Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

XVVDM juni 2023

 

Conversie Infinitum 

- Ralph Dassen - illustratie: Tjade Witmaar - 


Notities

Kootwijk, 12 november 2021

Voelt zo de eenzaamheid van een verstotene? Met wat melodisch gesnik op de achtergrond.
De gulle tranen van mijn zusje die hier in deze stalruimte resoneren. Tranen die het stille verdriet van mijn ouders representeren. Het liefst wil ik even van de verhoging afstappen en haar in mijn armen sluiten. En wil ik fluisteren dat ik haar niets kwalijk neem. Haar zeggen dat ik het begrijp dat het delen van mijn geheim te groot was voor haar zuivere geweten. Ik wil haar loven, haar mijn dankbaarheid tonen. Eindelijk zijn de noodzakelijke stappen genomen. Boven de ingang van de stal hangt een door mijn vader getimmerd kruis. Ik zie hoe zijn zondagse schoenen weerkaatsen als hij plaatsneemt.. Hij kijkt omlaag, naar de stenen stalvloer, onwennig, vol schaamte. Zijn kostuum is gedateerd en donkerbruin als bonensoep. Mijn zusje en moeder hebben hun kuiten bedekt in een fantasieloze rok. De Dominee Herwijnen begroet mijn ouders en hen die ons steunen. Een fijne metalen bril breekt het rimpelloze gezicht. Zijn stem klinkt zacht, bijna goddelijk, ‘de God wiens stem klonk uit een doornstruik, wordt gekroond met een doornenkroon.’ Hij drukt de kroon op mijn hoofd. Ik verbijt me.

‘Simon… fijn dat je hier wilt zijn, wees welkom. Je staat op gewijde grond. Hier ben je onder gelijken. En hier gaan we het kwaad... het kwaad dat binnen in je zit voor eeuwig laten rusten. Kijk om je heen, je familie, vrienden, ze zijn hier voor jou.’ Ik durf niet op te kijken. Als hij begint sluit ik mijn ogen en prevel mijn eigen preek.

Stel Hem niet teleur. Hou je lippen weg van masculiene kinnen. Het is verboden te ruiken aan krullend borsthaar, je ogen te laven aan gebeeldhouwd testosteron. Vergeet de leren tops met ijzeren ringen. Bemin het schone om je heen. Je hoeft je nooit…nooit meer vies te voelen. Vergeet de zondige gedachtes. Bezin…bezin. Loof de Heer, Hij gaat nooit – nooit meer bij je weg. Amen.

Aansluitend klinkt Psalm 62 vers 5, een van mijn lievelingspsalmen die ik samen met de dominee heb uitgekozen. Moeder staat op en betreedt de eerste trede van de verhoging. Ze kust me vluchtig op mijn wang. Ik ruik haar huid, een mengsel van dik gesmeerde Nivea en royale godsvrees. Vader heft zijn lange arm en legt heel even een hand op mijn hoofd. Als ik hem wil aankijken draait hij zijn hoofd alweer weg. Mijn zusje loopt stilletjes naar buiten. Ik blijf als verlamd staan en wil alleen maar Simon zijn. ‘Je bent genezen,’ schreeuwt een vriendin van mijn moeder uit het dorp. Mijn voorhoofd en slapen zijn nat en plakkerig van het zweet. Alsof alle gore gedachtes kolkend naar buiten moesten. En mijn poriën zich vanaf nu sluiten voor de vuigheid van buitenaf. Mijn benen trillen. Een onbekende reikt me een glas water aan, ‘viel het mee…?’ Ik knik voorzichtig en ga zitten. Na een tijdje wenkt vader mij. Het is tijd om naar de trein te gaan. De autorit verloopt in stilte. Als we bij het station zijn en ik wil uitstappen pakt hij mijn arm stevig beet. ‘Je bent een zoon van God, Simon. Je hebt Hem en onze gemeenschap veel verdriet gedaan. Ga nu in vrede, we bidden voor je zondes.’

Ik knik en stap uit. De deur valt als vanzelf dicht. In de trein terug naar Amsterdam denk ik na over zijn woorden. Welke zondes…? Had ik hem moeten geruststellen… had ik hem moeten zeggen; vader, maak je geen zorgen, ik ben vierentwintig, en nog steeds maagd. Het komt goed met je zoon.

Amsterdam, 10 oktober 2022

‘Zo... Simon, woon je nog in hetzelfde studentenhuis, in de Weteringbuurt?’
Ik knik en ik voel dat de beleefdheidsvragen nu al voorbij zijn.
‘Even kijken, het is nu…tien maanden geleden dat je hier was, Simon.’
Pjotr, mijn therapeut kijkt in zijn notitieboek en vraagt hoe ik me voel? Ik antwoord ontwijkend. ‘Hoe voel ik me…onbestemd, denk ik.’ Ik sta op en loop naar het raam. Een doffe donkerblauwe lucht lijkt de Looiersgracht ingepakt te hebben als een onheilspellend tafereel uit een Carel Willink schilderij. ‘Denk je vaak aan ze?
Ik denk vooral aan mijn zusje. Ik heb mijn ouders en haar na mijn conversie niet meer gezien…het is zwaar. Ik mis vooral ons samenzijn. Ik heb het gevoel dat ze me nooit meer zullen accepteren. Een korte mail is alles wat ik van mijn zusje kreeg…uit naam van de hele familie, even geen contact Simon, dat was alles. En weet je… wanneer ik aan mijn vader denk…? Als ik een spijker in de muur sla en schreeuw zie je, zie je dat ik het wél kan, vader!! Ik bal dan mijn vuist in de lucht, naar God en ik hoop dat hij MIJN triomf voelt. Is dat kinderachtig...Pjotr?’ Op het bijzettafeltje staat een tissuedoos. Groene blokletters geven aan dat het papier biologisch afbreekbaar is en niet verkregen uit illegale boomkap. Ik pak een pluk en druk ze tegen mijn wang.
‘Ok… Simon en verder... waarom ben je hier?’ Mijn rechterbeen begint weer ongecontroleerd te trillen. ’Ik heb iemand ontmoet via een datingsite. We hebben gebeld.
‘Dat is goed nieuws, en hoe heet …?’ Ik haal mijn neus op, mijn keel voelt beklemd.
‘Richard, hij is fotograaf. Ik ga morgen voor het eerst naar hem toe. Hij is een stuk ouder. Hij lijkt aardig.’
‘Wat kan er gebeuren, Simon, waar ben je bang voor?’
Ik hoor mezelf diep zuchten. ‘Tja… wat kan er gebeuren…? We zijn nu bijna een jaar verder en er is niets veranderd.’
‘Wat bedoel je?’
‘Na mijn conversie… Pjotr, hoelang blijft God me testen? Hoelang blijft Hij me straffen voor mijn zondige verlangens? Verlangens die steeds explicieter worden. Hoelang kan Hij dat nog tegenhouden. Hoelang kan ik mezelf nog tegenhouden?’
‘Moet je jezelf tegenhouden, Simon? Waar wil je naartoe? Welk leven wil je leiden? Hoort het snuffelen, het uitproberen, het vallen en opstaan niet bij de richting zoeken die bij je past? Je bent een mens van vlees en bloed, geen machine. Ik kan je hier niet zeggen of je wel of niet moet gaan. Maar het ontdekken en daar plezier en spanning in ondervinden is een proces dat ik iedereen kan aanraden.’
Als ik na vijftig minuten naar buiten loop voel ik me leeg.

De volgende ochtend neem ik de trein naar Maastricht. Als ik aankom op perron twee zie ik niemand. Dan voel ik en zachte hand op mijn schouder.
‘Hi… Simon?’ Ik herken zijn gezicht, hij is langer dan ik dacht. En ik zou hem niet de veertig geven die in zijn profiel stond. Hij is licht gebruind, en draagt zijn haar in een knotje. Als hij zijn handen om het stuur van zijn auto slaat zie ik hoe felle blauwgroene aderen meanderend hun weg vinden onder opgerolde mouwen. Hij is mannelijk, vaderlijk.
‘Hé…echt leuk dat je er bent, Simon.’ Ik kijk hem aan en zeg niets.
‘Wil je eerst wat drinken in de stad? Of drinken we wat bij mij thuis.’ Voor ik antwoord kan geven… ‘ach, laten we maar naar mijn huis gaan.’ Als we net buiten Maastricht, richting Kanne een zandweg indraaien zie ik in de verte akkers met kale wijnstokken. Aan het einde van de weg ligt een groot huis in zachtgeel mergel opgetrokken.
‘Wow.’
‘Welkom in mijn casa.’ Als ik door de voordeur stap ruik ik de geur van smeulend hout.
De gang hangt vol met grote zwartwit portretten.
‘Wat mooi!’ De serie laat gezichten met holle ogen zien. Armen hangen als geknakte wilgentakken over een stoel heen. Enkele figuren hebben hun wangen in het leer gedrukt. ‘Ik vind ze intrigerend en… sexy.’ Ik kijk Richard aan en hoop dat mijn woordkeuze goed is. Hij knikt, zijn blik is aanmoedigend, zijn glimlach gemeend en royaal en stelt me op mijn gemak.
‘En wat een waanzinnig huis. Woon je hier al lang?’
‘Vijf jaar nu.’ We lopen de woonkamer in. ’En kijk dit is de stoel die ik gebruikt heb in die serie. Ik kan jou ook fotograferen. Je bent fotogeniek en sexy, dat zag ik al op je foto’s. Je hebt mooie jukbeenderen en steil haar… en je ogen staan een tikje asymmetrisch, dat doet het heel goed in zwartwit.’ Ik twijfel. ‘Foto’s van mij…? Zo speciaal ben ik niet.’
‘Zeg dat nou niet…natuurlijk ben je speciaal… we kijken wel.’
Als hij iets te drinken haalt druk ik mijn gezicht in het leer van de oude stoel.
In de middag maken we een wandeling. Richard neemt zijn camera mee. In de wijngaard achter het huis stoppen we bij een kappelletje.
‘Wacht… ga daar eens zitten… op die steen daar, iets naar rechts en nu omhoogkijken. Ja zo! Kom…kom kijken.’
Ik kijk naar het scherm van de camera en zie hoe twee grillige takken van een wijnstok als hoorntjes boven mijn hoofd zitten. Het Mariabeeld staat vervaagd op de achtergrond.
‘Kijk nou, je bent net een majestueus edelhert. Met die grote Bambiogen en het gewei boven je hoofd.’ Hij slaat een arm om me heen. ‘Ik zei het toch, je bent fotogeniek, Simon. ‘

‘s Avonds zitten we in de grote woonkamer. Een houten wand is gehuld in de warme gloed van de haard en geeft me het gevoel in een Downton Abbeyaflevering belandt te zijn. Richards blik is alert en zijn groengrijze ogen hebben een aanstekelijk vuur. Ik ga zitten achter de oude vleugel. ‘Mag ik?’
‘Tuurlijk, ik heb hem overgenomen van de oude bewoners. Ik speel zelf niet.’ Richard pakt een kleine camera en komt naast me staan. Hij maakt foto’s van mijn handen.
‘Je speelt mooi, Scarlatti, toch?’ Hij legt zijn kin op mijn schouder en raakt een voor een mijn vingers aan. Hij zoent me in mij nek. Ik stop met spelen, ‘sorry… ik ben daar nog niet klaar voor.’ Ik loop terug naar de bank en neem een slokje wijn.
‘Geen probleem, ik ga de soep afmaken. Schenk jij de wijn in?’
Als we aan tafel gaan vraag ik een moment stilte. Ik sluit mijn ogen en bedank Hem voor het eten. Als ik mijn lepel wil oppakken legt Richard zijn hand op de mijne. ‘Ben je gelovig…?
‘Ja, ik ben gelovig’
‘Ok…prima hoor ’Richard heft zijn glas. ‘Op het geloof… wat dat ook moge zijn. Fijn dat je er bent Simon, je bent mooi, heel mooi, vergeet dat nooit.’ Ik weet niet wat ik moet zeggen.

Als het bijna elf uur is vraagt Richard of ik blijf slapen in verband met de laatste trein.
Ik antwoord, ‘graag, in de logeerkamer.’
‘Natuurlijk, we doen niets tegen je zin.’ Ik zie dat hij me de tijd wil geven. Als ik wat later in bed lig vraag ik wel honderd keer vergeving dat ik vanochtend in de trein ben gestapt. Wie ben ik…? Genderfluïditeit, nieuwe gemeenschappen…ga ik het nog meemaken dat we niet meer in seksen denken? We kunnen verkeren met wie we willen en we gewoon het woord mens voor elkaar gebruiken. En dat ik nooit meer schaamte hoef te voelen die bij vlagen verlammend optreedt. Schaamte om het fout te doen. Schaamte om me te laten zien. Schaamte, zo pregnant dat ik mijn leven verzwijg en nooit mezelf mag zijn. Wanneer neemt God genoegen met mij als Simon. Een God die geen oordeel heeft en mij als mens ziet. Waar geen label, afkorting of letter voor nodig is om die te duiden. Ik ben moe, moe van alles, misschien wel moe van God en mezelf.

In de ochtend komt Richard in een witte pyjamashort binnen. In zijn handen draagt hij een groot dienblad met verse jus, croissants en yoghurt. Het voelt onwennig, iemand die voor me zorgt, die me aandacht geeft. ‘Zoooo… heeft deze puppy lekker gemaft?’ Ik ga omhoog in bed zitten.
‘Ja… dank je wel dat ik mocht blijven slapen.’
‘Natuurlijk mocht je blijven slapen, gekkie. Ik moet na het ontbijt even naar de stad.
’Ik heb twee vrienden uitgenodigd, hoop dat je dat niet erg vindt, ze zijn ééérrrg benieuwd naar je, oelala.’
‘Oh…leuk…’ Mijn lach klinkt als die van een bakvis. Richard bemerkt het niet.

Twee uur later bellen Thomas en Edwin aan. Ik schat ze beide rond de dertig.
Edwin is getint, heeft een hip snorretje en als hij, ‘hi Sssimon,’ zegt hoor ik een lichte slis. De ander, Thomas draagt een baggy broek met een gestreept T-shirt met opvallend gele Nikegympen. Zijn haren zijn lang en liggen als een rijk scharlakenkleurig doek op zijn schouders. Als hij me aankijkt zie ik rechts naast zijn neus sproetjes in de vorm van het kleine pannetje.

‘Aan tafel, mannen!’ Richard roept uit de keuken en we halen alwat schalen op.Richard tikt tegen zijn wijnglas.
‘Op Simon, ons mensenkind.’
‘Op Simon.’

Dank jullie, fijn om hier te zijn. Ik sluit mijn ogen en bid heel kort. Ik hoor Richard, ‘sssst’ tegen de anderen zeggen.

Naarmate de middag vordert wordt de sfeer meer en meer uitgelaten. Ik drink meer dan normaal, en geniet van de luchtige gesprekken en de aandacht die ik krijg. Aan het einde van de middag vraagt Richard of er iemand koffie wil.
‘Voor mij niet, zullen we nog een spelletje spelen als afsluiter van deze mooie middag?’ vraagt Thomas.
‘Jaaa, een spelletje.’ zegt Edwin. Hij kijkt me aan. ‘Doe je ook mee?’
‘Natuurlijk doet Simon mee.’ Richard staat op.
‘Wat is het spelletje?’
‘Het zal je aanspreken. Het is een kennisquiz. Ik slik. ‘Hmm, daar ben ik niet zo goed in.’
Thomas komt achter me staan en legt zijn handen op mijn schouders. Ik ruik een hint van rozemarijn als hij zijn haren tegen me aandrukt.
‘Er zit vast iets bij wat je wel weet, maak je geen zorgen. Het is maar een spelletje.’
‘Precies,’ zegt Richard. ‘Jouw puppyhersenen zijn nog lenig.’
Kom laten we naar boven gaan. Heb je nog wat van die lekkere port, Richard, die van vorige keer?’
‘Goed idee. Richard loopt weg en kom na enkele minuten terug uit de keuken met vier glazen. Ik krijg het eerste glas. ‘Voor jou, het bloed van Christus.’ Amen.
‘Shit… sorry, dat was ondoordacht, no offence, hoop ik.’
Ik negeer de opmerking en voel me meer en meer rozig worden. Als we boven in de gang komen trekt Richard aan een koperen hendel in de lange boekenwand. Met een zachte klik gaat een deur open naar een oude schuilkamer. ‘Kom binnen in de speelkamer.’ In het midden van de kamer staat een groot antiek hemelbed met vier gedraaide zuilen. Op de grond ligt een kelim. Aan de zijkanten van het bed hangen grove linnen doeken die het zonlicht buitenhouden. Thomas steekt een wierrookkaars aan. De twee jongens zijn hier vaker geweest, dat voel ik aan alles. Richard loopt weg en op de achtergrond klinkt plots zachte koormuziek. Als hij terug in de kamer komt zegt hij; ‘Pff, het is warm hier.’ De andere jongens reageren instemmend. Thomas trekt plots al zijn kleren uit, Edwin volgt. Richard kijkt me vragend aan en geeft me een vaderlijke blik. ‘De gebruikelijke rituelen in deze kamer. Maak je geen zorgen. Ik bescherm je tegen de wolven, puppy.’ De andere twee lachen. Ik grijns ongemakkelijk mee en trek snel mijn kleren uit. Het is de eerste keer dat ik mijn volwassen lichaam naakt toon aan iemand anders. Edwin bekijkt me iets te lang, en geeft me een knipoog. Richard trekt als laatste alles uit. Ik krijg kippenvel. Ik probeer aan iets anders te denken en ga zitten aan de kant waar de hoofdkussens liggen. De witte lakens voelen koel. Tegenover me op het bed zit Richard, zijn rug kaarsrecht, zijn benen als een yogi losjes over mekaar voor zijn kruis. De andere twee gaan links en rechts aan de zijkanten op het bed zitten. Edwin opent de la van een antiek nachtkastje en haalt een spel kaarten eruit. Ik probeer zo nonchalant mogelijk naar hun lichamen te kijken. ‘Ok, laten we beginnen. Wie is de quizmaster?’ Thomas, steekt zijn hand op en pakt de kaarten aan. Ik ben nerveus en leg mijn handen op mijn knieën om het trillen te verbergen. Ik voel hoe mijn wangen koortsachtig gloeien.
‘Ok…boys… de eerste vraag: welk jaren negentigmodel heeft een opvallende moedervlek boven haar mond.’
‘Cindy Crawford.’ Richard antwoordt snel. Ik neem een slok van de port en concentreer me op de volgende vraag. Welke fotograaf heeft de campagne voor Calvin Klein geschoten met Kate Moss en Marky Mark, Wahlberg…?
‘Eh wacht, wacht, Richard Avendon,’ antwoordt Edwin.
‘Volgens mij niet Ed…is het toevallig Herb Ritss?’
‘Dit is oneerlijk,’ moppert Edwin. ‘Het zijn allemaal modevragen. Die weet Richard sowieso.’
‘Geduld jongens, wacht… een ander onderwerp, hoe heet…de… premier van Frankrijk?’
‘Macron, antwoord ik snel.’
‘Ehh, fout, Élisabeth Borne, Macron is de president.’ Edwin grijnst.
‘Shit.’
‘Komt goed, puppy.’
Richard heft opnieuw zijn glas. ‘Op nieuwe én oude vriendschap, Ad infinitum.’
We proosten, de anderen drinken hun glas in een keer leeg. Ik volg.
Thomas legt even zijn hand op mijn bovenbeen en ik voel hoe Richard naar ons kijkt.
‘Volgende, Thomas.’
‘Ok, concentratie jongens…hoe oud kan een koningspinguïn gemiddeld worden. Vijftien – twintig - of vijfentwintig jaar? Wacht!’ Thomas heft zijn hand. ‘Die weet ik zelf…ehh…wacht vijfentwintig jaar.’ Hij draait de kaart om. ‘Correct, yesss!’
‘Tjemig Thomas, echt? Ik had niet ouder dan vijftien jaar verwacht.’ Richard masseert de nek van Edwin. Ik voel me slaperig worden. Als Thomas zijn voet zachtjes tegen me aandrukt voel ik hoe ik mijn evenwicht verlies en het zachte kussen mijn wangen aan beide kanten insluit. De ruimte is wazig. ‘Volgende vraag… welke Amerikaanse schrijver uit de twintigste eeuw schreef Lichtjaren…?’
Mijn mond is droog, ik kan nog net…net’ Saaaal…terr,’ uitbrengen en val weg.
‘Correct.’
‘Zie je…puppy, zie je wel dat je meer weet dan je denkt…ok Thomas, de volge…’

Later die avond word ik wakker. Ik heb het koud. Richard zit naast het bed. Hij leest een woonmagazine. De titel verspringt voor mijn ogen. ‘Wat is er gebeurd…?’ Hij lacht en helpt me uit bed. ‘Deze puppy heeft, denk ik meer gedronken dan zijn tengere lijfje aankon.
Richard ondersteunt me naar de wc. Ik schaam me en weet zeker dat het niet aan de wijn ligt. Mijn hoofd doet pijn. Ik heb buikkrampen. Als ik mijn handen op mijn buik leg voel ik hoe het rond mijn navel plakt. Ik scan mijn lichaam en voel me beurs op plekken waar ik me niet beurs wil voelen. Als ik terug in de kamer kom is Richard bezig met het bed te verschonen. Ik zie hoe hij minutieus het onderlaken gladstrijkt Zijn glimlach kleeft als Pattex op zijn gezicht. Een glimlach die me misselijk maakt.
‘Zo… alles weer rein und sauber. Gaat het, puppy?’
Ik kijk naar het onbezoedelde bed, opgemaakt voor een volgende ronde vragen.
‘Nee, het gaat niet. Wil je me terugbrengen naar het station?’
‘Nu nog…het is al laat… weet je het zeker?’
‘Heel zeker.’
’Tuurlijk, ik breng je. Als hij de autoradio aanzet hoor ik een van mijn lievelingsnummers, Chaque Fois van Wende en kan wel janken.

Amsterdam, 15 oktober 2022

Hoe zal het gaan… bij jullie aankomst? Zal een roodkoperen herfstzon de Weteringdwarsstraat 116 verwarmen? Wie zal jullie opgevangen, één of twee anonieme uniformen? Voelen jullie de ijle poolwind in de gang van de derde verdieping? Vader: gebogen onder een nog zwaardere last. Draaien mijn medebewoners hun hoofden naar de grond? Bang om jullie aan te kijken. Om een woord te moeten wisselen. Vergeef ze, lieve moeder, ook voor hen is dit een unieke situatie.

Geen koffer, geen wandelschoenen, geen paspoort, geen treinkaart, geen metgezel heb ik meegenomen op mijn reis. En jullie, de onbenullige... die geen weet hebben… geen weet hebben van helemaal niets, ik houd van jullie, tot aan de hemel en terug.

***

Ralph Dassen (11-03-1973 te Heerlen) is woonachtig in Amsterdam en Dieren Gld. Hij is werkzaam als directeur van Filmtheater Focus in Arnhem. Momenteel werkt hij aan zijn eerste roman. Daarnaast is hij dichter met publicaties in het Liegend Konijn, Gopher, het Zevenblad, en de Grote Prijs de Poëzie. In zijn vrije tijd leest hij graag de novelles van A.M. Homes, Jeroen Brouwers, Salter, en poëzie van Lucebert, Peter Verhelst en Menno Wigman.


Tjade Witmaar is beeldend kunstenaar. Hij had diverse exposities van zijn werk in Nederland, Frankrijk, Portugal en Spanje. Sinds 1990 woont hij in Spanje en werkte hij daar o.a. als grafisch ontwerper en illustrator voor tijdschriften en uitgevers van schoolboeken.

Reacties

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!