Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

XVVDM mei 2023


Met authentieke details

- Roy van der Zwaard - illustratie: Jan-Robert van der Aa/Midjourney

Ik ben een huis.
Niet de burgermansdroom van een huis met een puntdak en een tuin eromheen, niet een zelfbewuste villa opgetrokken uit glas en staal en zelfs geen penthouse met zijn pretentieuze naam, maar gewoon een woning, een appartementje van veertig vierkante meter. Ik ben hier al mijn hele leven, in deze buitenwijk van Göteborg en ik ben een voorbeeld van functionalisme. Geen ambachtelijkheid en tierelantijnen maar geboren uit beton en efficiëntie.
Ik ben een simpele flat, een woninkje.
Ik weet dat ik zusjes en broertjes naast en boven me heb, allemaal met dezelfde bescheiden donderbruine voordeuren van multiplex. Maar alleen die van mij heeft al jaren een splinterend gat erin, omdat er van binnenuit doorheen is getrapt. En alleen ik heb mijn eerste bewoner nog.
Had, moet ik zeggen.
‘Gunnar,’ grauwde hij door de telefoon als iemand hem opbelde. Iemand van Göta Energi bijvoorbeeld, omdat de contractuele uitwisseling van gas en geld geen gelijke tred hield. Of hij de brieven daarover niet had ontvangen. Hij had ze wel gekregen, want ik had ze zelf door mijn brievenbus voelen glijden, die gladde dreigementen in onschuldige witte enveloppen. Maar Gunnar had ze natuurlijk niet geopend. Halverwege het gesprek ramde hij de hoorn op de haak, een doffe echo in al mijn uithoeken achterlatend.
‘Klotezooi.’
Uit de koelkast waarvan de deur niet meer dichtging en waarvan het lampje al twintig jaar kapot was, haalde hij om het uur een blikje Svensk Starköl, goedkoop bier dat hij bij de staatsslijterij kocht. Elke paar dagen vijftig blikjes, die precies in het boodschappenwagentje pasten dat hij van de voordeur beneden de betonnen trap op trok. Het kletterend geraas vulde het hele trappenhuis en ik voelde de scheurtjes in mijn muren ontstaan waaruit de betonrot zou volgen.
Eenmaal binnen was er nog precies een spoor van mijn voordeur naar de koelkast. Nieuwe post gooide hij op de stapel in het zijkamertje, een berg die bergen werden, enorme kunstwerken van kleurig papier, bewoond door duizenden zilvervisjes die ik zachtjes kon horen knagen op folders van de Lidl.
Niet dat het verder wél opgeruimd was.
Op de bank in de kamer was een kerkhof van opgebrande beeldbuizen ontstaan. Daarbovenop een gescheurde poef, een visnet en een doos met elektraspullen, een kapotte waterkoker, en natuurlijk de staande schemerlamp die na dertig jaar in tweeën gebroken was nadat Gunnar in dronken razernij om zich heen gemaaid had.
Denk nu niet dat zijn dronk altijd kwaadaardig was. Smartlappen op tv over verlies en verlangen kon mijn Gunnar prachtig meezingen, met een snik in zijn stem waaraan ik kon horen dat je zelfs iets kon verliezen als je het nooit bezeten had.
De vloer, míjn bodem, was bezaaid met kleren, sommige een halve eeuw oud, nog meer dozen, honderden bakjes afhaaleten gevuld met versteende resten voedsel, en talloze flessen, blikjes en aangebrande pannen. Daaronder was nog net een punt van het blauwe matras zichtbaar, half verbrand toen Gunnar er met zijn benevelde kop zijn sigaret in liet vallen. En overal plastic tasjes, van die dunne ritselende, door het huis verspreid alsof het kleurige gebedsvlaggen waren die een heiligdom uit de Himalaya tooiden.
Meer hoef ik niet te vertellen, toch? Misschien alleen nog over de grijze kattenbak met fossiele drollen, omgeven door een sculptuur van klontjes van de keren dat Gunnar erin gekotst had. Gelukkig goed opgedroogd want mijn Gunnar stookte het zomer en winter bloedheet. In elk geval verschimmelde en verkruimelde ik daardoor niet.
Over de wc wil ik het níet hebben, dan ga ik huilen. Want ook een huis kan huilen, mijn stortbak zou overlopen van verdriet. Theoretisch dan, want het ding is al vijf jaar kapot.
Half verscholen achter schots en scheef gestapelde dozen met oude kleren, tegenover de tv, stond het enige huisraad dat nog functioneerde.
Het bed.
Als je tenminste door de vlekkerige perkamentachtige lakens heen keek en geen aanstoot nam aan Katt, de gemummificeerde lapjespoes aan het voeteneind, die Gunnar elke middag als hij wakker werd weer liefdevol op zijn plaats legde. De laatste keer dat ik beweging in het bed waarnam, was toen Gunnar er bezopen uitviel, te lam om zijn val te breken. Pók, was het geluid van zijn schedel toen hij mijn beton raakte.

‘Dit appartement biedt volop mogelijkheden. U moet er even doorheen proberen te kijken.’
Ik was nog steeds niet gewend aan stemmen na drie jaar doodse stilte. De eerste keer dat de gerechtsdeurwaarder hier kwam was hij in het halletje blijven staan, had een zakdoek tegen zijn neus gedrukt en om zich heen gekeken voordat hij mijn voordeur weer dichttrok. Zelf rook ik de stank niet meer.
‘De vorige bewoner is met de noorderzon vertrokken. Omdat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, moeten we het huis helaas veilen.’
‘Freya, laten we gaan.’ De jonge vrouw die met de gerechtsdeurwaarder mee naar binnen was gekomen, keek schichtig rond. Een gealarmeerd hert. Ze trok een andere jonge vrouw aan haar mouw.
‘Ik snap dat u ervan schrikt, maar bedenk dat bij deze executieverkoop de woning voor ongeveer de helft van de marktwaarde van de hand zal gaan. Mocht u het appartement krijgen, dan zou ik u tevens adviseren om een professioneel bedrijf in te huren die het kan ontruimingen en reinigen.’
De vrouw die blijkbaar Freya heette, dwaalde met haar blik schaamteloos door mijn kamer. Opeens voelde ik me naakt, maar tegelijk ook opgewonden bij het idee ontruimd en schoongemaakt te worden.
‘Hoeveel kost het om het hier leeg te halen en te desinfecteren?’
‘Dan moet u aan een modaal maandsalaris denken.’
Freya keek de andere vrouw aan. ‘Ik vind het wel een kans, Tess.’

Er zijn misschien wel tien mensen over de vloer geweest die allemaal in het halletje bleven staan, sommigen kokhalzend, anderen die zich meteen omdraaiden alsof mijn binnenste de onderwereld was of een afspiegeling van de hel. En toen weer twee maanden doodse stilte.
Maar nu zijn ze er weer, Freya en Tess als ik het goed onthouden heb. Met mondkapjes op.
‘We hebben het Tess, we hebben het!’
Tess knikt bedachtzaam. Haar twijfel hangt in de lucht, even dik als de zwavelachtige rotte eierengeur die ik waarschijnlijk uitwasem. Ze moet net zo onzeker zijn als ik. De vraag is of ik wel in oude staat hersteld kan worden, net zo koel, leeg en functioneel als toen ik opgeleverd werd. Of ik weer een huis kan worden zoals een huis bedoeld is. Ik betwijfel of deze twee jonge vrouwen dat echt gaan proberen.
‘Wacht, ik doe een raam open.’ Freya loopt naar het keukenraam, moet even wrikken aan de hendel en voor het eerst in tien jaar kan ik mezelf volzuigen met frisse lucht. Ik word er bijna duizelig van.
‘Zullen we kort rondkijken of hier nog iets waardevols te vinden is?’
‘Waardevols?’
‘Nou ja,’ Freya aarzelt even, ‘ik bedoel iets dat we misschien kunnen gebruiken. Misschien zijn er nog goeie pannen of zo. Wil jij de tv even checken?’
‘Maar alleen dat. En dan gaan we naar het schoonmaakbedrijf, oké?’
Ik voel Tess over mijn woonkamervloer lopen. Haar voorzichtige stappen kietelen me zachtjes, heel anders dan het woeste gestamp van Gunnar. Ze pakt de steel van de gebroken schemerlamp om zich een weg te banen door het oerwoud van dozen, kleren, zakjes en bakjes. Ze hurkt bij de tv, zoekt naar de aan/uitknop en bedenkt zich voordat ze erop drukt. Uit haar jaszak haalt ze een huishoudhandschoen - heel verstandig meisje, dit - en drukt dan de knop in.
Niks.
Dat had ik haar kunnen vertellen als ik kon praten. Het toestel had nog een half jaar staan schetteren, maar steeds minder verstaanbaar en met wisselend volume. Een uitgerekt sterfbed, voordat het beeld op zwart ging. Ze kijkt aan de achterkant, pakt het elektriciteitssnoer en volgt de draad met haar hand op zoek naar het stopcontact. De dozen voor het bed schuift ze met haar andere hand opzij.
Ik ben geen mens maar ik heb wel meer dan een halve eeuw de tv aangehoord, dus ik weet wat er gaat gebeuren. Deze twee jonge mensen zullen mij niet opknappen of van een nieuw leven gaan voorzien, ze zullen me in de steek laten zoals ook Gunnar dat gedaan heeft. En ik vrees dat ik hierna weer lange tijd te koop sta. Want wie wil mij straks nog hebben?
Ik weet ook dat Tess zich nu duizelig voelt, zich moet vasthouden om niet flauw te vallen en niet kan geloven wat ze daar ziet, bruin en ingedroogd, voordat ze gaat gillen.
Want zo lekker ziet Gunnar en namelijk niet meer uit.

***

Nawoord van de schrijver

Leuk dat ik voor de derde keer op de shortlist sta!
En fijn, de feedback van juryleden, ik doe er elke keer weer mijn voordeel mee.

Jurylid G schreef: Goor verhaal hoor, maar goed geschreven. Maar...wanneer een makelaar het huis toont, lijkt het me erg ongeloofwaardig dat het eerst niet werd gepoetst, en nagekeken, dan zou het lijk gevonden zijn. Als je die wending eruit neemt (...) zou ik je een hoger cijfer gegeven hebben.

Het is natuurlijk aan mij om het ongeloofwaardige geloofwaardig te maken, maar in dit geval was het precies zo gebeurd:

De nieuwe eigenaar van een appartement in het Zweedse Göteborg kreeg de inboedel er gratis bij, maar had er niet op gerekend dat het lijk van de vorige eigenaar nog in de woning zou liggen. De overblijfselen waren bij de taxatie en bezichtigingen over het hoofd gezien.
De bewoner had z'n rekeningen al tijden niet betaald, waarop de gerechtsdeurwaarder in mei overging tot executieverkoop. De woning werd aangeboden in de originele staat, vol rommel en stinkend naar afval. De nieuwe eigenaar stuitte tijdens schoonmaakwerkzaamheden op het lijk, dat deels onder het bed verborgen lag.

https://www.welingelichtekringen.nl/samenleving/3723004/zweedse-woning-verkocht-inclusief-dode-eigenaar.html

Misschien is de les dat als de werkelijkheid te gek is om te geloven, je het ook niet op kunt schrijven...


***


Roy van der Zwaard
(1965) is psychiater. Hij volgde enkele jaren les aan de Schrijversvakschool Groningen. De verhalen Verkoeveren en De Witte Zee (winnaar van de Amnesty-schrijfwedstrijd 'Op de vlucht') werden opgenomen in verhalenbundels, tweemaal haalden zijn verhalen de shortlist van Verhaal van de Maand.

Jan-Robert van der Aa
schrijft, omgeven door het ruisende Zoniënwoud, fantasyverhalen voor het nageslacht. Hij smukt ze op met gegenereerde afbeeldingen op basis van pentekeningen, schilderijen, etsen, schetsen, krabbels en foto's die hij persoonlijk de voorbije vijftig jaar maakte. Hij herwerkt ze nu met alles wat de technologie hem bieden kan, dus ook Photoshop en Midjourney. https://www.facebook.com/janrobert.vanderaa/

Reacties

  1. Origineel en goed verhaal. Erg leuk om een verhaal vanuit perspectief van een huis te lezen!

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!