Doorgaan naar hoofdcontent

Mei 2020



Winnaar mei 2020


Vandaag ben ik gaan lopen
Martijn van Bruggen

 
Vandaag ben ik gaan lopen,  voorgelezen door Marc Graetz

Ik loop. Ik loop en daar is alles mee gezegd.

Ik loop naast de weg. De grond is dor en gebarsten. Hier groeit niets meer, voetstappen hebben gras het leven ontnomen. Naast mij, achter mij, voor mij weilanden. Ik kan niet zomaar meer terug, als ik omkeer ben ik nog verder van huis. Op het weiland naast mij rijdt een jongen in zijn trekker heen en terug, van sloot naar sloot. ‘De kunst van het slagroomspuiten is dat je met vaste hand werkt,’ zei mijn vader. Als hij toekeek had ik nooit een vaste hand. Dan hield hij mijn arm vast en stuurde me dusdanig dat ik het alsnog niet zelf deed. Liet hij me los dan ging het fout, dat wisten we allebei.

Het is fout gegaan. Ik loop naast de weg en de boerenknul rijdt zijn rondjes zoals hem dat geleerd is door zijn vader, zoals het die geleerd was door zijn vader. De grond zal weer ontwricht raken en de grond zal weer herstellen. De boerenknul zal een vriendin vinden die Annet heet of Sylke en ze zullen kinderen krijgen die Annet of Sylke heten, net zo lang tot er een jongen bij zit. En de jongen zal het bedrijf overnemen en zijn rondjes rijden.

Waar ik loop zal het gras nooit meer groeien. De dood kent geen scenario’s die naar ernst worden ingedeeld in tabellen die met stemmig lettertype pagina drie van het dagblad vullen. De dood is de zee waar alle rivieren samenkomen.
Ik heb nooit de zee gezien. ‘Daar is niets te zien, alleen gezichtsbedrog,’ zei mijn vader die niemand dan zichzelf in zijn auto liet rijden – eens per week voor boodschappen. ‘De zee is voor ons wat de sloot voor een vlo is. Verhalen waarin dromerige figuren staren naar een eindeloze zee zijn per definitie onzinverhalen.’ Hij had een hekel aan vals sentiment, zei hij altijd. Pas laat heb ik begrepen dat vals ook nep betekent. Mijn vader was niet nep.

Voor mij. Een groep wielrenners van middelbare leeftijd houdt elkaar uit de wind die ze toch al achter hebben. De achterste mamil spuugt op de weg omdat hij dat op tv heeft zien doen. De klodder beland gedragen door de wind een paar decimeter achter mij. ‘Hoer’, hoor ik nog klinken voordat de wind hun bestaan heeft uitgewist. Ben ik een hoer? vraag ik mij gelaten af. De wind snijdt door mijn gereepte shirt. Ik kijk door een scheur naar mijn ontblote linkerborst en constateer dat ik geen hoer ben, net zomin als de mamil een profwielrenner is. Wij zijn alleen illusies rijker.

Er liggen boomwortels over de grond, kronkelend gestorven. Ik weiger de weg en waggel door als een hoer op hoge hakken langs de highway. Een boomwortel is voor een vlo wat een heuvel voor mij is. Ik sta even stil op een wortel en trek het elastiekje uit mijn haren. De wind gaat langs mijn oren, langs mijn wangen en laat mijn bruine haren golven als de zee. Ik snuif de varkens op. Ik trek mijn haren uit het elastiekje, laat ze meenemen door de wind. Het elastiekje hang ik aan de laatste boom in de rij, alsof ik aan spoorzoekertje doe.

Ik zal niet gezocht worden. Kunnen mensen die niet gezocht worden, gevonden worden?

De rij bomen naast mij houdt op met bestaan maar over honderd meter staat dezelfde rij er weer. Het pad blijft oneffen. Opgedroogde regenplassen worden niet egaal. Ik wil de grond voelen in al zijn reliëf. Ik wring mijn rechter All Star uit door er met mijn linker op te staan en gooi hem in de opgedroogde sloot. Het zand is heet, bloedheet zeggen mensen, maar zo warm is bloed helemaal niet. Ik kijk naar mijn vingers en twijfel of ze ooit nog schoon worden. Ik zuig erop, een voor een, met mijn ogen naar de hemel gericht zoals het me geleerd is. De eerste keer deed ik het met mijn ogen dicht. ‘Kijk me aan, kijk me aan,’ was wat de man zei en hij pakte de bovenkant van mijn paardenstaart vast en trok hem naar beneden. Ik beet van schrik en hij zei ‘teef wil je hard’ en liet mijn haren niet meer los. Ik deed mijn best hem aan te kijken, maar zijn harige buik zat ervoor.

Ik sla mijn ogen neer en weet dat ik nooit meer kan beoordelen of mijn vingers schoon zijn.
Waar kan ik mijn handen kwijt?

Ik blijf staan en pak de achterkant van mijn gymp vast. Uit ermee, ik wil de hitte voelen. Ik probeer mijn duim tussen mijn hiel en de gymp te wringen, maar mijn voet is opgezet en mijn nagel gebarsten. Als ik mijn veters probeer los te maken begint het onder mijn nagels als een man te bloeden. Een haartje van mijn hoofd, vermoed ik, is blijven steken tussen de scheur in mijn wijsvingernagel.

Het lukt niet. Het lukt niet en ik keer om, terug naar de boom met mijn elastiekje eraan. Ik zet mijn ontblote rechtervoet in de grond, hef mijn linkerbeen op en ik trap en trap en TRAP tegen de boom. Hout versplintert maar ik wil dat mijn schoen versplintert. Ik pak een splinter op en stop hem tussen mijn hiel en schoen en wring net zolang totdat de splinter te kort is geworden. Ik probeer de resten tussen de knoop van mijn schoen te pulken maar de splinter versplintert in stukjes.

Wat moet ik nou? Ik kan toch niet met een ontblote voet en een gymp gaan lopen? Ik draal en draai en dus besluit ik terug te gaan naar het laatste wat ik kan herstellen. Ik spring de greppel in en ga op zoek naar mijn gymp. Ik vind hem snel, weinig mensen gooien hun gymp in een greppel. Ik steek mijn tenen in de opening en probeer mijn hiel erin te krijgen maar daar heb ik mijn vingers voor nodig en die hebben nagels en die zijn versplinterd. Ik gooi de schoen opzij, ga op mijn kont zitten, trek mijn benen op en buig het hoofd in dit loopgraf.

Pas als er een schaduw over mijn knieën valt merk ik zijn aanwezigheid op. Ik hef mijn hoofd.
Voor mij reist een silhouet. ‘Silhouetten zijn de eerlijkste vormen van de mens,’ zei mijn vader als hij expres zo boven mij hing dat ik alleen zijn omtrek zag. ‘Op silhouetten spelen make-up, manicure en andere verzorging geen rol. Silhouetten doen niet aan bedrog,’ hij spande al zijn spieren aan, ‘als een silhouet indruk maakt zit je goed.’ Dan trok hij mij omhoog, liet me voor een soort rechtopstaande tl-buis staan en maakte foto’s. ’s Avonds lagen ze onder mijn kussen, als studeerwerk. ’s Ochtends plakte hij de lelijkste foto op de loopband, als motivatie tijdens de lichamelijke vormingsuren.

Ik beweeg me achterwaarts op handen en kont en zet me af met mijn benen. Het silhouet van de man verdwijnt en het uiterlijk van de boerenknul verschijnt.
‘Alles goed?’ Hij loopt op zijn sneakers de greppel in, steekt zijn hand uit. Misschien om zich voor te stellen, misschien om me op te trekken. Aan beide heb ik geen behoefte.
Dus ik pak gehoorzaam zijn hand en hij trekt me op.
‘Ik ben Arjan.’ Hij doet alsof hij me aankijkt maar zijn ogen scannen mijn hele bovenlijf. Ik vouw mijn armen half onder mijn borst en voel dan pas weer dat er van mijn shirt weinig over is. Ik wrijf de dode bladeren van mijn staalharde dijen en kogelronde billen en voel koude smurrie op mijn handen – de sloot was nog niet helemaal verdord.
Arjan draagt geen blauwe overall, maar jeans en een rood geblokt overhemd met alle knoopjes los. Eronder heeft hij een zwart hemd aan, met tandpastavlekjes rond de kraag.
‘Hallo Arjan. Sinds wanneer dragen boeren geen klompen meer?’
Glimlachend kijkt hij naar mijn voet en schoen. ‘Moet jij nou commentaar leveren op iemands schoenen?’
Hij peilt mijn reactie. Ik lach om hem op mijn charmantst, met zo’n hikje aan het einde. Mannen willen grappig gevonden worden.
Zijn blik zakt weer naar mijn borsten. Hij gaat comfortabeler staan, steekt zijn handen in z’n jeans. ‘Zag ik jou daarnet niet ook al lopen?’ Hij zegt het vriendelijk, maar juist dan moet je op je hoede zijn.
Pas nu besef ik dat hij helemaal niet naar mijn lijf kijkt, maar net langs me heen naar de kant van de greppel. Hij weet niet waar te kijken. Normaal gesproken kijken mannen door mij heen.

‘Dragen boeren altijd sneakers?’ vraag ik.
Hij kijkt me verbaasd aan, alsof ik de vraag al eerder heb gesteld. ‘Gaat alles wel goed met je?’ Hij zet een stap naar voren. Ik zet een stap terug.
Achter mijn rug langs pulk ik met mijn kapotte nagels aan mijn kapotte nagels. Een warme gloed glijdt over mijn koude modderhanden.
Arjan pakt met zijn linkerduim en -wijsvinger de rand van zijn overhemd beet en wappert er mee. ‘Pff, wat is het warm hier in dit hol. Zullen we in de schaduw van m’n trekker gaan staan?’
Een lach ontschiet me. ‘Wow, Arjan, dat is wel de slechtste versiertruc die ik de afgelopen tijd gehoord heb.’
‘Hij fronst zijn voorhoofd, trekt zijn wenkbrauwen naar onderen. ‘Zo bedoelde ik het helemaal niet.’ Demonstratief trekt hij z’n overhemd uit en gooit het alvast naar boven.
Zijn armen zijn gespierd.

Ik moest de vrienden van mijn vader altijd helpen met het uittrekken van hun bovenkleding. ‘Diep vanbinnen willen alle mannen hun moeder doen: oedipuscomplex,’ zei mijn vader eens aan de etenstafel toen mijn moeder er als een dief in de nacht vandoor was gegaan – met de auto. ‘Daarom is het belangrijk dat je goed naar ze luistert en ze vertroetelt.’ Ik at rustig verder van mijn muesli en deed net of ik het niet hoorde. Dat vond hij prima. Hij wist dat ik zou luisteren.
Ik had een maandje later een jongen die in zijn ongemakkelijkheid zijn eigen overhemd probeerde los te knopen. Hij kwam hier omdat hij nog niemand had gevaccineerd, werd mij gezegd door zijn vader, vaste bezoeker, die hem afleverde voor de kamerdeur. ‘Dus pak hem maar goed aan als ‘ie de mist in gaat.’ En hij gaf zijn zoon een klets op het achterhoofd. Zoonlief boog zijn hoofd nog verder. Dus toen hij later in de kamer hevig zwetend zijn knoopjes probeerde los te pulken, pakte ik zijn trillende hand beet en zei sussend: ‘Laat mij het maar doen.’

Arjan klimt zonder zijn handen te gebruiken naar boven, draait zich om, steekt zijn hand uit. Ik doe net alsof ik het niet zie en klim op handen en voeten naar boven. Het bloed stroomt tot mijn polsen, druppelt op de grond.
Als ik boven kom en mijn handen achter mijn rug vouw, zit hij al in de cabine van zijn trekker.
‘Kom anders mee naar mijn huis,’ zegt hij met een hand nonchalant aan het stuur. ‘Je kan vast wel kleren lenen van m’n zus.’ En hij kijkt me weer vluchtig aan. Ik ga schuin achter de trekker staan zodat hij me niet meer kan bekijken, tenzij hij opzichtig omkijkt door de glazen cabine.
Vanuit de cabine klinkt: ‘Het is het dichtstbijzijnde huis aan je rechterzijde.’
Ik kijk niet en zwijg.
‘Loop je anders liever?’ concludeert hij. ‘Dan zorg ik wel dat je kleren klaarliggen als je er bent.’
Eindelijk valt hij stil. Net als ik wil reageren – wat vroeg hij ook alweer? – trekt iets in mijn ooghoek de aandacht. Een hel lichtje in de buitenspiegel van zijn trekker, vastzittend aan een zwart vlak dat wordt vastgehouden door een blanke hand.
En ik voel de woede opkomen, van diep onder in mijn buik naar mijn longen, mijn keel, mijn hoofd, mijn alles. Het is de tweede keer vandaag. Het is dezelfde woede als vanochtend, toen mijn vader mijn lichaam begon te betasten als een blinde beeldhouwer die zijn magnum opus had afgerond. ‘Je bent eindelijk knapper dan mama ooit is geweest.’ Hij gleed met zijn handen over mijn lichaam, een aan de voorkant en een aan de achterkant, van boven naar beneden.
Hij passeerde mijn buik. Er knapte iets bij mij.
En er knakte iets bij hem.

Ze zijn allemaal hetzelfde – logisch, ik blijf ook dezelfde.
Arjan wacht nog steeds op een antwoord, terwijl hij nietsvermoedend zijn mobiel opbergt – hij heeft weer plaatjes voor zijn maatjes.
Ik kijk naar mijn gereepte shirt, mijn blote voet, mijn met bloed doordrenkte handen, mijn versplinterde nagels en denk: ik kan hem nu niet aan. Met al mijn woede kan ik hem nu niet aan.

Dus ik zet een stap opzij en daal af in de sloot. Hij roept: ‘Waar ga je heen?’ en ik heb geen flauw idee, maar ik ga niet mee met hem. Ik klim de sloot aan de andere kant weer uit en loop het weiland in, snuif de varkens op, zaai bloed in het omgeploegde land. Ik hoor de trekker starten, maar het geluid vervaagt. Hij komt me niet achterna – natuurlijk niet. Wie niet gezocht wordt, kan niet gevonden worden.

En ik loop. Ik loop en daar is alles mee gezegd.



Martijn van Bruggen(1999) woont in Zaltbommel en is eerstejaars student Nederlandse Taal en Cultuur te Utrecht. Hij schrijft (heel klassiek) op de zolderkamer. Hij schreef voorheen blogs voor Scholieren.com en schrijft nu voor het studieblad van zijn opleiding. Is op Instagram en Blogger actief als @eenleveneenverhaal.

Shortlist mei 2020


Hieronder staat de shortlist voor mei 2020. 
  • Mark de Groot - In de schaduw van Venus 
  • Martijn van Bruggen - Vandaag ben ik gaan lopen 
  • Samuel Derous - Betaalde liefde 
  • Peter Caberg - Daglicht 
  • Valère Gijbels - Appartement 
10 juni publiceren we de winnaar. Tot dan!


Longlist mei 2020

Hieronder staat de longlist voor mei 2020.

Update 3 juni: Alle verhalen zijn gelezen en beoordeeld.

Staat je verhaal niet in de lijst? Laat dit je absoluut niet tegenhouden om verder te gaan met schrijven. Bedenk dat het beoordelen van verhalen een subjectieve activiteit is en dat dit niks zegt over de kwaliteit van je werk. Elke beroemde schrijver is ooit geweigerd. Het hoort er gewoon bij.

Op 5 juni publiceren wij de shortlist.

Dan nu de lijst:
  • Hans Brans - Een vleug 
  • Lisa van Eijk - De rand
  • Angelo Achtergaele - Alles kwijt
  • Mark Buijnsters - Het hoge woord
  • Mark de Groot - In de schaduw van Venus
  • Anka Hashin - Begeertes in boemerang
  • Cleo Gomez - Sanne
  • Cliff de Rouw - Eerste festival na corona
  • Lot Vaes - Greta
  • Yoica Van Den Bremt - Dodelijk jaloers
  • Lieke Kronenburg - Brandblaar
  • Martijn van Bruggen - Vandaag ben ik gaan lopen
  • Samuel Derous - Betaalde liefde
  • Thijs Puype - Hoe sterft de wijze met den zot? of één der eindige zomerdagen
  • Frans van der Eem - Een gepast feestmaal
  • Peter Caberg - Daglicht
  • Willem Olierook - Ontluikende liefde
  • Jeroen Follens - De verjaardag
  • Maurice de Bock - Stiltecoupe
  • Cecile Koops - Kermisweek
  • Erik van der Velden - Over de brug
  • Ikram Elmorabet - Permanent
  • Izzy van der Horst - Droompaleis
  • Liesbeth Stalmeier - Twee zussen
  • Jaap Ferwerda - Kerstevenement
  • Inge Sleegers - Een lied van liefde
  • Sandra Meerwijk - Zo oud als bomen
  • Eelco Visser - De belofte
  • Valère Gijbels - Appartement