Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Tweede plaats juni 2023

 

Krap

- Wendy Bakker - Illustratie: Jan-Robert van der Aa -


Ik probeer de slaap nog een keer uit mijn ogen te wrijven. Daarna hang ik aan de koude ijzeren hendel van de zware schuurdeur en krijg hem met moeite open. Het is koud buiten, het vriest flink. De kou doet pijn aan mijn ogen en lippen. Ik trek de deur achter me dicht. Het felle licht van de TL lampen in de schapenschuur verblind en ik doe mijn handen voor mijn ogen. Een paar minuten daarvoor maakte mijn vader mij wakker uit een diepe slaap. Hij rook naar shag en schapen. En naar zweet.
‘Je moet nu meekomen. Kom op, snel, trek iets warms aan’ fluisterde hij bij het verlaten van de slaapkamer.

In mijn donkerblauwe overall, met daaronder een dikke bruine wollen trui en groene laarzen aan, sta ik daar te wennen aan het licht. Door de haren van mijn wimpers gluur ik naar de klok, die hoog boven een oud en vies aanrechtblok hangt. Over de klok hangen stof en spinnenwebben. Kwart over twee in de nacht. Ik heb geen flauw idee wat mijn vader wil. De geur van schapenstront dringt in mijn neus, ik wrijf nog eens in mijn ogen en gaap.

Ik kijk om naar de deur. Daar hangt een kalender. Het is vandaag zondag 16 februari 1986. Volgende week ben ik jarig, dan wordt ik acht. Op de kalender staat een mevrouw zonder kleren aan. Ze kijkt een beetje raar. Ogen wijd open, net als haar mond. De pillenschieter die mijn vader gebruikt voor het ontwormen van de schapen zou er zo inpassen. Ik denk dat die mevrouw heel moe is, want zij heeft een hele grote buste en dat zal wel zwaar zijn, zo de hele dag rond te lopen met die zware dingen voorop. Ik hoop dat als ik groot ben, die van mij klein blijven. Van mama mag ik geen tieten zeggen, dat is niet netjes vindt zij. Mijn vader zegt wel tieten. Of prammen. Of jetsers. En dan zo’n raar lachje erbij.

‘Wat sta je daar te dromen? Kom hier!’.
Ik draai me om en mijn ogen zoeken tussen de schapen door naar mijn vader. Rechts achter in de stal zit hij naast een van de ooien. Met een raar gevoel in mijn buik klim ik over het houten hek en loop over het stro tussen de schapen en lammetjes door naar mijn vader. De dieren schrikken er niet van, ze kijken alleen op. Ook zij vinden het vreemd midden in de nacht een meisje in de stal te zien. Ik kom hier alleen overdag.

Mijn vader heeft de ooi apart gezet tussen twee hekken en zit naast het liggende en snel hijgende schaap. Naast hem een emmer dampend warm water, een vale veel gewassen handdoek en een doorzichtige fles met witte dop met daarop: glijmiddel, 500 milliliter. Ik sta voor het hek en vraag mij nog steeds af wat ik hier doe.
‘Het lam komt er niet uit, ik ben al uren bezig. De uitgang is te krap’, zegt mijn vader vermoeid.
‘Het lam is al dood. Als het blijft zitten gaat de ooi ook dood. Jij hebt kleine handen. Jij moet het proberen’.
Ik schrik me rot. Ik heb nog nooit met mijn hand of arm in een schaap gezeten en het idee maakt me misselijk. Moet ik straks een dood lam uit de moeder trekken? Tranen prikken achter mijn ogen.
‘Nee, ik kan het niet. Ik wil het niet. Kan de veearts niet komen?’.
‘Te duur’ bromt mijn vader ongeduldig. ‘Dan heb ik straks geen lam, geen ooi en een dikke rekening. Kom op Maaike, flink zijn nu’.

Ik probeer een misselijk gevoel weg te slikken. Ik klim over het hek en sta naast mijn vader. Het schaap ligt te hijgen en de ogen draaien alle kanten uit. Ik kijk naar de kont van het schaap. Uit de achterkant komt slijm, bloed en donker water. Ik wil graag dapper zijn voor mijn vader en ga op mijn knieën achter het schaap zitten en ik kan alleen maar denken aan het dode lam in de buik. Mijn keel is zo droog als een beschuitje met niks erop, onder mijn oksels plakt het. Ik stroop de mouwen van mijn trui en overall op en was mijn handen en onderarmen in het warme water in de emmer, zoals ik mijn vader talloze keren heb zien doen.

Dan steek ik mijn handen uit naar mijn vader. Hij staat al klaar om er een klodder glijmiddel op te spuiten. Ik wrijf het uit over de binnenkant van mijn rechterhand, de bovenkant en over mijn onderarm, zo langzaam als maar kan, want het idee mijn hand in een schaap haar kont te stoppen is vreselijk. Ik kijk mijn vader aan, die zoals ik gewend ben, weinig zegt met zijn mond, maar zijn gezicht zegt genoeg. Ik moet opschieten. Ik adem diep in, slik, en steek mijn wijs- en middelvinger voorzichtig naar binnen, het schaap in. Het voelt warm en zacht en krap. Dan kan ik een golf spuug niet meer onderdrukken en geef over naast het schaap. Mijn hand trek ik terug.
‘Ik kan het niet!’.
‘Godverdomme!’ blaft mijn vader.

Ik veeg mijn bloederige, slijmerige hand af aan mijn overall. Ik weet niet wat ik moet doen. Mijn vader aankijken durf ik niet. Het schaap blijft ineens doodstil liggen, de ogen ploppen bijna uit haar hoofd. Dan staat mijn vader op en klimt over het hek. Hij loopt naar het keukenblok. Ik verroer me niet. Aan het geritsel van vloei hoor ik dat hij een sjekkie staat te draaien. Hij draait die altijd heel dun en razendsnel. Het geluid van de aansteker. Die doet het twee keer niet. De derde keer lukt het wel, dan beent hij richting de deur met de kalender, duwt die hard open, gaat naar buiten en slaat hem met een harde klap weer dicht. Ik zucht van opluchting. Voor mezelf, niet voor het schaap. Ik kijk naar haar en heb medelijden. In de koude schuur ligt ze te zweten en de damp stijgt omhoog van haar kop. Met een brok in mijn keel aai ik het stugge, harde, witte haar tussen haar ogen, bovenop de neus.
‘Sorry. Ik kan het echt niet’.

Als ik kort daarna de warme keuken inloop, staat mijn vader met de hoorn van de telefoon in zijn hand tegen iemand te praten.
‘Ja. Ja. Tot zo dan’ en hij zwaait met een klap de hoorn op de haak.

De telefoon staat op de hoek van de vensterbank, in het keukenraam. Het is zo’n grijze met in het midden een witte draaischijf met alle cijfers erop. Mijn beste vriendin Linde heeft thuis een rode telefoon, veel kleiner dan deze, met aan de binnenkant van de hoorn zwarte knoppen met cijfers. Heel modern zegt zij. Bij Linde thuis is alles heel anders dan bij ons. Bij ons is alles vies, stinkt, zijn er dieren en vliegen en er staat allemaal oude troep op het erf. En in huis. Linde woont in een rijtjeshuis en alles is er wit, schoon, het ruikt lekker, naar schoonmaakmiddel of zo. Net als Linde zelf, die ruikt naar een frisgewassen laken die op een zomerse dag de hele dag aan de lijn heeft gehangen. Met haar rode haar en rode wangen doet zij mij denken aan de snoepwinkel van De Jong in Schagen. Als ik daar binnenkom dan kan ik bijna niet nadenken, zo heerlijk, je proeft bijna de schuimblokken en de aardbeibollen in je mond. Soms heb ik datzelfde gevoel bij Linde, als zij mij lang aankijkt, of als we de slappe lach hebben, dan begint het te kriebelen in mijn onderbuik en wil ik haar het liefst heel hard tegen me aandrukken.

‘Ga jij maar gauw naar bed’ zegt mijn vader en ik schrik op uit mijn gedachten.
Dan drukt hij het overblijfsel van zijn sjekkie uit in de volle glazen asbak op de keukentafel. Een mini sliertje rook komt nog van het geplette peukje af. Als ik even later in mijn bed lig, kan ik niet warm worden. Ik blijf maar denken aan dat schaap, en aan dat lam en dat ik het niet durfde. Ik probeer mijn tranen weg te slikken en in het donker hoor ik het zachte en geruststellende gesnurk van mijn broer Maarten.

De volgende ochtend loop ik zachtjes de trap af, de keuken in. Die staat alweer blauw van de sigarettenrook. Mijn vader zit aan tafel met een kop koffie in een Boerenbont beker. Hij heeft dikke wallen onder zijn ogen en kijkt wezenloos naar buiten. Dan kijkt hij naar mij en knikt naar iets buiten. Ik ga voor het raam staan en zie de tuin voor ons huis, met de grote treurwilg rechts en de oude kastanjeboom links. Daarna ligt een sloot en dan de weg. Links van de kastanjeboom kan ik zien waar de weg overgaat in ons erf. Er ligt een stuk zwartgrijs zeil met daaronder een grote bobbel. Bakstenen om het zeil erop te houden.
‘Het schaap?’ vraag ik zacht.
‘Het schaap,’ antwoordt mijn vader.

Het lijkt alsof er een dikke droge prop in mijn keel zit die ik niet wegkrijg. Mijn ogen worden nat. Met een zucht ga ik zitten op een van de vier houten keukenstoelen. Het zijn rotstoelen vind ik, want het zitvlak is een vierkant van riet. Er steken stukjes van dat riet omhoog en die prikken door mijn dunne pyjama broek heen in mijn billen. Net goed, ik durfde het schaap niet te helpen. Ik leg mijn handen in mijn schoot en hoop maar dat het schaap op een betere plek is, in de wolken, bij andere schapen.

Op tafel ligt het tijdschrift ‘Boerderij’. Volgens mijn vader staan daar tips in om een goede boer te zijn. Er staat vast niks in over dochters van boeren, en dat zij dapper moeten zijn en moeten doen wat hun vader zegt. Op de voorkant staat een boer met zwart haar en lichte ogen naast een tractor te lachen. Alsof een boerderij altijd zo leuk is. Die boer heeft vast geen schapen die doodgaan en koud aan de kant van de weg liggen. Met hun kind dood in de buik. Ik voel mij weer misselijk worden en sla het ontbijt over.

‘Moet je niks eten?’ vraagt mijn vader afwezig.
Ik trek mijn schouders omhoog als antwoord. Dan drukt hij zijn peuk uit, giet het restje koffie achterover en staat op. Zonder iets te zeggen, gaat hij de deur door, de keuken uit. In de bijkeuken trekt hij zijn klompen aan en klost ermee naar buiten. Ik heb buikpijn en moet poepen. Dat lukt bijna nooit hier. Ik kan het niet, ik ben te zenuwachtig zegt mijn moeder. Soms, als ik op zondagavond thuiskom bij mijn moeder, moet ik rennen naar de wc, dan haal ik het bijna niet. Ik sta op, pak een glas van het aanrecht en zet de kraan open. Ik neem twee kleine slokken. Ik kijk nog een keer naar buiten, naar die grote bobbel onder dat zeil. Ik loop van de keuken naar de woonkamer, daar kan ik het schaap onder het zeil beter zien. Met mijn hoofd sta ik tegen het glas van het raam gedrukt. Ik moet kijken. Het is allemaal mijn schuld. Grote wazige vlekken ontstaan op het raam door mijn adem. Ik teken er een hartje in. Voor het schaap. En voor haar kind.

***

Wendy Bakker (43) woont in Heiloo en volgde de cursussen Korte Verhalen Schrijven en Roman Schrijven aan de Schrijversvakschool. Momenteel is zij bezig met het schrijven van haar eerste roman.



Jan-Robert van der Aa schrijft, omgeven door het ruisende Zoniënwoud, fantasyverhalen voor het nageslacht. Hij smukt ze op met gegenereerde afbeeldingen op basis van pentekeningen, schilderijen, etsen, schetsen, krabbels en foto's die hij persoonlijk de voorbije vijftig jaar maakte. Hij herwerkt ze nu met alles wat de technologie hem bieden kan, dus ook Photoshop en Midjourney. https://www.facebook.com/janrobert.vanderaa/





Reacties

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!