Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Derde plaats februari 2023


Nooit meer doen

- tekst: Samuel de Weerd - beeld: Cid -


Daar stond ie, helemaal achteraan het perron van het metrostation, met z’n capuchon over z’n hoofd, Adidas trainingsbroek, ver voorbij de veiligheidslijn die mensen van de rails moest houden. Hij was een waaghals, dat zag je meteen. En onrustig. Leunde voorover boven de rails. Liep naar de andere kant van het perron. Keek schichtig om zich heen. Een Marokkaans getint gezicht met felle witte ogen vanonder de kap.
Het was avond. Een verlaten metrostation ergens in een buitenwijk van Rotterdam. Gele lantaarnpalen, donkere bosjes. Geen andere mensen in de buurt. Geen getuigen.
Ik bleef ver uit z’n buurt. Koos een bankje onder de afkapping. Dicht bij de poortjes.
Hij merkte me meteen op. De ogen onder zijn kap lichtten nog verder op. Witte tanden verschenen. Hij leek tegen zichzelf te praten. IJsbeerde een paar keer heen en weer, kwam toen mijn kant op. Nam plaats op het bankje naast mij. Nike-schoen ging op en neer – tap tap tap. Onrust.
Mijn telefoon was houvast. Ik schakelde heen en weer tussen apps. Geen berichten, geen meldingen, geen nieuws. Wel vooroordelen. Had hij een misdaad in gedachten? Een mes onder zijn nylon bodywarmer, misschien? Zaten zijn vrienden in de bosjes? Een paar jaar terug was mijn moeder op een fietspad hier in de buurt beroofd.
Ik was fit. Kon rennen als het nodig was. Vechten ook. Maar tegen een mes kon ik niks. Over het spoor was de enige uitweg – de poortjes zouden me afremmen.
Hij observeerde me. Handen diep in de zakken. Voet op en neer. Ik staarde naar mijn scherm zonder een app te openen. Volledige focus op mijn perifere blikveld. Kuiten op spanning. Bij de minste of geringste onverwachtste beweging was ik weg. Als een hert in de randstad. Schichtig. Bedreigd.
Het meldingenbord gaf aan dat de volgende metro pas over acht minuten kwam.
“Hey, bro,” zei hij plotseling.
Ik keek meteen op.
“Hey, man.”
Hij kauwde. Drugs? Kauwgom? Hij spuugde. Een klodder op de witte strepen van het perron, tussen de uitgedroogde kauwgom vlekken.
“Kan ik ff je telefoon lenen?”
“Wat dan?” vroeg ik.
“Ik heb geen beltegoed meer en ik moet mijn moeder bellen. Ik zweer het, bro, je krijgt hem terug.”
Beltegoed? Onzin. Niemand gebruikte dat meer. Tenzij je een wegwerp telefoon had. Met criminele achterliggende redenen. Was dit dan het moment dat al mijn vooroordelen uitkwamen? Of was ik nu de typische bange, egoïstische, witte jongen? Dat wilde ik niet. Ik was een echte Rotterdammer. Ik had genoeg buitenlandse vrienden. Kende genoeg verhalen van racisme. Had ik een witte jongen zonder capuchon wel vertrouwd? Niet als hij een skinhead had.
“Waarvoor dan?” vroeg ik.
“Lang verhaal, bro. Mijn ouders hebben een vechtscheiding. Pa heeft een nieuwe vriendin en een psychose door overmatig wietgebruik. Gelooft nu dat mijn moeder hun behekst. Hij is nu op weg naar haar huis om de ‘geesten te verdrijven’. Maar dat kan niet goed aflopen. En deze metro komt zo fucking laat. Ik ga niet op tijd komen.”
Wat een verhaal. Ongeloofwaardig. Maar kon hij dat zo één, twee, drie uit zijn mouw schudden? Je wist het niet met dit soort jongens. Grootste verhalen waren hen aangeboren.
Liever niet. Liever hield ik mijn telefoon veilig in mijn hand. Straks moest ik een nieuw abonnement, een nieuwe simkaart, was ik al mijn nummers kwijt. Als ie mijn pincode kraakte kon ie er ook mee betalen. Waarschijnlijk niet, maar je wist het niet met deze jongens. Vlugge vingers, slim als eksters wanneer het om buit draaide.
Maar wat voor reden had ik om nee te zeggen? Behalve openlijk racisme? Ik durfde het niet. Niet eens omdat ik bang voor hem was. Eerder bang voor wat dat antwoord over mij zou zeggen.
Dus ik reikte hem mijn telefoon aan. Zijn witte ogen lichtten op onder zijn capuchon. Grijnsde zijn tanden bloot. Kwam naar me toe en nam het kluisje met al mijn waardevolle informatie van me over.
“Thanks, bro.”
“Geen probleem.”
Toen hij de telefoon overnam, drukte hij op de vergrendeling. Per ongeluk. Expres. Je wist het nooit met deze jongens.
“Je moet ff de pincode invoeren,” zei hij, en hij gaf me de telefoon terug. Ik kantelde het scherm. Net genoeg dat hij niet goed kon meekijken, niet te veel dat het leek alsof ik iets te verbergen had.
Ik gaf hem terug. Hij typte een nummer in. Van zijn moeder? Drugdealer? Handlangers in de bosjes?
De telefoon ging over. Onrust. Mijn voet ging op en neer – tap tap tap. Ik hoorde alleen het geluid van de autoweg achter het perron. Wist niet of de telefoon overging.
Er kwam een grom vanonder de capuchon. Geen gehoor. Nog een keer. Terwijl hij luisterde keek hij om zich heen. Op zoek naar vluchtwegen. Wachtend op het juiste moment. Hij hopte van zijn linker naar zijn rechtervoet. En weer terug. Misschien durfde hij niet te rennen. Bang om een stereotype capuchon te zijn. Waar waren zijn vrienden?
Toen werd er wel opgenomen.
“Yo, ma. Ma. Ma! Luister. Pa komt nu naar je huis. Hij heeft weer een episode. Niet opendoen. Niet doen! Oké? Is goed. Ja. Tot zo.”
Hij gooide de telefoon terug in mijn schoot en prikte me agressief in mijn borst. Als Ziyech tegen de scheidsrechter.
“Nooit meer doen, hè!” riep hij tegen me.
Ik schrok zo erg dat de telefoon bijna uit mijn schoot gleed. Redde hem net op tijd.
“Wat dan?”
“Zomaar je telefoon weggeven, bro. Ik had er zo mee weg kunnen rennen. Vertrouw niemand, bro. We moeten allemaal voorzichtig zijn tegenwoordig.”
Ik knikte bedeesd.
“Goed zo.” Vervolgens sprintte hij weg op zijn witte sportschoenen, trapte een poortje open, en verdween met capuchon en al.
Verdwaasd staarde ik hem na. Tot de metro kwam.
De wagon was best vol voor dit tijdstip, maar er was nog een plek vrij naast een gesluierde moslima. Werd die met opzet vermeden?
Ik glimlachte naar haar en ging er naast zitten. Als ze toch een bom had, dan was ik in ieder geval niet alleen mijn arm kwijt. Liever gelijk morsdood.

***


Samuel de Weerd
(1993) heeft veel gestudeerd, een paar diploma's gehaald en doet van alles wat. Zonder fantasie was hij niks.
Over Cid:
Creëren is de rode draad in mijn leven... Altijd geweest! Het maakt me blij .. Al vele ideeën zijn opgeplopt en verwezenlijkt.. daar is illustreren er een van.. Binnenkort mijn schildering op de cover van een boek! Ik ben een gelukkig mens ;)

Reacties

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!