijnde en de feiten dat ik genie, mulat noch lijk ben, kwam ik ter wereld in de nok van een stadspaleis vol blinkend marmer, naast één der fraaiste Art Nouveau lichtkoepels van Brussel. Dat is van horen zeggen. En niet eens van mijn moeder. Je ontstaan is het resultaat van enige momenten van siddering tussen twee vreemden. Vervolgens heb je een leven om uit te vissen wat nu eigenlijk de bedoeling was. Maar in de eerste fase van het kampioenschap - er zijn lieden die het leven zien als een wedstrijd; ook zij vergissen zich schromelijk, er is geen eindmeet, er zijn geen medailles, alle deelnemers zijn hetzelfde lot beschoren - had ik geen boodschap aan kleurrijke glasramen en frivool krullend staal. Ook mijn moeder niet, zij was dienstmeid en ze beet op een houtje. Ze blies speeksel door op elkaar geklemde tanden, hurkte hijgend over de enige stoel van haar chambre de bonne. Vier verdiepingen lager luisterden manne...