Doorgaan naar hoofdcontent

XVVDM november 2021

 


XVVDM november 2021 


Wounded Knee

Koen Gubbels

 

 

 ‘Ik ben de één wel,’ zegt Trudy.

            Carla kijkt haar bedenkelijk aan. ‘De één? Je weet waar je aan begint, hè?’

            Trudy knikt. ‘Als iemand overweg kan met Berend, ben ik het,’ zegt ze. Carla's ogen sluiten zich even. Haar adem gaat zwaar door haar neus. Dan opent ze haar ogen weer. Ze is een lange, magere vrouw met een verbeten trek om haar mond.

            ‘Waarom laten we Harm de één niet zijn? Harm kan een stootje hebben. Toch, Harm?’ Carla wijst naar de zwaargebouwde man naast haa, die heen en weer wipt op felwitte joggingschoenen met gouden opdruk, handen uit zijn mouwen alsof ze aan touwtjes zitten. Trudy schudt haar hoofd.

            ‘Als je Harm de één laat zijn, gaan de ruiten eruit, geloof me. Weet je nog met kerst, toen ik er niet was? Konden ze Berends kamer opnieuw stuken.’ Trudy's handen aaien de lucht. Ze is Carla's tegenpool. Klein en mollig met een zacht, invoelend gezicht dat nooit zijn babyvet is kwijtgeraakt. Haar blik heeft iets moederlijks. Iets beschermends.

            ‘Met een beetje stucwerk komen we er niet dit keer, ben ik bang,’ zegt Carla terwijl ze haar ogen aan de beige deur verlijmd houdt. Achter de deur klinken doffe dreunen en het geluid van krakend hout. Alsof iemand ergens doorheen probeert te breken. Of ergens uit wil. Een voor een kijkt ze de drie mannen aan die rondom haar staan. ‘Kómkóm heren, een beetje enthousiaster,’ grijnst ze, ‘dit zijn de momenten waarvoor je het doet. Je job.’ De mannen kijken haar gelaten aan. Hun gezichten staan gespannen. Harms handen zijn stilgevallen.

            ‘Oké.... Harm, jij bent de twee, Farid de drie, Dirk de vier, ik de vijf en wonder woman hier ...’ ze wijst naar Trudy, ‘is de één. Ieder een arm of een been, Trudy het hoofd. Iemand nog vragen?’

            Een algeheel hoofdschudden.

            ‘Mooi zo,’ zegt Trudy afgemeten. Ze legt haar hand op de stalen klink en laat een zucht ontsnappen. ‘Waarom heb ik niet doorgeleerd?’ zegt ze vrijwel onhoorbaar. Ze laat haar blik een kort moment op de hand rusten. Dan draait ze de sleutel om en zwaait de deur open. In het midden van de bescheiden kamer, hooguit drie bij drie, staat een imposant creatuur, amper menselijk, meer een berg, met ledematen, armen, benen, hoofd, ruim twee meter hoog, een meter breed en naakt als een pasgeboren baby.

            ‘Kijk eens wie we daar hebben, Adam in hoogsteigen persoon,’ zegt Carla. Ze werpt Trudy een scheef lachje toe. ‘Doe jij je kunstje, mop?’

            Iedereen houdt zijn adem in als de kleine, mollige vrouw een stapje naar voren zet. Ze plaatst haar korte armen in haar zij en schraapt haar keel.

            ‘Berend?’

            De menselijke berg staat roerloos in de kamer, zijn rug naar het gezelschap gekeerd. Hij hijgt. Zijn rug glimt van het zweet.

            ‘Berend?’

            Geen reactie. Trudy's ogen tasten zijn lichaam af, zijn nek, zijn rug, zijn billen, zijn benen tot ze bij de grond komen. Daar merken ze een langgerekt, rood spoor op.

            ‘Shit,’ sist ze. Ze kijkt weer omhoog naar zijn achterhoofd dat ingebed ligt tussen hoog opgekropte monnikskapspieren. Net kamelenbulten, denkt Trudy.

            ‘Wil je me aankijken, Berend? Zo kan ik niet met je praten, joh.’

            De massieve schouders schokken maar verder gebeurt er niets.

            ‘Je hebt het eventjes moeilijk hè?’ Ze zet een nieuw stapje naar voren waardoor ze binnen zijn reikwijdte komt. Dit heeft een elektriserend effect op de anderen die onmiddellijk met haar willen meebewegen, maar Trudy's afwerende hand houdt iedereen op zijn plek. De trek rond Carla’s mond wordt scherper.

            ‘Beer, kijk me eens aan.’ Trudy’s stem klinkt strenger nu. Er klettert iets op de grond. Een dikke, bebloede scherf. Glas, constateert Trudy. Het ding schommelt even heen en weer en komt dan tot stilstand. In de rand van de scherf bevindt zich een halfrond uitsparinkje.

            ‘Kut,’ zegt een schorre basstem. Alsof het geluid uit een put komt. Vijf lichamen spannen zich aan als katapulten.

            ‘Is dat van een asbak, Beer? Waar heb je die nou vandaan?’

            Carla tikt tegen Trudy's schouder en maakt een neerwaarts gebaar met haar handen. Haar blik is dwingend. Maar Trudy schudt haar hoofd en herhaalt haar vraag.

            ‘Waar heb je dat ding vandaan, Beer?’

            ‘Ik was ooit een roker, Truud,’ zegt de basstem.

            De volzin doet iedereen enigzins ontspannen.

            ‘Oh? Heb je me nooit verteld.’

            ‘Ja joh. Als een schoorsteen. Wel twee pakjes per dag.’

            ‘Tsjee, Beer. Waarom ben je gestopt?’

            De reus trekt bruusk met zijn hoofd.

            ‘Geboorte van Pimmetje.’

            ‘Ach zo, ja natuurlijk. Goed van je hoor.’

            ‘Als vader doe je dat.’

            ‘Je zou ze de kost moeten geven die dat niet lukt.’ Trudy krabt aan de zwarte nagellak op haar duimnagel. Flinterdunne velletjes dwarrelen neer op de grond. Zou wat voor een begrafenis zijn, denkt ze, zwarte confetti.

            ‘Berend, ik zou het fijn vinden als je je even omdraait. Dat je me even aankijkt.’

            Een lichte trilling beroert de imposante schouders.

            ‘Wat moet al dat volk hier, Truud?’

            ‘Protocol, Beer. Zo gaat het altijd, als iemand zijn kamer verbouwt, dat weet je best.’

            ‘Ik hou daar niet van.’

            ‘Weet ik, en toch moet het zo. Je bent een grote kerel, Beer.’

            ‘Geváárlijke kerel zul je bedoelen.’ Een diepe, grommende lach. ‘Dat is het enige wat ik nog heb.’

‘Wat heb je nog?’

‘Dat mensen bang voor me zijn.’

            ‘Onzin, Beer. Dat is echt grote ónzin.’ Ze schuurt haar nagels langs de ruwe stof van haar jeans. Laat haar armen hangen.

            ‘Waarom staan jullie hier dan met zijn allen? Omdat ik zo lief ben?’

            ‘Omdat...’ Trudy staart naar de imposante triceps. Ze lijken haast te ademen, als zelfstandige wezens. ‘Omdat je soms... een beetje onvoorspelbaar bent, Beer.’

            De zin hangt als een kolibrie in de lucht. Schijnbaar stil maar in werkelijkheid zinderend van spanning.

            ‘Wie heb je daar bij je, Truud? Het vaste cluppie? Harm, Dirk, Farid?’

            ‘In een keer goed, Beer.’

            ‘Ik hoop voor ze dat ze hun bordjes Brinta hebben gegeten vanochtend.’

            Ze laat haar blik langs zijn gestalte gaan. Ze valt op lang. Altijd al gedaan. Ze ziet hoe Berends triceps opzwellen tot zeppelins.

            ‘We hebben versterking nodig,’ sist Carla.

            Verstoord draait Trudy zich om en houdt een vinger voor haar lippen.

            ‘Ik hoor je wel, Carla,’ zegt Berend. Hij tilt een voet op en beweegt van het ene been op het andere, als een sumoworstelaar. Hij rochelt. Hij grinnikt. Hij snuift. Zijn voeten kletsen in rode drassigheid.

            ‘Ik heb niets te verbergen, Berend,’ zegt Carla laconiek. Maar haar gezicht oogt grauw en de trek om haar mond wordt messcherp.

            ‘Wil je je alsjeblieft omdraaien, Beer, anders moeten we je fixeren,’ zegt Trudy.

            ‘Ik haat dat woord, Truud. Waarom gebruiken jullie toch altijd van die kutwoorden? Fixéren. Alsof ik iets ben dat je aan een muur spijkert. Ik haat dat, ik háát dat!’ Hij slaat een hand door de lucht. Als een karateklap. Iedereen zoekt naar zijn balans.

            Trudy zwijgt. Ze kijkt naar Carla. Die rolt met haar ogen.

            ‘Moet ik de isoleer in, Truud?’

            ‘Gewoon even afkoelen, Beer, even de druk van de ketel.’

            Berend balt zijn vuisten en laat ze weer los. Iedereen staart naar de rode plek op de vloer.

            ‘En dan, Truud?’

            ‘Ga je gewoon weer terug naar je kamer, Beer. Je vaste routine. Je treinen, je kleurblok, de vijf-uur-show. De dingen waar je blij van wordt.'

            ‘Fuck de vijf-uur-show, Truud.’ Hij werpt zijn hoofd achterover wat gepaard gaat met onheilspellend spiergekraak. ‘Ik zie het gewoon niet meer gebeuren.’

            ‘Wat niet, Beer?’

            ‘Dat ik weer word wie ik was.’

            ‘Hoe bedoel je?’

            ‘Wie ik was zit er nog, ergens. Ik kan er alleen niet meer bij. Hij ontglipt me steeds. Er zit een ander in de weg. Een dwarspoeper. Iemand die mijn plekkie heeft afgepikt.’ Hij trekt met zijn schouders. ‘Begrijp je wat ik bedoel?’

            ‘Ik geloof het wel, Beer.’

            ‘Het leven dat ik had komt nooit meer terug, Truud. Dat begrijp ik nog.’

            Ze zet ze haar borst op en verlaagt haar stem. ‘Natúúrlijk wel.’ Ik klink als een vent, denkt ze.

            ‘Bullshit, Truud. Komt nooit meer terug, dat leven. Nooit meer!’

            Ineens brengen zijn woorden iets in haar in beroering. Zoals steentjes een waterspiegel breken. Komt nooit meer terug, dat leven. Soms komen dingen inderdaad niet meer terug. Die zijn voorbij. Echt voorbij. Ze zet haar armen in haar zij en vermant zich. Kop erbij nu, Geertruida.

            ‘Nooit meer, Truud!’

            ‘Maar je hébt een leven, Beer. Dit is je leven.’

            De menselijke berg draait zich om zodat de groep zijn naakte voorzijde ziet.

            ‘Oh ja? Is dít leven?’

            Iedereen staart ontzet naar Berends enorme borstkas. Overal zitten krassen en sneden. Alsof een patroontekenaar op hol is geslagen met zijn radeerwieltje. En overal sijpelt bloed omlaag. Tientallen straaltjes bloed. Berends gezicht is al even gehavend. Uit zijn linkerwang hangt een lap huid.

            ‘Heb je wel eens een hond gehad, Truud?’

            Trudy voelt zich licht in het hoofd worden, wankelt even maar recht dan haar rug. Houd stand, Geertruida, voel de zolen van je voeten, het kloppen van je hart. Neem ruimte in. Sta vast. Ze schudt haar hoofd.

            ‘Kat, ik had ooit een kat.’

            Berend maakt een kapgebaar. ‘Honden, katten, maakt geen reet uit. Ze krijgen allemaal een spuitje als ze van het padje raken. Zo doen mensen dat. Want mensen weten wat goed is voor een ander. Jaja.’ Zo staat hij even, onbeweeglijk. ‘Jaja.’ Dan sperren zijn ogen zich open. ‘Voor wie leef ik dit leven, Truud? Voor wie in godsnaam? Ik begrijp het niet. Voor jou? Zodat je een baantje hebt? Voor Carla? Zodat ze baasje kan spelen? Voor Harm? Zodat-ie nog meer van die flikkerschoenen kan kopen?' Hij knikt naar de man op de felwitte gympen met goudopdruk. ‘Sorry man, maar die dingen zijn echt te stom voor woorden.’

            Harm wipt van de ene naar de andere voet en kijkt omlaag. Zijn gezicht kan een kinderlijk soort gekwetstheid maar moeilijk verbergen. Berend steekt zijn armen omhoog.

            ‘Voor wie, Truud, voor wie?!’ Furie in zijn ogen. Wanhoop.

            ‘Voor jezelf, Beer.’

            ‘Maar waarom?!’

          Omdat we nog niet zijn uitgepraat, Beer, dáárom,’ zegt Trudy onvast. Voel de zolen van je voeten, Geertruida. Voel het kloppen van je hart. Neem ruimte in. Voel het. Vóel het. Ze probeert Berends blik vast te houden maar hij kijkt over haar heen naar de mannen achter haar. Wijdbeens staat hij daar, schijnbaar onbewust van zijn naaktheid. Hij maakt een wegwerpgebaar.

            ‘Wieber eens een eindje, jongens. Truud en ik willen even alleen zijn.’

           De mannen kijken naar Carla die stellig nee schudt en houden hun armen kruiselings voor hun borst. Berend knijpt zijn ogen tot spleetjes. Dan doopt hij een vinger van zijn rechterhand in het bloed op zijn borst en trekt daar horizontale strepen mee, vlak onder zijn ogen. Hij zingt.

         ‘We were all ... woun-ded, at Wounded Knee.’ Zijn vinger prikt gaatjes in de lucht, naar elk van de drie mannen terwijl zijn bovenlichaam ritmisch heen en weer beweegt. ‘You and me, you and me, you and me.’

           ‘Hou eens op met die ongein, Beer. Je moet je laten verzorgen, dit zijn lelijke wonden.’ Trudy's kleine hand waaiert langs de wonden op zijn borst.

            ‘Voel er anders geen flikker van, Truud.’

            ‘Dan doen ze mij meer pijn dan jou, Beer.’

            Ze grimast en draait zich om. ‘Piep jij dokkie op?’ vraagt ze aan Carla.

            ‘Al onderweg,’ bromt die.

            Berend strijkt zijn handen langs zijn zij naar beneden. Een haast vrouwelijk gebaar.

            ‘Mijn gedachten draaien in rondjes, Truud. Ik begrijp er geen reet meer van.’

            Join the club, denkt ze, ik weet precies hoe je je voelt. Ze denkt aan hoe ze vaak de slaap niet kan vatten en naar het plafond ligt te staren, denkend over haar leven en hoe het verder moet. Ineens wankelt Berend. Zijn bovenlichaam zwaait gevaarlijk een kant op, als een boom die op opvallen staat. Trudy grijpt zijn pols. Een mollig handje om een knoestige boomstronk. Drie grote mannenlijven neigen als één naar voren. Maar Berend hervindt zijn balans.

‘Wát begrijp je niet, Beer?’

Hij kucht. ‘Waarom ik iedereen afstoot.’

‘Wat een ónzin,’ zegt Trudy. ‘Mij stoot je niet af, net zomin als de rest.’ Ze kijkt achter zich. ‘Nietwaar, jongens?’ De mannen trekken ongemakkelijk met hun schouders. ‘We zijn vrienden, Beer, dat weet je toch?’

Zijn ogen schieten heen en weer over haar gezicht, haar borst, haar kleine handen.

‘Dat weet je toch?’herhaalt ze.

Hij begint te huilen. Het klinkt als een startende kettingzaag.

‘We zouden wándelen, Truud.’

Ze slaat haar handen voor haar gezicht. Kút. ‘Was dat vandáág?’ vraagt ze.

Hij knikt.

Ze stampt op de vloer. ‘Oh kut... dat is... ik had... wat ontzéttend stom van me, Beer.’ Misschien ben ik hier gewoon niet geschikt voor, denkt ze. Moet ik wat anders gaan doen. Ze kijkt opzij naar Carla. Die ziet eruit alsof de hele boel haar gestolen kan worden. En dan nog wat extra. Carla zit haar tijd uit. Nog een jaartje, dan kan ze met pensioen. Weg uit deze waanzin. Ik ben daar nog lang niet aan toe. Hoeveel jaar moet ik nog eigenlijk? Twintig? Dertig? Beter niet aan denken. In het hier en nu blijven. Berends hoofd maakt schokjes. Trudy heft haar handen op alsof ze hem iets wil aangeven.

‘Het spijt me vreselijk. Ik had het beloofd, ik wilde echt...’

‘Gebeurd is gebeurd, Truud!’ schreeuwt Berend door zijn tranen. ‘En weet je wat nog het stomste is?’ Hij balt zijn vuisten.

Trudy schudt haar hoofd.

‘Ik had het allemaal!’

Een grote, pompende vuist, vlak voor Trudy's gezicht. Ze voelt hoe haar collega's vlak achter haar komen staan.

‘Een gezin, een baan, de hele shit. Alles wat ze vinden dat je moet hebben. Vergeet je één keer in je zijspiegel te kijken... één keertje... bám!’ hij slaat zijn handen in elkaar, ‘...hele bedrading aan gort. Dat is waanzin, Truud, wáánzin!’

Waarschijnlijk worden we allemaal gek vroeger of later, denkt ze, als we het al niet zijn. De een verpakt het alleen wat beter dan de ander. Misschien is dat waar het om draait: hoe je je gekte verpakt. En daar iets normaals van maken.

‘Je hebt zat om trots op te zijn, Beer. Denk nou eens aan...’

‘Begrijp je het nou echt niet, Truud? Jézus! Ik heb niks meer! Mijn kop is een brij. Ik snap er geen reet meer van! Nergens van! Ik begrijp de mensen niet meer. Wat ze doen. Wat ze zeggen. Mijn leven lijkt op een cryptogram. En daar was ik al slecht in.’

Vertel mij wat, denkt ze, ik haat die krengen. Nooit goed in geweest. Überhaupt niet in puzzels. Doordenkertjes, raadsels, dubbele bodems. Heb er gewoon het brein niet voor. Berend stompt in zijn vlakke hand.

‘Sta ik hier als een fucking debiel te janken om een wandelingetje, Jézus Christús!’ huilt hij.

            Trudy voelt hoe haar collega's naast haar komen staan, aanstalten maken om in te grijpen.

            ‘Jongens, relax! Ik handle het!’ snauwt ze. Rustig blijven nu, geen onverhoedse bewegingen maken, in contact blijven, koele blik, kop op scherp. Ik kan dit. De mannen kijken naar Carla. Die draait opnieuw met haar ogen, haalt voor de zoveelste maal haar schouders op.

            ‘Ga alsjeblieft wieberen, jongens, want ik mol jullie, ik meen het,’ zegt Berend met verstikte stem.

            ‘Laat me naar je borst kijken, Berend.’

            Een nieuwe stem. Berend kijkt naar de deur. Daar staat een man in een witte jas. Een diep gegroefd gezicht.

            ‘Oh gód, de oplapbrigade. Ga alsjeblieft ergens anders ziekenhuisje spelen, dok, ik ben er klaar mee.’

            De man kijkt naar Carla. Ze fluisteren. Trudy vraagt of ze even willen wachten maar Carla maakt een resoluut gebaar. Er worden argumenten uitgewisseld. Hun stemmen worden luider.

            ‘Kan iedereen gódverdomme zijn bek houden!’ Berend drukt zijn handen tegen zijn oren en schudt zijn hoofd heen en weer. Dan gooit hij een arm los en zwiept hem in het rond. Hij scheert vlak over Trudy's hoofd die amper merkt wat er gebeurt. Ineens is daar Harm. Als door een boog afgeschoten vliegt hij naar het wiekende lidmaat en klemt zich eraan vast. Farid werpt zich op de andere. Beiden gebruiken hun volle gewicht om de armen naar beneden te werken. Omlaág, omlaág zeggen hun gezichten. Maar de armen gaan niet omlaag. Ze tillen de mannen op als pakken melk. Ontredderd hangen ze boven de grond.

            ‘Wat begrijpen jullie nou niet aan het idee wieberen?’ zegt Berend.

            Hij mangelt de twee. Farid lijkt net een eekhoorn met hoogtevrees, denkt Trudy. Intussen hebben Carla en Pawel zich op zijn benen gestort, elk een kant. Maar het maakt niet uit. Onbelemmerd door de levende ballast klost Berend door de kamer.

            ‘Laat los, Beer, laat ze los!’ schreeuwt Trudy.

            ‘Ik heb ruimte nodig, Truud.’

            Hij loopt naar het vierkante raam, drie mannen en een vrouw aan zijn lijf, en kijkt naar buiten. De lucht is oneindig grijs. In de diepte staat een tuinbank. Regen spat op van de zitting. Een zware, snuivende ademhaling. Een priemende blik op het raam. Trudy trekt wit weg.

            ‘Doe het niet, Beer!’

            ‘Ruimte, verdomme!’ schreeuwt Berend.

            ‘Zijn hoofd, Truud, pak zijn hoofd!’ roept Carla die als een vreemd aangroeisel op een stampende reuzenvoet zit. Haar opgestoken haar is losgeraakt en hangt als een vlag van haar schedel.

            ‘Ruimte!’ schreeuwt Berend nogmaals en kijkt naar het raam. Dan werpt hij zich naar voren, zijn hoofd omlaag als een stormram. Drie machtige stappen, blám! Ontzet kijkt Trudy naar de raamopening. In het midden van het glas bevindt zich een ster waarvan de uitlopers naar de randen reiken. Voor het raam ligt een kluwen lichamen. Harm is als eerste overeind. Hij slaat een kreukel uit zijn broek.        ‘Sterker dan ik dacht,’ mompelt hij terwijl hij de ruit inspecteert. De andere mannen staan ook op. Ze bekommeren zich om Carla die beklemd ligt onder een been. Met moeite trekken ze haar eronderuit. Verward kijkt ze in het rond, alsof ze geen idee heeft wie of waar ze is. Trudy hurkt neer bij Berend. Zijn gezicht lijkt wel met een moker bewerkt. Een zware, schurende ademhaling. Hij probeert zich op te drukken, maar bekoopt dat met een stel knieën in zijn rug. Trudy legt een hand langs zijn wang, voelt zijn stoppels tegen haar vingertoppen. Hard. Nat. Kleverig.

            ‘Beer?’

            De reus opent zijn ogen. ‘Ben ik in de hemel?’

            Ze schudt haar hoofd. ‘Je hebt er weer een zooitje van gemaakt, Beer.’

            Berend grijnst. Trudy kijkt hem misprijzend aan en gebaart de mannen dat ze hem los kunnen laten. ‘Die zegt geen boe of bah meer, jongens.’

            De mannen halen hun knieën van zijn rug.

            ‘Ik voel nog steeds niets, Truud. Niet wat ze zeggen dat je moet voelen.’ Hij spuugt bloed op het tapijt. ‘Het is die fucking bedrading, weet je.’

            ‘Ik weet het, Beer. Soms treedt er kortsluiting op in dat koppie van je.’

Koppie is niet het juiste woord voor dat grote hoofd dat haar aankijkt vanuit de diepte, denkt ze. Een van zijn jukbeenderen is naar binnen geslagen. Een vreemd holle aanblik. Ze rilt. Ineens voelt ze een steek van spijt. Je had Jurgen gewoon dat berichtje moeten sturen, stommerd. Je weet nooit of je elkaar nog terugziet. De dokter hurkt naast haar neer en dept Berends verwondingen met gaasjes.

            ‘Waarom láten jullie me niet?’ vraagt Berend.

            ‘Moet van de wet.’

            ‘Fuck de wet, Truud.’

            Een rode bel welt op uit zijn mond en spat uiteen als zijn lippen woorden vormen.         

            ‘Ik had alles, Truud, álles. Alles wat ze vinden dat je moet hebben.’

            Ze trekt haar schouders op.

            ‘Gaat erom wat jij vindt, Beer.’

            Hij knijpt zijn ogen toe alsof hij zint op een tegenwerping. Dan ontspant zijn gezicht zich. Het verzet vloeit weg uit zijn ogen. De mannen trekken hem omhoog bij zijn schouders, slaan een deken om zijn schouders en leiden hem naar de deur. Een verkreukelde reus. In de deuropening draait hij zich om en kijkt naar de kleine mollige vrouw in het midden van de kamer, haar armen over elkaar, alsof ze zichzelf omarmt.

            ‘Wanneer gaan we wandelen, Truud?’

            ‘Zo gauw het droog is, Beer.’ Haar ogen staan droevig.

            ‘Korte of lange route?’

            ‘Zo lang jij wilt, grote man.’

            Hij kijkt haar doordringend aan.

            ‘Wat is het geheim nou, Truud?’

            ‘Hoe bedoel je?’

            ‘Kom, je weet best wat ik bedoel, het geheim, jouw geheim.’

          Trudy schudt bevreemd met haar hoofd. Dan duwen de mannen de reus met zijn drieën de gang in. 'Hou je taai, meissie,' zegt Berend over zijn schouder. Verderop barst hij opnieuw uit in gezang.

            ‘We were all ... woun-ded, at Wounded Knee.

            You and me, you and me, you and me.’

 

Trudy kijkt hem na en voelt zich opeens lood- en loodzwaar worden. Ze zakt neer op de grond, in kleermakerszit. Door een floers van tranen kijkt ze hoe de dokter Carla verzorgt. Het strenge gezicht is nog steeds uitdrukkingsloos. Lege ogen en een verslagen mond. Ze kijkt uit het raam waar vlagen regen tegen het glas slaan. Dan valt haar oog op het bebloede stuk asbak. Ze pakt het ding op en zet het neer met de inkeping naar zich toe. Ze voelt in haar zak en haalt er een pakje sigaretten uit en een aansteker. Ze neemt een sigaret tussen haar lippen en steekt die aan. Na twee diepe halen drukt ze de sigaret in de inkeping en ziet de onaangeblazen rook de lucht inkringelen. Misschien wordt het eens tijd voor wat anders, Geertruida.




Biografie van de schrijver

Koen Gubbels is niets en niemand. En uit dat niets en niemand welt af en toe iets moois op. Dit is daar een voorbeeld van.