Doorgaan naar hoofdcontent

XVVDM juni 2021



Vrij

Mitzie Klumper

 


Vanmorgen stond de deur van de volière open en was hij leeg. Mijn buurman vloekte en riep zijn vrouw, maar veel hielp dat niet. Hoog in de bomen achter de huizen zaten wat vogels hard te fluiten, ik geloof niet dat het zijn parkieten waren.
     Het was de stank, die arme beesten zaten op besmeurde stokken en met drek op de grond. Ik kon het niet langer tolereren. Vanmorgen vroeg, toen het nog donker was, ben ik achteromgelopen, en heb ik zijn poort zachtjes opengemaakt. Hij klemt een beetje, maar als je er voorzichtig met je schouder tegenaan duwt, geeft hij mee. De volière staat vlak bij de keuken, verbonden met het huis door een doorzichtig golfplaten afdak. Ik moest stil zijn bij de achterdeur omdat direct daarboven zijn slaapkamerraam op een kier stond. Behoedzaam heb ik de deur van het vogelhok ontgrendeld en hem wijd opengezet. De stakkers zaten slaperig op hun stokjes, dus ben ik de kooi ingestapt, op de drek. Ze begonnen wild te fladderen en vlogen na wat botsingen tegen het gaas de deur door, hun vrijheid tegemoet.
     Terug in mijn eigen keuken heb ik mijn pantoffels onder de kraan gehouden. De zolen zaten onder de vogelpoep. Ik heb ze op de mat te drogen gezet en mijn handen wel zes keer wassen, maar de geur van drek en angst bleef aan mijn handen kleven. Vogelangst, niet de mijne.

Met het laatste restje oploskoffie kan ik nog net een kop maken, een beetje slap, maar het gaat. Buiten klinkt de stem van mijn buurman. Ik hoor hem vloeken en zijn vrouw die opgewonden praat. Een paar minuten later klinkt zijn stem over de schutting.
     ‘Gijs! Ik weet dat je er bent, kom naar buiten!’
     Ik steek mijn hoofd om de hoek van de keukendeur en vraag wat er aan de hand is.
     ‘Jij bent weer in mijn tuin geweest! En je hebt aan mijn volière gezeten. Geef toe!’
     Ik haal mijn schouders op. Uit mijn ooghoek zie ik mijn natte pantoffels op de mat. Vandaar dat ik koude voeten heb. ‘Nee, buurman, ik zit aan de koffie,’ roep ik terug.
     ‘Hier zul je voor boeten, Gijs, al mijn vogels zijn gevlogen.’ Hij klinkt kwaad. Ik denk dat zijn vogels zelf de vleugels hebben genomen, het hok stonk, maar dat houd ik voor me. De buurman tiert door, ik trek de deur dicht, mijn voeten zijn steenkoud.

Op het grindpad langs de rivier blijf ik staan bij een bankje. De grond is bezaaid met herfstbladeren. De lucht van een vervlogen jaar, van verrotting en dood. Het stadje ligt achter mij. Mijn voeten doen zeer in de krappe schoenen. Met een zucht neem ik plaats op het verveloze hout dat een groene waas heeft van de mossen die erop groeien. Niet vergeten straks mijn jas goed af te kloppen. Het bukken gaat wat moeizaam maar ik krijg mijn veters los en na een paar minuten neemt het gloeien in mijn tenen wat af. In de verte komt een binnenvaartschip aan. Het glijdt over het water, golfjes stuwen op tegen de boeg. Wanneer hij eindelijk langs mij vaart, zwaai ik even naar de schipper die vriendelijk terugzwaait. Even verderop verdwijnt het schip in de bocht op weg naar de volgende stad. Ik mompel de woorden van Gerrit Achterberg,

     Aan het roer die avond stond het hart
     en scheepte maan en bossen bij zich in
     en zeilend over spiegeling
     van al wat het geleden had
     voer het met wind en schemering
     om boeg en tuig voorbij de laatste stad.

Mijn mond blijft openstaan na die laatste woorden, ik laat ze ontsnappen en stuur ze achter het schip aan. Mooie woorden, niet langer in mijn hoofd vast.
     Hoog in de bomen klinkt het geluid van vogels. Het drukke getjilp klinkt bekend in mijn oren, maar ik kan het niet thuis brengen. Ik probeer te focussen tussen de takken naar de eigenaars van dit geluid. Blauw met gele schimmen zitten op de takken. Bloemen in de bomen? Ik kan straks naar de bibliotheek lopen en het daar opzoeken. Ik raap een blad van de grond en steek het in mijn jaszak, dat maakt het zoeken makkelijker. De lucht is grijs achter de boomtoppen, er komt zeer waarschijnlijk een bui aan. Ik strik mijn veters vast, sta op en loop terug naar de poort die toegang geeft tot het stadje.

De trap in de bibliotheek lijkt sinds vorige week weer langer geworden. Ik vermoed dat ze dat soms doen, dan verhogen ze de treden. ’s Nachts. Zodat niemand het merkt. Bezweet en hijgend kom ik boven in een vierkante hal met aan weerszijden twee fluwelen bankjes, als koninklijke zetels. Er zit daar nooit iemand op en hoewel ik even zou willen uitrusten, durf ik er niet plaats te nemen. Recht voor me zijn twee hoge klapdeuren met glas waarin twee vazen met palmbladeren zijn gegraveerd. Ik kijk tussen de palmbladeren door naar de leeszaal voordat ik naar binnen ga.
     In de leeszaal ruikt het naar natte jassen en leer. Ik moet langs de lange tafels in het midden van de zaal lopen om bij het achterste stuk van de bibliotheek te komen. Boven de tafels hangen lampen in Art Deco stijl, net als in het huis van mijn ouders toen ik jong was. De vloer kraakt zelfs een beetje als in ons huis en wanneer ik mijn ogen dichtdoe, ben ik weer daar. Bij ons rook het anders, naar stamppot en boenwas. Het valt me op dat de mensen die aan de tafels aan het werk zijn, allemaal gelijkmatig over de stoelen verdeeld zitten, niemand zit in een stoel direct naast een ander.
     Mijn voeten doen zeer, maar ik loop door naar de kasten die tegen de achterwand staan. Daar bevinden zich de vergeten werken, de bundels van grote schrijvers die staan weg te stoffen en te verteren. Wie heeft er nog oog voor mijn lievelingen, wie zorgt er voor ze? Schuifelend ga ik langs de rijen, de A en B op de bovenste plank. Ik laat mijn wijsvinger langs de trotse ruggen glijden, sommige in leer gebonden, andere prachtig versierd met gekrulde letters. Ik kies een rood werk met gouden letters, Burgersdijk, en laat mijn hand voorzichtig over de ruwe kaft gaan, langs het sierlijke opschrift. Ik draai het boek rond en bekijk de gesloten bladzijden. Het is net een stuk hout, lichtbruin met donkere vlekjes. Ik breng het boek dichter bij mijn gezicht, maar houd me in. Het is goed het hoogtepunt nog even uit te stellen.
     Mijn voeten doen ondragelijk veel pijn. Zouden mijn schoenen te krap zijn geworden? Voeten groeien zeker niet meer op mijn leeftijd. De schoenen knellen en de huid langs mijn kleine tenen begint te gloeien. Ik kijk voor de zekerheid naar beneden, de schoenen zien er normaal uit, een beetje versleten, maar geen sporen van oververhitting. Misschien kan ik ze zo dadelijk even uittrekken om mijn voeten te verlossen uit hun leren detentie.
     Met Burgersdijk dicht tegen me aangedrukt, ga ik terug naar de alfabetische ruggen en haal Couperus uit de rij, Verzamelde Werken van Gorter en een bundel van Kloos. En natuurlijk Slauerhoff. Staan is nu te pijnlijk en ik strompel terug naar de leestafels. Liever was ik hier gebleven, ik zit niet graag tussen al die mensen. Dichtbij zit een meisje te schrijven, maar ze heeft de stoel naast zich bezet met haar tas. Iets verder zit een oudere man met een bril diep over zijn boeken heen gebogen. Hij neemt veel ruimte in beslag op de tafel. Ik schuifel uiteindelijk naar een jonge vrouw met een paardenstaart, maar als ik naast haar ga zitten, zie ik dat ze een ringbaardje heeft. Louis Couperus valt uit mijn handen op de grond en de mensen in mijn buurt kijken verstoord op. Het ringbaardje pakt het boek voor me op en legt het op tafel neer. Met een korte knik bedank ik hem en ga zitten. Couperus valt af.
     De boeken liggen naast elkaar op de tafel voor me. Even wacht ik om het moment volledig in me op te nemen. De werken liggen in al hun pracht en met een dikke laag historie tussen hun kaft binnen handbereik. Eerbiedig pak ik Burgersdijk op en sla het open. De eerste twintig pagina’s hebben lichtbruine vlekjes, maar daarna zijn de gladde bladzijden een smetteloos crème wit. Ik adem in, en ruik de mengeling van hout en oude drukinkt. Met gesloten ogen snuif ik de geschiedenis op, de geur van honderden handen die het werk hebben opgepakt, geliefkoosd, en van lezers die zichzelf erin hebben verloren. Ik kreun zacht als ik de bladzijden met mijn duim snel langs mijn neus laat gaan. Ik heb het uit, doe mijn ogen open en leg het werk voorzichtig op tafel. Ik neem Herman Gorter in mijn handen. Zijn oeuvre ruikt anders, een lichte zweem van sigaren vermengd met hout en natte kranten. Dit is moeilijk te rijmen met de poëzie in deze bundel. De vals riekende woorden zijn gevaarlijk, ze kunnen lelijk naar je uithalen, een frontale aanval. Ik zie het Ringbaardje streng naar mij kijken, ook hij heeft het geroken, hij moet net als ik deze slag incasseren. Als ik straks wegga, zal ik de bibliothecaris aanspreken op deze odeur.
     Ik sla de dichtbundel van Kloos even over, Slauerhoff is veiliger. Ik pak zijn geschrift op en open het halverwege. Langzaam breng ik het werk naar mijn gezicht toe om zo geen vleug te missen. Slauerhoff heeft dezelfde combinatie van hout en drukinkt als Burgersdijk, maar minder intens, de geur is ronder en zachter. Ik kan uren ruiken aan Slauerhoff, verdwijnen in zijn oeuvre. Lang blijf ik met deze roman aan mijn gezicht zitten.
     En dan terug naar Willem Kloos. Ik leg de bundel voor me neer op de tafel en buig me voorzichtig voorover.
     Niets.
     Ik buig dieper, maar zelfs geen vleugje komt voorbij. Ik pak het boek op en stop mijn neus tussen de bladzijden.
     Nog altijd niets.
     Ongeduldig ga ik naar het jaar van uitgifte. Herdruk uit 1976. Ik blader door het werk en staar naar deze opnieuw gedrukte poëzie. Arme, zielloze woorden, gezet in deze geurloze letterkooi.
     Ik kijk op en zie de mensen om mij heen lezen en schrijven, heen en weer bladeren, de boeken gebruiken als tijdverdrijf, als leesvoer. Volk dat een werk niet meer op waarde weet te schatten. Ik leg mijn hand op de bundel van Kloos en strijk voorzichtig over de omslag. Deze zal hun niet ten prooi vallen, ik zal deze verwaarloosde woorden lenen en ze bevrijden. Te vuur en te schaar.

Mitzie Klumper woont in Berkel en Rodenrijs en is docent op een havo/vwo scholengemeenschap. In haar vrije tijd schrijft zij korte verhalen en zij heeft een roman geschreven die hopelijk dit jaar wordt gepubliceerd.