Van VvdM-winnaar Frans van Hilten is de tweede roman Alles Stroomt verschenen bij uitgeverij U2pi! Zie ook het artikel hieronder.

Winnaar september 2023

De ganzen

- Philippe Noens - Illustratie: Tjade Witmaar

*

Vandaag hoopte ik op de klimaatopwarming.
Ik werd wakker en kwam zuchtend uit de zetel – dat ik nog steeds toegeef aan het ontwaken van de wereld, aan alle sluimerende verwachtingen die er bij horen, blijft me licht verbazen.
De routine van mijn ochtend. Koffie zetten, en terwijl deze doorloopt mijn warme pantoffels inruilen voor de koude leren tuinklompen vol moddervlekken. Voelen hoe mijn tenen zich als veldmuisjes verschrikt terugtrekken door de kilte van die buitenschoenen.
Om me daarna een grote tas koffie in te schenken, en het dampend goedje mee naar buiten te dragen.
Naar het meer.
Ik zorgde ervoor dat de riem van mijn kamerjas goed strak zat, gebruikte een dubbele knoop, maar zelfs dan hing het jasje losjes rond me. Om de zoveel passen moest ik met mijn vrije hand mijn pyjamabroek terug een stukje omhoog trekken.
Het telkens opnieuw optrekken van die geruite flanellen broek is een handeling die ik sinds enige tijd gedachteloos onderneem. Nu ik het zo opschrijf, vraag ik me af hoeveel gewicht ik de laatste maanden precies ben verloren.
Dat gaat op voor de meeste daden uit ons leven, veronderstel ik: ze worden pas echt als we er bij stil staan. Als we er woorden aan spenderen.

Ik stond daar aan de waterkant en wachtte tot de wereld verging. Vanochtend wenste ik dat de klimaatopwarming zich veel sneller voltrok dan de laatste voorspellingen.
Je zou kunnen stellen dat ik me vandaag liet verleiden, of liet leiden, door een enigszins realistische doodswens.
Dat lijkt passend, gezien het weer. Een slordige zeventien graden in West-Europa enkele dagen voor Kerstmis? Als dat geen teken is dat de aarde op een alarmerend tempo aan het opwarmen is, dan weet ik het ook niet meer.
Maar het probleem met de werkelijkheid is dat hij het peper en zout van onze fantasie nodig heeft om vooruit te komen. In mijn verbeelding kan ik dan wel rottende vissenlijkjes zien opborrelen in het meer, samen met een loden zon die alle waterreserves in snel tempo doet opdrogen, een harde onverschillige zon die snel woekerende huidkankers veroorzaakt, maar het probleem met de aarde is dat alle hoop nog niet verloren is.
Moeder aarde warmt op, weliswaar de laatste eeuwen veel sneller dan verwacht, maar te traag voor mij. Alles wijst erop dat moeder Gaia haar gekreun de zucht zal worden die de wereld finaal zal doen vergaan, maar haar opwarming blijft al bij al toch een sluipende dood.
Voor mij mag het sneller. Ik wil dat de wereld vandaag vergaat, niet zoveel jaren later.
Ik wachtte nog even, stoom steeg op uit mijn halflege mok, mijn badjas wapperde in de wind die het grote meer meebracht, maar net als alle ochtenden hiervoor verging de wereld niet.

Ik weet niet meer precies waar ik het heb opgepikt, maar de bewering dat magie neerkomt op doorgedreven natuurkunde is me altijd bijgebleven.
Een fysicus begrijpt de wereld om hem heen. De wetenschapper baseert zich hiervoor op een aantal terugkerende wetmatigheden – water kookt op honderd graden, appels vallen van bomen, laat je dingen ongemoeid dan wint de chaos.
Een wetenschapper duwt de wereld in een aantal oorzakelijke verbanden. Maar een magiër beheerst evengoed de kunst om de wereld naar zijn hand te zetten.
De kunst om de wereld naar jouw hand te zetten. Als die definitie opgaat, dan ben ik een vreselijke tovenaar. Dan wordt mijn fantasie nooit realiteit.
Aan de andere kant van het meer steigerde een gans, het diertje sloeg een aantal keer wild met zijn vleugels, om uiteindelijk een soortgenoot te achtervolgen. De andere ganzen kwaakten en sisten hun ongenoegen uit. Hun boze getoeter weerklonk over het water.
Totdat we dit huis kochten, nam ik altijd aan dat ganzen ergens overwinterden in het zuiden. En wie weet? Misschien doen veel soorten dat nog steeds, maar heeft net deze toom ganzen beslist hier te blijven. Misschien zeiden ze wel tegen elkaar: ‘Weet je wat, waarom zo ver vliegen als het hier rond dat meertje in december zeventien graden blijft? De tijden veranderen, dus we veranderen gewoon mee.’
Misschien zetten ganzen de wereld zo naar hun hand. Ze willen de wereld niet verklaren, begrijpen of betoveren. Ze rollen gewoon mee met de seizoenen en getijden, in plaats van tegen de golven in te varen.
Misschien is de magie van ganzen wel sterker dan die van mensen.

Ik keek naar de wind die met het meer speelde, en zag de opkomende zon weerspiegeld worden in de wervelingen aan het wateroppervlak. Mijn blik gleed van het water langs de ganzen naar de windmolens aan de overkant. Molens die traag draaiden en hun elektriciteit opwekten. En gestaag het dorp van stroom voorzien.
Ik keek naar een oud vissersbootje, dobberend aan de rand van het meer, en de eenzame visser die in het bootje zat en naar zijn uitgeworpen lijn keek.
Uiteindelijk, toen ik mijn koffie reeds lang op had, draaide ik me om, liep terug naar huis en ging naar binnen.

Pas nu, terwijl ik dit schrijf, realiseer ik me iets.
Toen ik vanmorgen bij het meer stond, lukte het me om niet naar de steiger te kijken. Dat gebeurt niet altijd. Maar vandaag dus wel.
Je zou dat een pyrrhusoverwinning kunnen noemen.

*

Vandaag begon de dag zoals alle andere. Het ochtendritueel: ontwaken, koffie zetten, pantoffels inruilen voor buitenslippers, en dan naar het meer.
Alweer een paar dagen dichter bij Kerstmis. En nog iets warmer. Toch blijft de opwarming van de aarde me teleurstellen. Dus wenste ik vandaag iets anders.
Vanochtend koos ik voor een zombie apocalyps. In een ziekenhuis hier niet ver vandaan bevond zich patiënt zero, en wie gebeten werd, transformeerde tot een ondode ziel. Een virus rolde zich in snel tempo uit over deze regio, en er viel niks aan te doen. Het laatste redmiddel van de overheid: quarantaine en bombarderen.
De reden voor die wens hoef ik niet ver te zoeken: gisterenavond vulde een zombiefilm mijn scherm. Wat ik zag was over elkaar heen struikelende lijken. Kogels in voorhoofden. Veel gegil, en veel geschuifel.
Ik ben geen horrorfanaat, maar heb de film toch maar uitgekeken. Ik keek naar het verhaal over het leven tegen de dood zoals ik tegenwoordig naar alle films en series kijk – omdat het me iets te doen geeft. Omdat kijken een stuk van de nacht vult.
De mensen in de film hadden veel te vertellen over hoe erg het was hun vertrouwde wereld te zien vergaan. Over hoe oneerlijk ze het vonden, en hoe moeilijk ze het hadden. Hoe ze, ook al waren ze nog in leven, zichzelf de levende doden voelden. Wachtend op een einde dat achter elke straathoek op de loer lag.
Ik benijdde hen. Zij hadden alles wat ik wou.

Toen ik klaar was met koffie drinken en mijmeren, wou ik aan de terugtocht beginnen.
Maar vandaag … vandaag heb ik een fout gemaakt. Deze ochtend, toen ik me omdraaide, viel mijn blik op het water dat rond de steiger dobberde. En daar was Otis – daar was mijn kleine jongen – weer aan het verdrinken.

*

Vandaag hoopte ik op een asteroïde. Niets bijzonders, gewoon een gigantische ruimterots die uit de lucht neerviel, met genoeg impact om alles plat te slaan.
Om dit verdomde meer te laten verdampen, en ons huis tot stof te verpulveren.
Ik stond een tijdje naar de lucht te staren, maar het enige wat ik zag was een traag voorbij kruipend vliegtuig. In die stalen kombuis zaten mensen die ergens anders heen wilden. Mannen, vrouwen en kinderen die ergens anders naartoe werden gebracht, weg van hun vertrouwde omgeving.
Geen enkele Boeing kan me brengen naar het onbekende waar ik naar verlang. Het is ook meer een tijd dan een plek. Er bestaan geen rechtstreekse vluchten naar vroeger.
Ik bleef naar het wegvliegende toestel staren. Of liever: naar de plek waar het vliegtuig voorbij was gekomen. Een lege plek aan een heldere ochtendhemel. Er scheurde geen asteroïde door de lucht. Er kwam geen doodskomeet opdagen.
Er weerklonk alleen het harde geluid van de ganzen op het meer.
Ik negeerde de dieren, en staarde zo lang naar boven tot de stijfheid als een spin mijn nek in kroop.
Toen ik mijn hoofd eindelijk naar beneden knikte, stond Otis weer op de steiger. In plaats van mijn koffie had ik een whisky in mijn hand. Het vierde glaasje die bewuste dag.
Mijn jongen droeg nog steeds hetzelfde helrode Paw Pawtrol T-shirtje als toen. Geen warme trui maar een eenvoudig T-shirtje; ook toen was het een warme kerst.
Hij zag er net zo uit als de laatste keer dat ik hem levend zag. Vrolijk, uitgelaten, met dat oranje vlindernetje dat Marjolein die lente voor hem had gekocht.
Ik balde mijn handen tot vuisten en sloot mijn ogen, maar dat weerhield me er niet van zijn vraag te horen.
Papa, mag ik buiten spelen?

Toen Otis de vraag stelde, had ik in ons keukentje gestaan. Ik had het vlindernetje in zijn handen niet geregistreerd. Of misschien had ik dat wel, maar stemde de drank me mild. Gomde het vierde whisky’tje de gevaren weg.
We hadden Otis ook al zo vaak gewaarschuwd. De jongen wist dat hij niet alleen naar het meer mocht trekken. En dat het vlindernetje niet diende om de kleine visjes rondom de steigerpoten te vangen.
Maar jongetjes blijven jongetjes. Ze steken schroevendraaiers in stopcontacten, ook al weten ze beter. Ze verbranden mieren met een vergrootglas. Schuilen voor een hevig onweer onder een boom. Steken de straat over zonder kijken.
En willen visjes vangen met een vlindernetje.
Ik opende opnieuw mijn ogen en zag het. Voor de zoveelste keer zag ik het gebeuren. Hoe het moest zijn gebeurd.
Terwijl onze jongen gehurkt aan de rand van de steiger zijn vlindernetje in de rivier doopte, steeds wat dieper, opende ik mijn mond om hem te zeggen voorzichtig te zijn. Het niet te doen. Maar ook nu kwam mijn mond niet verder dan een treurige kreun.
De kreun overstemde bijna het verbaasde – niet geschrokken, maar verbaasde – kreetje dat Otis slaakte toen hij over de rand viel. Het koude water in. De steiger te hoog voor hem, de ronde palen te glibberig.
Ik hoorde hem roepen, ik zag zijn natte hoofdje steeds opnieuw onder gaan, de paniek nam het van zijn lichaam over, zijn wild gespartel deed het water rondom hem kolken, en … ik draaide me abrupt om.
Ik wist wat er ging komen, ik wou de rust in het water niet zien terugkeren. Niet vandaag. Het vlindernetje dat daarna komt bovendrijven. Niet opnieuw.

Op weg naar huis huilde ik geluidloos. Hete tranen maakte zich van mijn wangen los en vielen op de grond. Mijn badjas was losgeraakt en de riem sleepte door de ganzenstront, maar dat merkte ik pas later op.
Ik zakte in elkaar op de bank. De kussens van de zetel hielden nog steeds mijn afdruk van de vorige nacht vast. Ik klikte de televisie aan, en keek de rest van de dag weg. Op automatische piloot – ik kan me geen enkel programma voor de geest halen dat ik heb bekeken.

Ik heb niet meer in ons bed geslapen – of zelfs maar meer dan enkele minuten in de slaapkamer doorgebracht – sinds Marjolein uit het leven stapte.
Haar verfrommelde kleren naast het bed, haar potjes make-up en huidverzorgingsproducten, alle geurkaarsjes die ze uitspreidde over de ruimte, de thriller die ze voor het slapengaan opensloeg: het ligt er allemaal nog.
Mijn kledij bewaar ik in een wasmand. De mand staat op de vloer van de woonkamer. Soms kleed ik me aan, vis ik wat kleren uit de wasmand, maar de dagen die ik in kamerjas doorbreng overheersen.
De slaapkamers in dit huis zijn nu gewoon kamers. Er wordt niet meer in geslapen. Er gebeurt niks meer in of mee.
Ik ben sindsdien maar één keertje in de kamer van Otis geweest. De dag nadat het gebeurd was. Vier dagen voor de begrafenis. En vijf dagen voor Marjolein een overdosis slaappillen nam. Een rozige medicinale wolk pikte haar verdriet op, verdreef haar schuldgevoelens, en verdrong de teleurstelling en woede over mijn drankgebruik.
Marjolein verkoos een zachte uitgang, en liet me alleen achter.
Ik drink niet meer. Met mijn vrouw en kind is ook de smaak uit de whisky vertrokken. Ik ben evenveel dagen nuchter als alleen.
Er is geen roes meer om me te verdoven, geen middel om de pijnknop gestaag uit te draaien. Omwille van die reden bezocht ik toen de kamer van Otis: om in volle bewustzijn alles nog eenmaal in me op te nemen.
Als ik nu naar boven zou gaan en de deur zou openen, zou ik alles nog precies zo aantreffen als waar ik het me herinner. Zijn single bed onopgemaakt, de lakens en zijn kussensloop met het dinosaurusmotiefje verfomfaaid. Zijn vele knuffels in de hoek van de kamer (liever daar dan in zijn bed want dan voelde Otis zich bekeken). De grote gezinsfoto van ons drietjes aan de muur. Onze kleine boef centraal, zijn tong uitstekend. De vloer bedekt met plastic ridders en piraten die een eeuwige veldslag leveren. En het half afgemaakte legohuis dat we samen aan het bouwen waren.
Een huis dat nooit af zal raken. Een onvolledig huis.
Net als dit huis.

*

Vandaag regende het. Mijn ogen regenden mee. Ik stond aan de oever van het meer en wenste dat de wereld zou overstromen. Dat het waterpeil van het meer alarmerend zou stijgen, en het water steeds meer land zou opslokken. Een invasie van nattigheid.
Alles zou worden weggespoeld – ons tuintje, het huis met zijn slaapkamers, alle spullen van Marjolein en Otis.
Alles zou vergaan, en ik zou met de vloed meegaan.
Alleen de ganzen en andere watervogels zouden achterblijven. Drijvende getuigen van de vernietiging van de mensheid.

Onlangs schreef ik dat ik geen horrorfanaat ben. Neem nu het genre van het bezeten huis. Spoken, demonen, buitenaardse entiteiten: iets ouds en zwart heeft zich genesteld in de muren van een huis. Een kwaad dat zijn woede steeds meer richt op de nieuwe bewoners.
Ik heb nooit goed begrepen waarom de bewoners het niet spontaan op een hollen zetten. De filmmaker komt altijd met een halfslachtig excuus aandraven: de financiële reserves van de protagonisten zijn uitgehold, of niet iedereen is overtuigd dat het huis spookt (meestal de ouders).
Ik ben nog steeds geen fan van zulke bovennatuurlijke verhalen, maar sinds Otis en Marjolein er niet meer zijn, begrijp ik de koppigheid van de geplaagde huisbewoners beter.
Nadat mijn vrouw en zoon naast elkaar onder de grond lagen, en iedereen zijn deelneming had aangeboden. Nadat de politie de dood van Marjolein officieel had geklasseerd als een zelfmoord, en me daar via een formeel briefje droogjes van op de hoogte bracht. Nadat ik overdag waadde door een financieel en juridisch moeras van levensverzekeringen en afbetalingsplannen, en ’s nachts zo hard op mijn onderlip beet dat het bloed in mijn nek stroomde. Nadat een vriend voorstelde ‘er eens tussenuit te gaan’, en iemand anders botweg suggereerde ‘dat je altijd opnieuw kunt beginnen’. Nadat er steeds minder vrienden en kennissen langskwamen, of nadat ik mezelf steeds meer van hen afschermde. Nadat ik op de bank rusteloos begon te slapen in plaats van de nacht gedachteloos weg te zappen, en opstond met de laatste woorden van Otis echoënd in mijn hoofd. Nadat ik elke ochtend naar het meer trok, aangetrokken als een mot door het licht … Na dat alles begreep ik het.
Het is niet dat mensen hun bezeten woning niet kunnen verlaten. Dat kunnen ze in veel gevallen wel degelijk. Het is dat ze hun huis niet willen verlaten.
Omdat hun demonen het enige zijn dat hen nog rest.

*

Het is kerstavond. Een jaar geleden was mijn leven nog perfect. Ik dronk te veel, en dat dreigde op middellange termijn een probleem te worden, zeker, maar voorlopig ging het nog wel, dacht ik.
We brachten de dag samen door, als een gezin. Op kerstdag kwamen er heel wat mensen over de vloer, beloofde het gezellig druk te worden, maar deze dag hadden we voor onszelf gereserveerd. Wandelend langs het meer. Picknickend op de steiger. Kijkend naar elkaar en de ganzen. Niks speciaals, een doodgewone dag.
De laatste dag waarop ik gelukkig was, at mijn zoon een boterham met kaas en jam, en smeerde mijn vrouw een dotje smeerkaas over mijn voorhoofd.

Deze ochtend hoopte ik dat de visser die regelmatig het meertje aandoet ook vandaag zijn bootje instapte, rustig mijn kant opvoer, om me na het uitstappen plots met een mes aan te vallen.
Een visser als vermomde psychopaat – het idee was zo gek nog niet. Maar de man zijn bootje dobberde niet op het meer, en ook de ganzen bleken weg. Eindelijk zuidwaarts getrokken, veronderstel ik.
Ergens mis ik hen wel. Zonder hun geblaas en gekwaak is het te stil. Zonder de ganzen hun vrolijk gefladder ziet het meer er onheilspellend uit. Nu ben ik weer alleen. Alleen met mijn herinneringen.

*

Vandaag is het Kerstmis. Maar eigenlijk is het een dag als alle andere. Ik werd wakker, stond op en zette koffie. Terwijl het koffieapparaat reutelde, trok ik mijn pantoffels uit en mijn buitenslippers aan. Daarna schonk ik me een grote mok koffie in, en droeg de tas mee naar het meer.
Mijn badjas hing losser dan ooit; het uiteinde van de stoffen riem stonk nog steeds naar ganzendrek.
Ik zit nu op de steiger en wacht tot de wereld vergaat. De koffie verdun ik systematisch door er scheutjes whisky bij te gieten. Vandaag is het één jaar geleden dat ik ben gestopt met drinken. De whisky brandt mijn keel en doet mijn wangen gloeien.
Het is vandaag nog warmer dan gisteren. Veel te warm voor Kerstmis. Lekker weertje om te gaan zwemmen.
Ik zit dit alles op te schrijven terwijl ik naar de plek kijk waar Otis het water in viel. Straks glijd ook ik het water in, en begin te zwemmen naar het midden van het meer.
De strip slaappillen die ik vond in het nachtkastje van Marjolein spoel ik door met het laatste likje whisky uit de fles.
Wanneer ik naar boven kijk, zie ik opnieuw een vliegtuig een streep door de lucht trekken. Ik wens niet langer dat de motoren van het vliegtuig het laten afweten, en dat de noodlanding van het toestel op het meer eindigt op deze oever. Met mij begraven onder de wielen.
Ik wens gewoon dat mijn vrouw en kind op me hebben gewacht, waar we ook heengaan als de wereld eindigt.

***

Philippe Noens groeide, net als veelschrijver Herman Brusselmans, op in het Waasland (België). Hij werd geboren in dezelfde gemeente als grootmeester Christophe Vekeman, en liep school in het Sint-Niklaas van Tom Lanoye. Philippe schrijft af en toe een stukje (non-)fictie. Hijzelf wordt weinig tot niet (dus niet) vermeld in de korte biografie van streekgenoten. En zo is het best goed.

Tjade Witmaar
is beeldend kunstenaar. Hij had diverse exposities van zijn werk in Nederland, Frankrijk, Portugal en Spanje. Sinds 1990 woont hij in Spanje en werkte hij daar o.a. als grafisch ontwerper en illustrator voor tijdschriften en uitgevers van schoolboeken.

Reacties

  1. Gefeliciteerd met deze prachtige overwinning. Ik heb je verhaal met veel plezier gelezen. Knap gedaan!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Geweldig stukje. Mooi geschreven!!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ik heb dit ook graag gelezen. Goed verhaal Philippe en gefeliciteerd!

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Uw stijl van schrijven is zeer mooi. 🎀

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!