Doorgaan naar hoofdcontent

XVVDM februari 2021

 


XVVDM februari 2021 Wat is XVVDM?


Brief met de hand geschreven

Roelof-Jan Rutten

 
Brief met de hand geschreven,  voorgelezen door Marc Graetz


Beste meneer Folsgare,

“Wie achterom kijkt, lult uit de nek”, zegt oes mem altijd. Waarom ik de mooiste dag van mijn leven nu nog de mooiste dag van mijn leven noem weet ik niet, want het is niet zo dat het de mooiste dag van mijn leven gebleven is, als ik de mooiste dag van mijn leven vergelijk met de dagen die daarna kwamen. Romke is aardig zegt iedereen en dat is hij ook, maar niet altijd tegen mij. We zijn hier in Gerkesklooster niet erg open, behalve die ene dag in het jaar dat we met de Frico een reisje maken. De Frico, de Friese Inkoop Cooperatie, nu alleen nog kaasmakerij van Frico kaas waar Romke en ik allebei werken, Romke als chauffeur en ik in de kaasopslagloods, waar ik de kaas drie keer per dag omdraai. Enfin, dat reisje met de Frico, alle mannen achter in de bus en de vrouwen voorin. Dan moet je ze horen die mannen, als we na de borrel op de terugreis zijn. Dan schaam ik me voor Gerkesklooster en voor de Frico. Maar meer nog voor Romke.

U hebt gevraagd of Romke en ik apart van elkaar ons huwelijk willen beschrijven. Wel, onze bruiloft was echt gezellig, in het dorpscafé met een accordeon en heel veel stukjes en sketches en liedjes waar we hard om moesten lachen. Ik zou er graag meer over willen vertellen, want wat hebben we gelachen, maar Romke en ook zijn moeder, zeggen dat ik veel te lang van stof ben. Het was jammer dat Romke te diep in het glaasje had gekeken. Dat zei zijn vader die een taxi heeft besteld toen Romke gewoon zelf naar onze bungalow wilde rijden. Waar wij onze huwelijksnacht zouden vieren. Dat ‘vieren’ komt van Romke, ik zou dat zelf nooit meer zo noemen. Achteraf.

Heb ik verteld dat ik onbevlekt was? Het is eruit. Ik weet best dat ik dat niet verteld heb. Ik krijg er een kleur van. Is dat erg? Niet die kleur, ja dat ook, maar dat ik nog maagd was? Ik denk nu soms van wel. Romke zei dat hij het er helemaal mee eens was, hoewel hij toch zo nu en dan tot mij wou komen. Ik bedoel, tot mij, nader tot mij, dan wenselijk. Nee, nee, niet wenselijk, maar verantwoord. Romke had voor de huwelijksreis een weekend een bungalow gehuurd bij Sporthuis Centrum ergens in de Flevopolder. Veel te ver dus in verband met de prijs van de taxi. De bruiloft was al duur genoeg. Vindt u Flevoland ook zo vervelend meneer Folsgare? Heel anders dan Gerkesklooster, er is geen boom te zien. En woont er eigenlijk wel iemand, behalve op Sporthuis Centrum? Zal ik u iets grappigs vertellen? We zijn ook in de sauna geweest. Tot de deur. Iedereen was bloot en toen wou Romke niet meer. Ik wel, mij leek het leuk, maar Romke wou weg. Hij zegt dat ik preuts ben, maar volgens mij is dat niet zo. Hij noemt mij ook frigide. Daar stond een tijd geleden een artikel over in de Libelle en ik verzeker u: ik ben niet frigide.

Als ik naar andere mannen kijk dan reageer ik daar echt wel op. Ik bedoel het blijft lichamelijk niet zonder gevolgen. Denk maar niet dat ik dom ben. Ik weet heus wel waar Abraham de mosterd haalt en wat te doen en dat doe ik ook, maar dan voel ik me schuldig. Veel liever zou ik het anders willen, daarom zit ik uiteraard ook bij u. En als ik aan Romke denk, dan valt het met het schuldgevoel ook nogal mee. Daar voel ik me dan weer schuldig over, dat wel. Begrijpt u? Ik denk het wel, want ik zie u als een begripvol man van de wereld. Ik heb het gevoel dat ik u al heel lang ken, dat ik u Fedde zou mogen noemen, als ik het zou vragen, maar dat doe ik natuurlijk niet. Dat ik u alles kan vertellen en dat u dat gevoel bij Romke niet hebt, net zo min als ik. Het is nu al bijna middernacht, ik ga zo lekker naar bed. Romke rijdt nu een lading jonge Goudse kazen naar Sebastopol en blijft een week weg, dus ik heb het rijk alleen. Neem ik straks eerst nog een bacootje toch? Enfin, toen we de deur van de bungalow achter ons dichtgetrokken hadden en in onze bruidssuite stonden zei Romke: “Zo nu eerst lekker van bil.” Ik stond daar in de trouwjurk van beppe, helemaal in het wit met een sluier en de prachtige ruiker die ik van heit en mem had gekregen in de hand en hij zegt: “Zo nu eerst lekker van bil.” Ik begon meteen te huilen. Nu eerst die baco.

Ik wil u de gelofte vertellen, die Romke uitsprak op onze huwelijksdag. Ik heb hem ingelijst en op de deur van de wc gehangen, met een schroefje. Daarvoor heb ik nog een elektrische boor gekocht bij de Lidl, die was net in de aanbieding. Ik weet het nog, 35 euro, met een batterij, een oplader en een doosje boren. Allemaal verpakt in een koffer. Het heet een koffer, maar het lijkt meer op een plastic tas van vijftig cent. Maar dan nog, 35 euro voor een elektrische boor, waar vind je dat. Een koopje zeg nou zelf. En dan toch een mooi gaatje. Ik hou van gaten, jammer dat er vaak een schroefje in moet. Ik hou van open gaten, van lege gaten, niet van gaten die vol zitten met schroefjes. Een leeg gat, vol leegte. Is een gat gevuld met leegte vol? Of steeds leger? Met andere woorden zit er meer leegte in een groot gat dan in een klein gat? Is leegte in beweging, of staat de leegte stil. Dat zijn de vragen die ik mezelf stel. Op dit soort avonden als ik alleen in bed lig met een baco en mezelf zo nu en dan af en aanraak dan stel ik die vragen. Vindt u vragen over lege gaten ook zo erotisch meneer Folsgare?

De baco is een laatste glas, een toost op het leven dat de dood volgt. De droom die aan de werkelijkheid vooraf gaat. Het niets dat zich voor je opent als een vergeet-mij-nietje. Als je dan toch moet wachten, neem er dan de tijd voor met een baco. De tijd vliegt, alle reden om rustig te blijven. De trein vertrekt niet zonder jou.

De trein vertrekt pas als ik instap, of uitstap. Dat zou ook kunnen, uitstappen. Als je taalgevoelig bent wil je het graag goed doen, dan wil je weten hoe het hoort. Of je in of uitstapt, dat is dan belangrijk op zo’n moment. Op dit moment. Nu. Al is het je laatste woord, je wilt dat het goed is. Dat het een goed woord is. Dat de mensen later niet zeggen: “Ze wilde uitstappen, maar ze stapte in. Zelfs op het allerlaatst kon ze het niet goed doen, het is triest.” Ik wil niet triest zijn, ik wil warm zijn. Warm. Als sneeuw, warm als sneeuw als het wit is. Licht is.

De wereld is een reisbureau. De wereld is Kras. Dat lees ik, elke dag een hele pagina in de krant. Jij en ik, de hele wereld. Samen zijn we Kras.

Ik ben Kras, ik reis per trein. Naar Kras. Waar zou dat zijn, Kras? De wereld is Kras, maar waar is die wereld? Hoe kom je daar? Met de trein, zoveel is zeker, het staat niet voor niks in de krant. Maar wanneer vertrekt hij? En van welk spoor? Dat zijn dingen die mij bezighouden, die ik wil weten. Wat ik ook wil weten is of ik deze brief ga overtypen. Ik schrijf nu met een pen, ik ben geen goede typiste. En op dit college-bloc kun je niet typen. Maar mijn schrijven is niet duidelijk. En als er één ding is wat ik wil dan is het duidelijkheid. Als dat alleen kan door te typen dan moet dat maar. Nu gebruik ik een blauwe balpen waar “Fokke Fruithof Fysio” opstaat. Die pen heb ik meegenomen toen Fokke op de zomerbraderie van Tjalleberd die pennen uitdeelde. U kent Fokke toch? Hij vertelde dat jullie samen de Mont Ventoux zijn opgefietst. Voor de kanker. Of er tegen. Dat weet ik niet. Is dat raar? Vindt u dat ik teveel afwijk? Dat ik me niet aan de opdracht hou? Het is wat in me opkomt, als ik aan mijn eerste huwelijksnacht denk. Hoewel die niet verzorgd is door Kras. Om u de waarheid te zeggen is het woord ‘onverzorgd’ het eerste wat bij me opkomt als ik aan mijn eerste huwelijksnacht denk. Nee, daar had Kras niks mee van doen, hoewel ik ze graag de schuld in de schoenen had geschoven. Dat was allemaal Romke, verder niemand. Helemaal Romke, helemaal alleen. Niemand heeft hem geholpen de zaak te verprutsen. Hij kon het alleen af. Toch knap. Dat kan niet iedereen, de meeste mensen hebben hulp nodig bij zo’n operatie. Romke niet. Ik heb hem er nooit mee gefeliciteerd. Dat is niet leuk van me besef ik nu. En nu is het zoals voor zoveel dingen te laat. Romke verdient beter, veel beter. Beter dan ik. Meer dan ik verdient Romke de buurvrouw. Geloof ik. Nee, geloof ik niet, maar denkt Romke. Denk ik, geloof ik.

Ik moet een lijst maken zei u, een lijst van al mijn wensen, al mijn ongenoegens aangaande mijn huwelijk met Romke. Dat doe ik. Dat is leuk werk. Ongenoegens opschrijven, ik kijk er echt naar uit. Ik hou van lijstjes, ik lees veel lijstjes, meestal van anderen. Veel mensen maken lijstjes voor anderen om na te volgen. Zoals een rijtje ingrediënten voor een recept, of een lijstje van dingen die je niet mag vergeten als je op vakantie gaat. Zoals bijvoorbeeld een paspoort en schoon ondergoed. Ook voor je man als je getrouwd bent zoals ik en weet dat hij nooit zelf iets inpakt, of in zou pakken als we met vakantie zouden gaan. Maar dat doen we niet. Romke en ik gaan niet op vakantie, niet meer. Vroeger, lang geleden wel, dan gingen we ’s winters naar de Canarische eilanden. Zo kwam ik aan de baco. Nu reist Romke alleen met een vrachtwagen vol Frico kaas. Ik neem er nog één.

Ik wil u iets leuks vertellen. Dat mag toch wel even? Over de gaatjes in mijn schrijfblok. En over de bollenvelden. We gingen met de Plattelandsvrouwen-Vrijgemaakt uit Gerkesklooster met de bus naar de bollenvelden. Toen we daar aankwamen stond alle verkeer vast met bussen vol Chinezen, nee niet vol, leeg! De Chinezen stonden voor en achter de bus te fotograferen. De chauffeur wist raad: dan maar naar Madurodam. Daar hebben we een twaalfuurtje gegeten. We hadden uiteraard brood mee, maar dat mochten we niet opeten. Zonde. Hoe dan ook, we kregen een dekservet met daarop een plaatje van een schrijfblok van een bekende schilder van wie ik de naam ben vergeten, die ergens een tentoonstelling had. Dat schrijfblok was honderd jaar oud, en wat schetst mijn verbazing, de perforatiegaatjes zijn niks veranderd. De eerste bladzijde was er al net zo hopeloos uitgescheurd als dat ik dat nu ook nog doe. Dat is de vooruitgang. Honderd jaar en dezelfde gaten. Leegte is niet veranderd.

Nog maar even een bacootje om de gedachten te verzetten. Ik lig hier zo lekker meneer Folsgare. Slaapt u ook altijd bloot?

De mooiste dag van mijn leven is niet altijd de mooiste dag van mijn leven gebleven. Daar was bijvoorbeeld de dag dat oes heit zich verdronk in het opvangvat voor wijwater van de katholieke kerk in Blauwhuis. De diaken haalde mij thuis op, we reden naar de kerk en daar stond hij, op de kop. Je zag z’n benen van verre uit het vat- dat onder de regenpijp stond- omhoogsteken. Het had de dag ervoor geregend, dus hij had het niet droog gehouden. Hij kon er niet meer uit. Dat wou hij ook niet vermoed ik en hij had er alle reden voor. En hij had haast, want hij was niet eens katholiek. Hij heeft het dichtstbijzijnde vat genomen. Als je heit op de kop in het wijwater ziet staan stel je geen vragen meer over de volle leegte van een gat. Als heit zich verzuipt dan juich je van binnen en je praat over de plotselinge leegte van het hart zonder te zeggen wat er eerder inzat. In Gerkesklooster juich je in stilte.

Romke slaat mij niet, wellicht denkt u dat hij dat doet. De dokter vroeg ernaar, toen ik van de trap was gevallen, maar Romke slaat niet. Sloeg niet, moet ik zegen. Nu slaat hij soms, omdat ik er om vraag zegt hij. Met een hoorntouw, dat speciaal daarvoor aan de muur hangt. Hij slaat alleen als hij boos is. En soms ook als hij niet boos is bedenk ik me nu, als hij dronken is, of gewoon zomaar, omdat hij zin heeft. Zijn zin is mijn verlangen zegt Romke. En dat is waar. Ik vraag erom. Ik verlang er naar. Dan slaat hij. Voor mij. Allemaal voor mij. Uit liefde. Romke houdt van mij en ik houd van Romke.



Hoop heb je niet, hoop hóóp je. Hoop is voor later. Het is iets voor de toekomst, niet voor nu. Niemand heeft hoop in eigendom. Je kunt het niet kopen. Wanneer je uiteindelijk in staat bent alle hoop te verliezen ben je bevrijd. Bevrijd van alle moeten, bevrijd van vragen en bevrijd van antwoorden, bevrijd van alle geschreeuw, bevrijd van het heilige moeten, bevrijd van de eis tot presteren. Bevrijd van alles wat het leven ondraaglijk maakt. Nooit meer wakker worden in de hoop dat de droom uitkomt. In de verwachting dat de droom uitkomt en dan teleurgesteld worden. Teleurstelling bestaat niet zonder hoop. Hoop is een leeg vat vol ellende.

Ik vind dood gaan een belangrijk onderwerp, ik praat er graag over. Maar alleen met mezelf, nooit met anderen. Op de televisie praten mensen er ook graag over. Over Doodgaan. Door mensen die dat dan net niet deden. Nooit hoor je iemand praten over doodgaan die dat ook echt heeft gedaan, doodgaan dus, die het heeft meegemaakt, een ervaringsdeskundige. Een gemiste kans, want eigenlijk praat je nu over doorleven, dat is toch een stuk minder interessant. Doodgaan, daar draait alles om in het leven. Uit de dood ontwaken en beginnen met leven.

Ik houd van doodgaan. Ik ga graag dood, ik doe het ook vaak. Elke nacht om precies te zijn. Meerdere keren. En ik word dood wakker. Dan begint het leven weer, dat is jammer. Het is een deceptie meneer Folsgare, ik zeg het eerlijk. Wat kan toch de reden zijn dat je weer wakker wordt als je de dood gedroomd hebt. Soms ligt Romke naast me, nee ik lieg, hij ligt bijna nooit naast me, bijna nooit. Zo weinig dat ik soms denk dat hij dood is, hij wel, de smiecht. Ik heb hem al nooit vertrouwd. Op weg naar Sebastopol en nooit weergekeerd. Zonder hoop verdwijnt verwachting. Verdriet is de prijs van de liefde. Gods gruwelijke stilte, zoals dominee laatst zei. Halleluja, de Heer is genadig.

Als het op geluk aankomt doet Kras niets. Wat geluk betreft sta je er alleen voor. De wereld is Kras, maar niet gelukkig. Ik reis straks met de trein en niet met Kras. Ik beloof een snel vertrek. Ik zal vertrokken zijn voor ik gemist word.

Met Kras kun je opkrassen, of vindt u dat flauw? Ik moet er ontzettend om lachen, zo’n flauwe woordgrap. Verzin het maar. En dan, hoe lang is het geleden dat ik gelachen heb? Als je nooit lacht, maakt het niet uit waarom je lacht.

Is leegte in beweging, of is de leegte stil? Is leegte stilte? Dat zijn de vragen die ik mezelf stel. Op dit soort avonden. Ik wil aardig gevonden worden, niet zijn. Vindt u me aardig meneer Folsgare? U laat het niet merken. U kunt uw gedachten verbergen, u kunt een geheim bewaren, dat zie en voel ik aan alles. Maar kunt u mij verbergen? Kunt u mij bewaren? Had u mij kunnen bewaren? Zou u het gewild hebben? Ben ik het waard bewaard te worden? Dat zijn de dingen die ik me afvraag, als ik alleen met mezelf en een baco ben en me af en toe aanraak en ook nog een lijst maak met vragen waar ik geen antwoord op wil hebben.

Het sneeuwt. Ik heb net gekeken en het sneeuwde. Ik slaap boven, dus ik keek omlaag en toen zag ik mijn trouwjurk liggen, in het maanlicht uitgespreid over de wereld tot het oneindige. Alsof hij weer klaarlag op het bed, net als toen. Het was mijn wereld ingelijst. Ik zat in de lijst en kon er niet uit, de gevallen sneeuwengel. Ik ga straks met de fiets, dan maak ik een spoor naar het spoor, dan fiets ik over mijn trouwjurk. Ik zal snel zijn, dat wil ik mezelf beloven. Voor de trein stilstaat ben ik vertrokken. Ik denk dat ik zal zingen. Van binnen. Terwijl ik fiets.

Ik kijk uit het slaapkamerraam en ik zie mezelf, op de fiets, in het donker. Ik hoor het geluid van de slippende dynamo. Ik zie mezelf rijden, in mijn trouwjurk over mijn trouwjurk. Ik zie het spoor dat ik nalaat, ik zie het in de sneeuw. Ik zie het rode achterlicht over de trouwjurk glijden. Hoe ik met de banden een donkere streep trek door mijn trouwjurk. Ik hoor mezelf zingen, van binnen. Buiten, waar het sneeuwt. Ik blijf kijken tot ik verdwijn. Terwijl ik zie hoe het enige spoor dat ik achterliet langzaam door de sneeuw wordt uitgewist en weer wit wordt. Hoe het rode achterlicht van de fiets in de verte langzaam uitdooft en afgelost wordt door het witte licht van de naderende trein. Alsof ik er nooit was. Maar ik zing.

Roelof-Jan Rutten (1935) is rustend boer en oud-marinier in Oost-Indië en intussen ook ontredderd weduwnaar. Verenigd in één persoon levert dat de explosieve mix die heeft geleid tot de geniale verhalen die hij na de langverwachte dood en welverdiende crematie van zijn vrouw is gaan schrijven. Roelof-Jan is nu dierenactivist en woont en schrijft met de kater Joost in zijn geliefde geboortedorp Haskerhorne.