Doorgaan naar hoofdcontent

Maart 2021



Winnaar maart 2021

Het vogelmeisje

Martine Kortekaas


 
Het vogelmeisje,  voorgelezen door Marc Graetz


Illustratie: Leonie Bos
Illustratie: Leonie Bos

Soms hè, soms heb ik het zó te doen met die mensen daar, daar aan de overkant. Op nummer 11. Dat beschermd wonen weet je wel. Zo jong en dan zo getekend al. Ik praat wel eens met die vrouw, die psychiater daar, god hoe heet ze ook alweer? Een rare naam in elk geval. Ze vertelt natuurlijk niets persoonlijks, privacy enzo, maar dat het niet makkelijk is voor ze, ja dat kan ze wel onderkennen. Dat ene meisje, met dat lange zwarte haar en dat naar voren gestoken buikje, die vind ik misschien nog wel het aandoenlijkst, zoals ze altijd met de vogeltjes aan het praten is. Ik doe maar net alsof ik het niet merk. Ze kan heel boos worden namelijk. Laatst was ik Theo aan het uitlaten, en toen stond ze ineens vanuit het niets – zo leek het in elk geval - voor ons. Begon een heel verhaal over dat ze niet weg ging, dat ze gewoon bleef, dat ik niets moest proberen. Nou, ik kan je wel zeggen, ik schrok ervan. Ik schrok van zoveel woede. En, en, tja, ze deed me ook aan onze Elise denken. Onze Elise was op een gegeven moment ook zo in de war. Ze wist zeker dat mijn man en ik haar gedachten bestuurden. Dat deden we niet natuurlijk, maar voor haar was het echt. Ze zag ook overal bewijs daarvoor, in de krant, op televisie, zelfs op Hyves. Maar goed, dat is een ander verhaal en lang geleden – ik had zelf nog zwart haar toen joh hé- en ik wil eigenlijk ook niet meer teveel denken aan hoe die politieagenten voor de deur stonden toen, met “Mevrouw van Breukelen? Moeder van Elise?”, want dan weet je voldoende. Of je kind is dood, of je kind leeft, maar je leven is voor altijd veranderd.
Het vogelmeisje dus. Ik hoop dat ze uit de war komt. Ik hoop het voor iedereen.

“Vrouw in kritieke toestand in ziekenhuis na mishandeling”. De kop brandt zwart op de witte achtergrond van de Gelderlander op mijn laptop. Ik voel me misselijk worden. Hoe is het mogelijk dat ze dit heeft overleefd? Ik schud mijn hoofd om de beelden van een schedel, opengebarsten als een gevallen vogelei, kwijt te raken. Ik sla de laptop dicht en staar naar buiten. De grote boom is vandaag nog leeg, de takken kaal en knoestig. Ik kijk naar beneden en zie twee vrouwen uit mijn straat met de hoofden naar elkaar toe staan. Zachtjes schuif ik mijn raam omhoog -zachtjes, want ze mogen me niet zien- opdat hun zinnen mijn appartement binnen kunnen kringelen.
“Oh!”, zegt de vrouw van nummer 15, “dat zo iets vreselijks bij ons in de straat kan gebeuren. Bij ons!”.
De vrouw van nummer 27 kijkt vlug om zich heen en fluistert “ik denk dat de dader één van hen is, je weet wel, één van die mensen” en ze wijst naar boven.
Voor ze me zien laat ik me op de grond vallen en kom pas weer overeind als ik hun stemmen niet meer hoor. Mijn gehoor is scherp, als een Indiaan. Papa zei het vroeger al: wij tweeën zijn Indianen. Alleen wij kunnen de bomen horen praten als we heel stil zijn. Alleen wij zullen ooit, als we heel erg ons best doen, de dieren kunnen verstaan. Ik had papa moeten beloven dit nooit aan mama te vertellen en ik ben er trots op dat ik dat inderdaad nooit heb gedaan. Ook niet toen papa zomaar wegging en ook niet toen Hedie – mijn beste vriendin- vroeg of “er misschien geestelijke problemen voorkwamen in mijn familie”. Mijn vader was niet gek, maar gewoon een beetje anders en ik mis hem vreselijk. Ik had hem graag laten zien hoe mooi ik nu woon; dichtbij het park waar ik vaak even heen ga om te luisteren naar het zachte murmelen van de kastanjes en de eiken. “Hoi Denise-ise- ise-ise”, zeggen de bomen dan, want bomen praten met een echo. “Dag bomen, dag dag!”, zingfluister ik dan terug. Meer durf ik niet zeggen, want ik weet ook wel dat mensen denken dat ik raar ben als ik met de bomen praat, hoewel iedereen met een huisdier eigenlijk precies hetzelfde doet.


Ik ga in de stoel tegenover het raam zitten en bekijk mezelf in het glas. Als ik mijn ogen tot spleetjes knijp is het net alsof de takken van de boom als een hoofdtooi uit mijn hoofd groeien. Terwijl ik mezelf blijf aanstaren maak ik twee dikke vlechten van mijn lange haar. Ik ben een indiaan.
Ik moet niet vergeten om de vlechten er weer uit te halen als ik straks naar Hedie ga. Vorige week vroeg ze me of ik weer met de Indianen-gekkigheid bezig ben. Ik ben geërgerd dat ze het gekkigheid noemt, alsof het niet waar is wat ik vertel.
Soms kijkt Hedie me aan zoals mijn moeder vroeger naar me keek: verbaasd en bezorgd tegelijk.
Er is niets om bezorgd over te zijn. Het gaat goed met mij. Ik ben gelukkig. Ik woon mooi beschermd, ik kom veel buiten, en het belangrijkste, ik heb nieuwe vrienden gemaakt, na jaren van eenzaamheid.
Er was niemand, op Hedie na. Eenzaamheid vrat me op. Eenzaamheid had zich als een matroesjkapoppetje om me heen gevleid. Niemand zag dat ik daar klein en wanhopig in verborgen zat. Ik probeerde uit te breken, ik sloeg op de wanden, ik schreeuwde, maar het lukte me niet om door de laag heen te breken. Soms vroeg ik me af of ik wel echt bestond. Kon ik een bedenksel van mijzelf zijn?
Op een avond in augustus van mijn laatste eenzame jaar zat ik aan de voet van de vier grote rode beuken in het park. Met mijn gezicht gedraaid naar de zon, mijn ogen dicht, hoorde ik plotseling een stem: “Lekker hè, zo de laatste zon van de dag meepakken. Wil je wat van mijn aardbeien?”. Ik deed mijn ogen open en ik zag ‘m voor de eerste keer: Mees. Hij was eigenlijk nogal onopvallend, op zijn haar - heel lichtgekleurd boven op zijn hoofd, steeds donkerder wordend naar de zijkanten - na. We begonnen te praten en na die avond zagen we elkaar steeds vaker bij de rode beuken. Soms nam hij vrienden mee, soms waren we met zijn tweeën. Ik voelde me als herboren.

Ik maak de vlechten los en kijk uit het raam of de straat leeg is zodat ik naar Hedie kan lopen. Ik zie dat Mees er is. Ik pak snel mijn jas en ren de trappen af naar beneden. Als ik de deur opendoe grijnst Mees me al tegemoet. “Zo Indianenmeisje, hoe is het vandaag? Lekker geslapen?” zegt hij terwijl hij op de bagagedraaier van een fiets gaat zitten. Ik ga op de fiets ernaast zitten en vertel hem over wat er gisterenavond is gebeurd. Hij knijpt zijn ogen wat dicht en vraagt hoe ik me voel. Ik antwoord dat ik me wel goed voel, geschrokken natuurlijk, maar wel goed. Mees trekt een meelevend gezicht en zegt “Ach, weet je, die vrouw was toch een ouwe graftak”. Ondanks alles moet ik lachen – hij heeft gelijk, ze wás een ouwe graftak.

“Zit je me nou uit te lachen?”. Ik draai me om en zie de buurvrouw van 27. Ze kijkt me boos aan.
“Nee! We hebben het niet over jou”.
“Waar lach je dan over?”. Ze durft me niet aan te kijken en loert over mijn schouder naar de boom.
“Nergens over. Bemoei je er niet mee” zeg ik en ik draai me terug naar Mees.
Hij is weg.
“Lekker dan! Je hebt mijn vriend weggejaagd!”
“Welke vriend?” vraagt ze, alsof iemand als Mees geen vriend van mij kan zijn.
Ik zeg niets en maak alleen een snelle beweging met mijn hand langs mijn voorhoofd alsof ik haar ga scalperen.
“Je bent gek. Knettergek!“ roept ze.
Ik loop weg. Het is tijd voor mijn afspraak met Hedie.

Gek.
Het woord tuimelt door mij hoofd als een knikker in een wasmachine. Gek gek gek gek gek.
Ik ben niet gek ik ben niet gek ik ben niet gek ik ben niet gek ik ben niet gek ik ben niet gek.
Ik. Ben. Niet. Gek.
Ik ben gelukkig. Ik ben … ik ben ik ben ik ben…IK BEN. Ik sta in contact met alles.
Ik kan horen wat niemand kan horen.
Ik kan zien wat niemand kan zien.

Ik loop door. Naar Hedie. Ik moet naar Hedie. Ik wil niet weg. Ik ben niet gek. Ik wil niet weg uit mijn huis. Het is míjn huis. Míjn huis.

Mijn zintuigen staan op scherp. Mijn zintuigen zijn gemaakt om te jagen, te heersen, te straffen. Niemand maakt mij iets, want mijn voelsprieten staan uit. De trilhaartjes in mijn oren pikken de kleinste trilling op en zetten het om in begrijpelijke taal. Mijn retina’s zijn zó ontwikkeld dat ze meer kunnen zien dan elke ander mens. Het kleinste zuchtje wind wordt opgepikt door mijn armhaartjes en vertelt mij het verhaal wat zich de komende uren gaat afspelen. Als ik mijn huid lik, proef ik de lessen uit het verleden. Oh ja. Vergis je niet mensheid, álles álles komt tot mij, verleden heden, toekomst. Verleden heden en toekomst.
Mijn verleden. Ha! Vergeet nooit waar je vandaan komt, zodat je de huidige en komende velden waarlijk kunt appreciëren. Vergeet nooit waar je vandaan komt, zodat je de huidige kunt bewaken. En bewaken móet! Móet! De lange lijnen, daar gaat het om. Ze mogen niet afbuigen, o nee. Ze zijn gestart, gestart in het verleden en lopen door het nu, de toekomst in en degene die het doorkruist, ja, diegene die het doorkruist, die. Moet. Helaas. Weg.

Weg.

Ik bewaak mijn territorium, alert! Luisterend! Voelend! Ziend! De geesten van vroeger fluisteren mij in wat de gevaren zijn. De witte wijven van de toekomst sluieren om me heen, benemen mij het zicht, wervelen zachtjes, záchtjes langs mijn oren; lieflijk planten ze de woorden, drukken ze aan met hun fluwelen vingertoppen, wateren het met hun zacht zout speeksel. Dáár is de toekomst. Dáár! Opdat ik weet. Opdat ik handel. Opdat ik niet treuzel, niet empathiseer, néé. Mijn huis, mijn kasteel, mijn tent, mijn burcht, mijn verlangen, mijn haven, van mij. Blijft van mij.
Strepen, op mijn gezicht. Strepen, onder mijn voeten. Strepen, op straat. THOU SHALL NOT PASS. Thou shall not pass.

“Het spijt me mevrouw van Breukelen, maar u moet nu gaan”. Ik zei het hard genoeg zodat haar vogelgezichtje zich verbaasd ophief, haar kraaloogjes schoten boven het mondkapje naar links en naar rechts, haar kleine handklauwtje omhoog. Die kleine nageltjes, pff! Geen partij voor mij. Ik heers, ik héérs over deze straat, over deze vlakte. Niemand krijgt mij hier weg. Zie haar liggen, haar paard kreupel, verwrongen, mat. Ik sla met twee vuisten op mijn borst, mijn vlechten glanzend zwart van de regen, het beetje licht van de lantaren genoeg om het rood te ontwijken als ik naar huis loop. Geen vuil in mijn tent. Ik ben volmaakt, de taak volbracht. Ik blijf. Míjn huis. Mijn.

“Hoe is het met je gegaan deze week?”.
Ik hoor vogels fluiten. Vanaf mijn plek in Hedie’s kamer kijk ik uit op een boom. De boom wuift even naar me ter begroeting, ik knik kort terug.
“Denise?”
“Ja?”
“Hoe is het gegaan deze week?”
“Goed.”
“Heb je nog nagedacht over waar we het de vorige week over hadden?”
“Ja. Je hebt gelijk. Opkomen voor mezelf is belangrijk. Ook als het moeilijk is.”
Ze draait haar hoofd een beetje schuin, leunt naar achteren, vouwt haar vingers in een bruggetje.
“Heb je nog met de buurvrouw gesproken?”
Ik zie Mees zitten in de boom.
“Ja. Ja, gisteren nog.”
“Hoe was dat?”
Mees knipoogt naar me. Zijn staart wipt op en neer.
“Goed. Ja. Goed. ”
“Wat was er goed aan?”
Ik lach hardop en denk aan de uiteengespatte schedel, de kleine nageltjes.
“Ik ben gewoon goed voor mezelf opgekomen.”


Martine Kortekaas (circa 1980) woont en werkt in Arnhem. Ze publiceert nooit. Haar inspiratie haalt ze uit de binnenwerelden van mensen en soms ook van dieren.

De illustratie is geplaatste met toestemming van De Volkskrant, waarin deze eerder verscheen. Speciaal voor VvdM maakte Leonie Bos een nieuwe versie. Zie hier het origineel. Vind jij de 10 verschillen? Wij hebben er 7 gevonden!


******

8 april

Hieronder vind je de shortlist van maart 2021. Het was erg spannend en we hebben tot en met de laatste scores moeten wachten om te zien wie er uiteindelijk op kwam.

Tegenwoordig houden we ook bij in hoeverre de juryleden het met elkaar eens zijn in hun oordeel over elk verhaal. We doen dit door middel van het meten van de standaarddeviatie. Een leuke bijkomstigheid daarvan is dat we ook kunnen zien welk verhaal het meest controversieel was. Dat is dus een verhaal dat én hele hoge én hele lage cijfers kreeg. Welk verhaal dat is, vermelden we onder de shortlist.

Op 10 april maken we de winnaar bekend! Tot dan!

Groetjes, 

Maarten van Verhaal van de Maand


Shortlist maart 2021

Op volgorde van binnenkomst. Dit zijn volgens de jury de beste vijf verhalen van de in totaal 81 inzendingen. Gefeliciteerd shortlisters!

Martine Kortekaas - Het vogelmeisje 

Inge Sleegers - Laatste hoofdstuk 

Bas van der Graaf - Brussels Lof 

Conny Hoogendoorn - Grenzeloos 

Rick Groenhart- Geketend 


Meest controversiële verhaal voor maart 2021Kasandra Sharac - De beer


****

6 april

De uitslag van de poll is bekend.

Er hebben in totaal 191 mensen gestemd. De beste beginzinnen werden volgens de stemmers geschreven door (let op, dit is niet de officiële VvdM-shortlist

Inge Sleegers (15% van de stemmen)

Bas van der Graaf (10%)

Danique van der Rijt-de Ridder (9%)

Paul Vroom (7%)

Regina Krijger (7%)

Cecile Koops (7%)

In hoeverre dit een voorspelling is voor de shortlist zien we op 8 april! Tot dan!



****

4 april 2021

Beste schrijvers,

hieronder staat de longlist voor maart 2021.

Let op: Deze maand hebben we ook de beginzinnen erbij gezet. Stem in de zijbalk wie volgens jou de beste beginzin heeft! Je mag meerdere antwoorden geven. De zijbalk vind je aan de rechterkant; klik eventueel op de drie streepjes. 

De jury heeft het weer ontzettend druk gehad. We hebben deze maand 81 verhalen ontvangen die we gelezen hebben met 9 juryleden. Elk verhaal is minimaal door 4 mensen beoordeeld.

Sta je deze maand niet op de longlist? Laat dat je niet tegenhouden om door te gaan met schrijven en je verhalen in te sturen. Bedenk dat de juryleden ook maar mensen zijn en dat wij geen absoluut oordeel geven. Ga door, hou vol en geloof in jezelf!

Sta je er wel op? Van harte gefeliciteerd! Hou de poll in de gaten en kijk of jouw beginzin het publiek weet te bekoren.

Op 8 april publiceren we de shortlist.


Update 10 uur: helaas hadden we een technische storing waardoor de poll niet meer werkte. We hebben een nieuwe poll aangemaakt. 

Longlist maart 2021

Stem in de zijbalk voor de beste beginzin!

Paul Vroom - Anna
Het vreemdst was dat niemand het vreemd vond.

Nico Voskamp - Huidhonger
‘Wat eten we?’

Johnny Bollé - Een hart van goud
Ik bedank de lieve serveerster die het glas op het tafeltje naast mijn strandstoel neerzet.

Regina Krijger - Nachtmerrie
Langzaam opent ze haar ogen, hoort ze echt iets bij de voordeur?

Luc Vos - Niets, edelachtbare
De cijfers roepen naar mij, branden in mijn ogen.

Leo Janissen - Klier
‘Waarom kook je dan zelf niet… klier?’

Martine Kortekaas - Het vogelmeisje
Soms hè, soms heb ik het zó te doen met die mensen daar, daar aan de overkant.

Inge Sleegers - Laatste hoofdstuk
De avondzon kleurt de lucht oranjerood.

Danielle Lijnders - Met onze hoofden tussen de bladeren
Zijn ogen schoten van links naar rechts.

Dora Wardeman - Hasse
De zon zakte richting het westen.

Danique van der Rijt-de Ridder - Kringen in het meer
Hij keek naar de plek waar de kringen in het water langzaam verdwenen waren. 

Cecile Koops - Oppassen
Met een bonk stoot de rijplank van de ferry tegen de kade.

Jac Verhoeven - Biechtgeheim
Het was schemerdonker in de kerk op die novembermiddag.

Erik van der Velden - Liefdesvlucht
Zijn vlijmscherpe katana sneed zingend door de dichte bebossing

Annette Luycx - De hoerenloper
“Goedemiddag. Ik kom voor mijn werkvergunning."

Carl Stellweg - Goedemorgen, koddebeiers
Rotterdam, vroeg in de ochtend, eind jaren negentig.

Julia Burggraaf - Het doek valt
Er staan allemaal zwartgeklede mensen in de woonkamer.

Desiree van Osch - Een wandeling in coronatijd
Twee mensen van middelbare leeftijd wandelen haar tegemoet.

Bas van der Graaf - Brussels Lof
Van het onkruid in de dakgoten is weinig meer over dan dorre, stugge sprieten.

Martin Reekers - Op sterven na dood
‘We gaan Anton en zijn humor ontzettend missen en wensen Alice namens de hele vriendenclub veel sterkte toe met dit onbeschrijflijke verlies’, besluit Kees zijn afscheidsspeech in de Aula van de begraafplaats.

Conny Hoogendoorn - Grenzeloos
Een wrange glimlach laat mijn lippen krullen als ik terugdenk aan vanmorgen. 

Job van der Meer - Een avondje uit in Moskou
Het is net middernacht geweest en in Moskou hangt de zomerse warmte nog steeds in de lucht.

Kasandra Sharac - De beer
Of we ooit vrienden waren geweest?

Rick Groenhart- Geketend
‘Nou, dat is niet wat ik er van heb begrepen,' fluistert Rolf.