Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Tweede plaats augustus 2023




Per spoor

- Janneke Tomsen - Illustratie: Jan-Robert van der Aa -

Rik maakte een laatste rondje door zijn flat. Gas uit. Koffiezetapparaat uit. Thermostaat laag. Check, check, check. Kattenbak schoon. Hij pakte Hans drinkbakje op, gooide het leeg in de gootsteen en vulde het tot de rand met vers water. Voorzichtig, zonder een druppel te morsen, zette Rik het bakje terug op het vale linoleum. Brokjes had hij al klaargezet, een extra grote kom, daar kon Han een paar dagen mee vooruit.

    ‘Han! Han Solo! Ha-an!’ Zoals altijd wanneer Rik de flat dreigde te verlaten had het beest zich uit de voeten gemaakt. Hij had zich vast verschanst achter de kast met ruimtelego in de studeerkamer. Alsof hij wilde zeggen: ‘Jíj́ gaat toch weg? Rot dan maar mooi op met je gepaai.’ Vaak liet hij dan, om zijn punt extra kracht bij te zetten, een haarbal achter.
Rik pakte zijn telefoon van tafel en opende de NS-app. Alle treinen reden nog. Hij stopte zijn telefoon in zijn kontzak, boven op het briefje, en liep door het opgeruimde halletje naar de kapstok. Met zijn vingertoppen gleed hij over het Olvaritoranje rauhfaser behang. Al vanaf het moment dat Rik zijn schamele inboedel naar de flat had verhuisd, had hij zich geërgerd aan de kotskleur op de muur. Hij had zich meteen voorgenomen de hal te witten, maar de emmer muurverf stond nog altijd onaangeroerd in de kelder. Maakte het nog wat uit welke jas hij aandeed? Hij pakte zijn afgedragen groene Decathlon-jas van het haakje. Groen is goed. Beter dan oranje. Chirurgen dragen groen, boswachters ook. Met zijn jas in zijn hand bleef hij staan. Nu hij wegging leek zijn flat ineens een stuk ruimer, alsof de woning na een flinke schranspartij zijn broek op de vreethaak had gezet en onderuitgezakt op de bank plofte.
    ‘Dag Han!’ riep Rik tegen de uitbuikende ruimte. Hij schoot zijn jas aan, stapte naar buiten en trok de deur zachtjes achter zich dicht. Meteen zette hij de pas erin. Haast had hij niet, maar hij wilde de dood ook niet onnodig laten wachten.

Rik kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst zo vroeg was opgestaan. Niet dat hij een uitslaper was, verre van, maar normaal gesproken spendeerde hij de halve dag in bed, afwisselend lezend in oude Donald Ducks en starend naar de groeiende schimmelplek op het plafond. Omdat de geplande activiteiten van deze dag enige rust en anonimiteit vereisten, was hij vanochtend met frisse tegenzin uit bed gestapt toen om 5.00 de wekker ging. Misschien dat hij een enkele fanatieke hardloper of krantenjongen tegen zou komen op straat, maar verder zou het uitgestorven zijn. Geen buren die van hem verlangden dat hij een mening had over het weer. Geen oude zielige mensjes met bibberende hondjes, waardoor hij zich schuldig zou voelen. Hij had tenslotte alleen maar een kat (die slechts bij hem bleef voor de Whiskas), die kon hij makkelijk achterlaten. Die oudjes zaten vast aan hun pekinezen of dwergpoedels. Geen buren, geen bejaarden, geen pottenkijkers die hem op de valreep de zin van het leven probeerden aan te smeren. Nee, de stilte van dit vroege uur was precies wat hij nodig had. Rik was niet zo van het uitdelen van schouderklopjes, laat staan aan zichzelf, maar hier had hij goed over nagedacht. Dokter Eggers zou vast vinden dat hij hierin constructief en praktisch had gehandeld. Over de vervolgstappen zou ze vast minder te spreken zijn, maar daar kon hij wel mee leven, als hij niet bijna dood zou gaan.

Het verbaasde Rik hoeveel verhalen je in korte tijd in je hoofd af kon spelen. Het wandelingetje van zijn flat naar de plek waar hij moest zijn duurde krap twintig minuten, maar hij had het gevoel in zijn hoofd een complete prozabundel te schrijven. Geen Librismateriaal, wel ‘persoonlijk en urgent’, zoals al het werk van jonge debutanten anno 2023. Rik dacht aan de kennismaking met Dokter Eggers. Aan de begintijd, waarin hij na ieder consult een geurstokje meenam uit het flesje dat de wachtkamer voorzag van een indringende wasverzachtergeur. Iedere week een stokje, totdat het flesje leeg was en de ruimte niet langer naar pink serenity rook. Hij dacht aan Han als dikke kitten, aan een boze Greta Thunberg op tv. Hij dacht aan de borstelige vloerbedekking in de oude bibliotheek en de enorme multomappen van Saskia, zijn ambulant begeleider. Het waren slechts flarden van herinneringen, maar ze voelden als korte films die hij af kon spelen wanneer hij wilde. Hoewel Rik de afgelopen tijd al meer dan genoeg en op alle mogelijke manieren aan de dood had gedacht - verlangend, bevreesd, nonchalant, praktisch, romantisch, wanhopig – was hij er nog steeds niet over uitgedacht, hetgeen gezien de omstandigheden ook niet gek was. Nieuw was de zweem van nostalgie die zijn gedachten kleurden, als een korrelig jaren 70 filter. Hij voelde zich haast sentimenteel worden. Weet je nog toen met dat touw? En met die pillen? En dat mes? Dat was me wat! De onbevangenheid van toen was er nu wel af. Zoals zijn vader vroeger de vakantie tot in de puntjes voorbereidde, had Rik nu ook zijn dood gepland. Er waren schema’s en lijstjes aan te pas gekomen. Zijn vader was helemaal in zijn element als bevelhebber van operatie zomervakantie, en Rik kon niet ontkennen dat de organisatie van zijn huidige project ook in hem een zekere voorpret aanwakkerde.

Wat kon hij zeggen over het touw? Dat sloeg natuurlijk helemaal nergens op. Noem het onervarenheid. Op z’n minst had hij de haak kunnen testen. Het leek zo makkelijk, dat ding hing er gewoon al. Waarschijnlijk hadden de vorige bewoners hier zo’n uitzinnig hippe eggchair aan hangen (de woonkamer leek hem niet de plek voor een sex swing). Net zoals het oranje in de hal, had de haak hem geïrriteerd, maar had hij nooit de moeite genomen hem weg te halen. Nu kwam het ding van pas. Touw erom, krukje eronder, klaar. Er was geen afscheidsbrief, geen voorraad Whiskas. Hij had natuurlijk het krukje rustig onder zichzelf vandaan moeten schoppen. In plaats daarvan was hij ervan afgesprongen, als van de hoge duikplank in het diepe. De haak bleek niet bestand te zijn tegen Riks lange lijf en kwam onder luid gekraak uit het plafond gestort. Veel meer dan een flinke hoestbui en een vloerkleed vol gruis hield hij er niet aan over. Dat, en een gat in het plafond.

Met het scheermes zou hij het slimmer aanpakken, beter voorbereid zijn. Hij had gegoogeld, brokjes voor Han klaargezet. Na twee Donald Ducks was hij uit bed gegaan om koffie te zetten. Omdat hij van de koffie honger kreeg had hij een boterham gesmeerd en deze al scrollend op Reddit opgegeten. Toen hij de ontbijtspullen had opgeruimd was het nog maar net acht uur. Hij liep naar de badkamer, trok zijn kleren uit, vouwde ze netjes op, en ging in het bad zitten. Het scheermesje lag al klaar. Warm water had hij nodig, dan ging het allemaal wat sneller, had hij gelezen. Als het op bloed aankwam was Rik geen held, dus het kon maar beter vlot klaar zijn. Hij draaide de warme kraan los en spoot een klodder badschuim op de bodem. Een dikke schuimlaag zou misschien de omstandigheden iets verzachten. Uit de kraan kwam een miezerig straaltje. Rik draaide warm en koud nu helemaal open. Hij hoorde een doffe dreun en met een laatste stuiptrekking spuugde de kraan zijn laatste restje vocht uit. Godverend stond hij op en greep naar het mes. Dan maar in de wasbak, had hij gedacht, verbaasd over zijn eigen daadkracht. Het poeltje badschuim aan zijn voeten was even aan zijn aandacht ontsnapt. Hij gleed onderuit en gaf zichzelf een knietje tegen zijn neus. Overal bloed. En hij leefde nog.

Dan dat met die pillen. In zijn kledingkast achter de spijkerbroeken lag de medicatie die hij de laatste maanden had opgespaard. Je kon er een paard mee omleggen. Het huis was min of meer aan kant, voor Han was gezorgd, er kwam water uit de kraan. Rik verzamelde een selectie pillen, vulde een groot glas en pakte een ontbijtbordje uit de kast. Hij schoof het stapeltje ongeopende enveloppen aan de kant en installeerde zich op de bank. IJverig begon hij boven het bord tabletten en capsules uit strips te drukken. Feestelijk kletterden ze op het aardewerk. Dit was nog eens een ander ontbijt dat een snee tijgerbruin met jam. Hij zette The Office op, terwijl hij lag te wachten op wat komen ging kon hij wel wat afleiding gebruiken. Hij pakte net het eerste handje pillen toen de bel ging. Van schrik liet hij meteen alles vallen. Als stiekeme snoepjes rolden de pillen onder de bank. Rik hield hij zijn adem in. Er werd een tweede keer gebeld. Er werd geklopt.
    ‘Rik? Ri-hik!’ Het was Saskia, die met haar intimiderende multomappen en aaipet dit moment had gekozen om een huisbezoek af te leggen. Stond al weken gepland, maar dat was hij natuurlijk vergeten. Hij voelde al het leven uit hem wegzakken, figuurlijk dan. Helaas. Hij had geroepen dat hij naar de wc moest en had als een malle zijn medicatie door de plee gespoeld en de lege doosjes onder in de prullenbak gedrukt.
Saskia complimenteerde hem met de staat van zijn kamer. ‘Hartstikke keurig,’ zei ze, ‘Maar jammer van dat gat in het plafond. Je moet je kat trouwens niet zo veel eten geven, hoor. Laten we meteen maar even je administratie doen.’ Hij vond een brief van Vitens van twee weken eerder. Er werd onderhoud aangekondigd. Bewoners van de flat moesten er rekening mee houden dat ze mogelijk een paar uur zonder water zouden zitten. Met de welgemeende excuses voor het ongemak.

Het was nog steeds stil op straat. Bij het speeltuintje bleef Rik even staan. Het lag er treurig bij. Het zonnige karakter dat het clubje speeltoestellen met hun snoepkleuren uit alle macht probeerde uit te stralen werd te niet gedaan door de sigarettenpeuken en vertrapte blikjes Red Bull. De swastika en de piemel die aan de zijkant van de glijbaan waren gekerfd maakten het geheel er niet feestelijker op. Er zaten twee merels op de wipkip. Een intens gekwetter steeg uit de oranje snaveltjes op. Ze waren zeker blij dat ze de speeltuin voor zich alleen hadden. Ongemerkt was Rik stil blijven staan om te blijven kijken naar dit stukje urban wildlife. Er vormde zich een brok in z’n keel. Hij wist niet goed waar die vandaan kwam. Het was niet de eerste keer dat hij vogels hoorde fluiten of een wipkip zag, en doorgaans waren dit geen echte tranentrekkers. Misschien was het de combinatie met de filmmarathon in zijn hoofd die hem emotioneerde. Geurstokjes, Greta, multomap, merels wipkip.

Natuurlijk had Rik de trein als means to an end het liefst vermeden. Hij wilde het de machinist niet aan doen, de passagiers geen vertraging bezorgen. Hij wilde niet dat mensen restjes Rik tussen het spoor weg moesten flossen. Maar na het touw, het mes en de pillen had hij besloten drastischer maatregelen te treffen. Hij haatte hoogtes, en bij gebrek aan een gasoven of vuurwapen, leek de trein de meest logische keuze. Hij had uitgezocht wanneer welke treinen reden. Wat de beste springplek was. Hoe laat hij het beste kon gaan. Hij had een tijd, een plek, een briefje. Het briefje was geen afscheidsbrief, het was een excuusbrief. Niet dat hij excuses wilde maken voor zijn dood an sich, daar had niemand wat mee te maken. Dat Saskia hem hangend aan het plafond, in bloederig badwater of een plas braaksel zou aantreffen, deed hem niet zo veel. Saskia was Saskia, en ze had waarschijnlijk wel vaker met dat bijltje gehakt. Ze zou twee weken betaald verlof opnemen en vervolgens iemand anders met haar mappen lastigvallen. Zo’n arme machinist was een ander verhaal. Hij wist heus wel dat een lullig briefje niet zou helpen bij de traumaverwerking. Het had ook iets wanstaltigs, als een gebaar uit zo’n woensdagavond-tv-film, maar hij had zelf altijd een hekel gehad aan treinspringers en wilde in ieder geval íéts van zich laten horen, al was het uit misplaatste beleefdheid.
Het schrijven van de excuusbrief was niet gemakkelijk gebleken.
Beste Machinist. Sorry voor de rommel.
Beste Machinist. Het spijt me dat ik u dit aan doe.
Het spijt me, maar het touw, het mes en de pillen werkten niet, dus ik moest wel.
Uiteindelijk besloot Rik te gaan voor een simpel SORRY. Hij koos voor Arial, hoofdletters, lekker clean. Hij knipte het briefje op zakformaat en lamineerde het. Het idee was, dat hij op de plek waar hij zou springen het kaartje onder een kei zou leggen en dat het spoorwegpersoneel het briefje dan zou vinden. Ze zouden vervolgens de boodschap aan de machinist overbrengen, die dan met tranen in z’n ogen begripvol zou knikken. Volgens buienradar kwam er deze week geen regen, maar je wist het natuurlijk nooit. Ervaring had geleerd dat hij goed voorbereid moest zijn. Zo’n geplastificeerde excuusbrief zou wel een tijdje goed blijven. Rik bleef moeite hebben met het hele concept en ergerde zich aan zichzelf. Wie doet dat nou? Voor de trein springen en dan een gelamineerde sorry achterlaten? Wat is dat voor fucking beleefdheid? Het stond echter in het plan, en daar werd niet meer van afgeweken.
Hij was bijna waar hij wezen moest. Zo meteen zou hij over het prikkeldraad heen stappen en heel casual het veld oversteken. Hij zou geïnteresseerd de lucht afspeuren naar denkbeeldige vogels (dat leek hem een onopvallende houding) en wachten tot hij de sneltrein aan zou horen komen. Het veld liep schuin af. Ongeveer anderhalve meter lager lag het spoor. Als hij een aanloopje nam en naar beneden sprong, zou niemand hem zien. Eergisteren had hij geoefend. De eerste keer had hij zich niet goed afgezet en gleed hij een beetje sneu omlaag. Op handen en knieën was hij naar boven geklauterd. De inspanning stond hem zo tegen dat hij overwoog maar gewoon terug te glijden en op het spoor te gaan liggen wachten. Aangezien zijn eerdere pogingen aan spontaniteit ten onder waren gegaan, had hij toch maar besloten zich naar boven te hijsen om opnieuw zijn aanloopje te oefenen. Na drie keer proberen had hij de juiste afzetplek gevonden en was hij tevreden over zijn landing. Ook al wist hij dat er straks van een echte landing geen sprake zou zijn, het was een geruststellende gedachte dat hij serieus geoefend had.

Voorzichtig duwde hij het prikkeldraad omlaag. Eerst het linkerbeen, bijdraaien, dan het rechterbeen. Vooral niet meteen loslaten. Het prikkeldraad schoot terug en sloeg zich met zijn kleine klauwtjes vast in Riks spijkerbroek. Met een ruk draaide hij zich om, verontwaardigd, klaar om dat ijzer met z’n grijpgrage haakjes flink op z’n lazer te geven. Daar ging z’n achterzak. En daar ging het briefje. Het viel op de grond waar de wind er meteen een loopje mee nam. Dit stond niet op de planning. Hij deed een poging tot rennen in de hoop zo zijn waterdichte excuus te vangen, maar na een paar meter gaf hij het op. Dit was niet het moment om blessures op te lopen. Langzaam ademde hij uit. Iemand zou zijn sorry wel vinden, niks aan de hand. Met samengeknepen ogen tuurde hij naar de lucht. Geen vogels te zien, zelfs geen denkbeeldige. Hij keek op zijn horloge. De sneltrein kon er ieder moment aankomen. Stilletjes liep hij richting het spoor. In de verte hoor de hij de trein. Aanloop, afzet, klaar. Niet ver meer nu. Bijna…Rik zette het op een lopen. Hij rende, zette vaart bij. De film was afgelopen, tijd voor de aftiteling.

Rik zou willen zeggen dat hij werd gelanceerd. Dat hij vloog. Dat hij geen controle had over zijn lijf. De waarheid is dat hij op zo’n vette, nattige paddenstoel stapte en onderuitgleed. Voor dramatic effect zou hij kunnen vertellen dat het op nippertje was, dat hij met de neuzen van zijn schoenen de bielzen al raakte toen de trein eraan kwam. In werkelijkheid was hij op z’n gat terecht gekomen en was hij nog niet eens tien centimeter naar beneden gegleden. De intercity was voor zijn ogen voorbijgeraasd, op veilige afstand. Met zijn ogen dicht bleef Rik in het natte gras liggen. Hij vroeg zich af hoeveel verdiepingen het City Hotel had.

Het was niet helemaal zijn stijl, maar onderweg naar huis kon hij het toch niet laten. Hij mocht even zwelgen in zelfmedelijden. Het universum had de pik op hem, gunde hem niks. Hij was een lafaard, een mislukkeling, als hij echt dood had gewild had hij dat al lang kunnen regelen. Hij had van het balkon kunnen springen, dat mes kunnen gebruiken, water of niet. Hij had voor de volgende intercity kunnen springen. Rik wilde echt dood. Echt. Maar hij was laf. Een laffe controlfreak met trieste plannen. Het was natuurlijk de schuld van zijn vader, met zijn eeuwige uitstippelen en dubbelchecken. Met zijn lijstjes en schema’s, zijn ‘voorpret.’
Met zijn genen.

Rik had zijn vader in de garage gevonden. Hij zat achter het stuur van hun Volvo Station. Koolmonoxidevergiftiging. Ze waren net twee dagen terug van vakantie.

Hij liep voorbij het speeltuintje. Er stond een moeder met een baby op de arm. Met haar voet wiegde ze een peuter op de wipkip. Met haar vrije hand leunde ze tegen de piemel. De brok in zijn keel was ver te zoeken.

De film werd hervat. Wipkip, merels, Greta, pink serenity, de oude bibliotheek. Rik zag zijn geblokte slaapzak, de sandalen van zijn vader. Han Solo. Han. Hij zag het allemaal. De Volvo, het touw, het mes, de pillen, de sneltrein. Bijna thuis. Zo meteen zou hij koffie zetten, The Office opzetten en ‘ways to drown’ googelen. Van voorpret was nog niet echt sprake. Denkend aan water stak hij de straat over. Er kwam een vrachtwagen van rechts.

***

Janneke Tomsen
(1981) schrijft wel eens wat.


Jan-Robert van der Aa
schrijft, omgeven door het ruisende Zoniënwoud, fantasyverhalen voor het nageslacht. Hij smukt ze op met gegenereerde afbeeldingen op basis van pentekeningen, schilderijen, etsen, schetsen, krabbels en foto's die hij persoonlijk de voorbije vijftig jaar maakte. Hij herwerkt ze nu met alles wat de technologie hem bieden kan, dus ook Photoshop en Midjourney.



Reacties

  1. Je schrijft wel eens wat en je doet dat goed! Gefeliciteerd!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Heel graag gelezen. Wat een mooi verhaal <3

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Goed! Zwaar en licht tegelijk. Met een geweldige twist aan het eind.
    Frank van der Werff

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Wah! Zo ritmisch, humoristisch en lyrisch treurig. Wat schrijf je 'nog al eens wat' geweldig meisje! Alleen het begin is lauw, echt zo lauw dat ik geen zin had door te lezen maar wat blij dat ik dat toch deed! Doorgaan en nog meer van dat. Karin Claeys

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!