Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Winnaar oktober 2023

 

De stagiaire

- Piet Post - Illustratie: Mariken Maas -

Achteraf schaam ik me er voor dat we het pas zo laat door hadden. En dat we een grietje van amper zestien nodig hadden om het losse draadje te vinden. Wanneer hadden we het in de gaten, ik weet het niet eens meer. Het komt wel vaker voor dat twee bewoners bij elkaar kruipen, grensoverschrijdend gedrag zeg maar. Nou ja, wiens grenzen worden dan eigenlijk overschreden? Wat is er mis mee dat twee oudjes wat aan elkaar zitten te plukken en te friemelen? Maar bij deze twee was wel iets bijzonders aan de hand. Mevrouw Verdam woonde hier al vier jaar toen meneer Noordzij hier kwam wonen. En de volgende dag al vonden we ze in één bed. “Liefde op het eerste gezicht,” zeiden we en we lachten er om. Ik denk dat alle teamleden even om de hoek gegluurd hebben, het zag er zo lief uit. Alsof ze nooit iets anders hadden gedaan, elkaar al jaren kenden. Hij moet die eerste nacht naar haar kamer gestommeld zijn, twee trappen af nota bene. En zij heeft het prima gevonden dat hij bij haar in bed kroop, meneer Noordzij. Innig verstrengeld lagen ze daar, de deken was van hen afgegleden, zo troffen we hen aan de volgende ochtend. Beide op hun zij, buik aan buik, hij met een been over haar heen en een arm onder haar hoofd, zij met haar hoofd in zijn oksel, het was schattig om te zien. Toen we ze wekten, wilden ze allebei zo blijven liggen. Meneer Noordzij gromde wat, mevrouw Verdam zuchtte. En ze klampten zich aan elkaar vast als twee drenkelingen in de golven. Allebei leken ze intens gelukkig. Maar ja, de regels staan het niet toe. Bewoners moeten op hun eigen kamer slapen, ze mogen elkaar niet tot last zijn, ook niet als ze elkaar niet tot last zijn.
Die avond kreeg meneer Noordzij een slaappilletje en voor de zekerheid deden we zijn kamerdeur op slot, met extra toezicht natuurlijk. Ja, dat kan je raar vinden maar wat moeten wij zeggen als zo’n oude man midden in de nacht een doodsmak maakt? Hoe dan ook, om twee uur heeft hij het hele huis bij elkaar gegild, hij bonsde op zijn deur en was niet meer terug in zijn bed te krijgen. En twee verdiepingen lager liep mevrouw Verdam over de gang op en neer, zichzelf plukken haar uit het hoofd trekkend. “Komt de dokter?”, zei ze maar steeds. “Komt de dokter?” Het was echt zielig. In arrenmoede hebben we hem toen maar de trap af geholpen, wat konden we anders? En toen ze elkaar zagen, op de gang, vlogen ze op elkaar af, zo snel als de ouderdom het hen toestond natuurlijk. En zo sliepen ze ook die tweede nacht bij elkaar, knus in elkaars armen. We hoefden ze nauwelijks in bed te helpen, het was of hun lijven vanzelf samenvloeiden.
De volgende dag namen we contact op met de familie. Mevrouw Verdam kreeg in het begin nog wel bezoek van haar man. Die herkende ze ook af en toe nog wel. Maar na zijn overlijden kwam er bijna nooit meer iemand. De dochter die we aan de lijn kregen, wilde niet komen. Wat er mis mee was, vroeg ze, laat die oudjes toch. Kinderen zouden er wel niet meer van komen. Als wij ze op één kamer wilden leggen, vond zij het prima. Meneer Noordzij was zijn leven lang alleen gebleven, ongetrouwd in elk geval. We kregen een buurman aan de lijn die tevens jarenlang zijn werkgever was geweest, hij stond opgegeven als de officiële contactpersoon. Hij kwam diezelfde dag langs. Ik herkende in hem de man die meneer Noordzij was komen brengen, een paar dagen eerder.
“Ik ken Anton al bijna veertig jaar,” vertelde hij, “een fijnbesnaarde, keurige man. Hij is uitermate gesloten, ook tegenover mij heeft hij nooit veel los gelaten. Uit wat losse gesprekjes heb ik uiteindelijk opgemaakt dat de oorlog hem een behoorlijke knauw gegeven heeft. In het laatste oorlogsjaar is hij gevonden, zoals hij dat zelf noemt, zonder papieren of zo, in de buurt van de Duitse grens. In de war, geen idee wie hij was. Daarna heeft hij lang in kindertehuizen gezeten. Maar hoe dat verder zit, wat er precies gebeurd is, weet ik niet. Als ik er gericht naar vroeg, klapte hij dicht en kroop weg achter zijn bureau. Als boekhouder heb ik nooit een betere gehad, altijd op tijd met alles. En onder collega’s viel hij niet op, trok zijn eigen plan, was eigenlijk altijd alleen. Ja, alleen, dat was hij. Ik heb nooit geweten van een relatie. Bijzonder dat hij dan hier meteen eh …. verkering heeft.”
We besloten om ze dan maar op één kamer te leggen. Het bed van mevrouw Verdam werd vervangen door een tweepersoons bed. Zij nam daar met instemmend gemummel kennis van. “Geen dokter meer,” zei ze. Meneer Noordzij leek de verandering niet op te vallen. Na de middagmaaltijd ging hij op de deken liggen en mevrouw Verdam kroop tegen hem aan. Binnen een minuut sliepen ze allebei als rozen.
Diezelfde dag belde de dochter van mevrouw Verdam terug. Ze had spijt van haar eerste reactie, zei ze. Ze had inmiddels contact gehad met haar broer in Portugal. Eerst hadden ze gelachen over de late liefde van hun moeder, maar toen ze uitgelachen waren, had hij gezegd dat mama een getraumatiseerde vrouw was en dat daar wel rekening mee gehouden moest worden. Ik vroeg wat daar mee bedoeld werd, in haar dossier stond niets over trauma’s. De dochter wist het ook niet precies, iets met een dokter waar ze wel eens wat over had losgelaten, een griezelige dokter die rare dingen deed. Maar dat was al heel lang geleden. Ze zou haar broer nog eens vragen en dan zou ze zelf ook wel eens even langskomen. Maar deze week niet meer, zij had het ook druk.

Er verstreken een paar weken. De rust in het huis was weergekeerd. Meneer Noordzij en mevrouw Verdam sliepen samen in één bed en brachten ook overdag de nodige uurtjes op of onder de deken door. Er was geen wanklank te bemerken en niemand hield zich er nog mee bezig. De buurman van meneer Noordzij kwam nog een keer langs en zat zwijgend naast het bed waarop de beide bewoners in een intense omhelzing lagen te slapen. “Het lijkt alsof ze aan elkaar vast zitten,” zei hij bij zijn vertrek. Van de dochter van mevrouw Verdam vernamen we niets meer.
Het was een stagiaire die als eerste een notitie maakte over het krabben. Af en toe onderbraken de twee hun aanminnige houding om over hun arm te krabben, allebei hun rechterarm. Bijzonder was dat ze ook elkaar krabden, alsof ze jeuk hadden aan de arm van de ander.

Na twee maanden stapte een zongebruinde heer het huis in. Het was de vers gepensioneerde zoon van mevrouw Verdam, even weer terug uit Portugal. Zijn zuster had hem op de hoogte gehouden, zei hij, was zij hier nog geweest? Nou goed, hij was hier nu, kon hij mama bezoeken? En zo zat hij even later op de kamer waar zijn moeder op bed lag met een wildvreemde man. Want dat zei hij meteen, hij had deze man nooit eerder gezien en nooit eerder de naam Noordzij gehoord. Zijn moeder was altijd keurig getrouwd geweest, een zorgzame echtgenoot en een lieve moeder voor zijn zuster en hem, niets te klagen. Maar, zo opperde hij zelf, zou meneer Noordzij een jeugdliefde kunnen zijn? Oude liefde roest immers niet. Ik zei dat dat niet kon kloppen met wat de buurman van meneer Noordzij had verteld. Die had ons gezegd dat zijn bedrijf was gevestigd in de Randstad en dat zijn boekhouder, voor zover hij wist, altijd in die regio had gewoond. Tja, gaf de broer toe, dan ging die vlieger dus niet op want zijn moeder kwam oorspronkelijk uit Groningen en had daar tot haar trouwen gewoond. En dat trauma, vroegen wij, hoe zat dat dan? Veel wist hij daar ook niet van, ze was er altijd gesloten over geweest, maar het stamde uit de tijd voor haar huwelijk, mogelijk zelfs uit de tijd van de oorlog. Er leefde nog een neef van hem die daar misschien meer van wist, die zou hij nog eens vragen.
Toen hij wegging begon hij over het krabben dat hij de oudjes had zien doen. Deden we daar iets aan? Zijn moeder had een tatoeage op haar arm, misschien was dat het? Kon het zijn dat ze daar last van had?
Tatoeages zie je tussen al die rimpels in een oude huid vaak niet meer. Het was geen mens opgevallen. Behalve de stagiaire dan, eerlijk is eerlijk. Toen we haar notities later nalazen stond er duidelijk dat zij geconstateerd had dat mevrouw Verdam een tatoeage op haar arm had en dat zij daar zelf aan krabde en dat meneer Noordzij dat vervolgens ook was gaan doen. “Imitatiegedrag,” schreef ze. Misschien was haar dat op de opleiding zo verteld.

Je had het in de administratie kunnen zien natuurlijk. Maar ja, wie let daar op, we hebben hier bijna vijfhonderd bewoners, er zijn er elke dag wel een paar jarig. Die verjaardagen slaan we meestal gewoon over, de meesten hebben er geen erg meer in en je maakt ze alleen maar overstuur als je plotseling met een taart of een slinger aan komt zetten. Dus hebben we alle dagen slingers hangen en zeer regelmatig taart. En bovendien als familieleden of kennissen er aandacht aan besteden natuurlijk.
En zo kwam op 16 april, meneer Noordzij woonde hier bijna een half jaar, zijn oud werkgever binnen stappen met een bloemetje. Hij had in de administratie van zijn bedrijf de verjaardag van Anton Noordzij opgezocht en had bedacht dat het toch wel aardig was als hij daar even aandacht aan besteedde, kleine moeite nietwaar? Misschien was dat nu precies iets waardoor Anton even weer bij zijn positieven zou kunnen komen. En zo zat hij even later bij het liefdespaar op de kamer en er ontstond warempel een vrolijke stemming. Niet dat er sprake was van herkenning of herinnering, maar de aanblik van het boeket op het tafeltje stond de beide bewoners beslist aan. Ze dronken blij hun koffie, zij uit een tuitbeker, en aten er gezellig een stukje taart bij. En toen de bezoeker een verjaardagslied inzette, keken ze elkaar aan en gaven elkaar spontaan een kus op de mond.
Dat zou wel eens het moment kunnen zijn geweest dat een statige vrouw de kamer binnenstapte. Even leek er een wrevelige blik over haar gezicht te trekken, maar bij het aanschouwen van het vrolijke tafereel verdween die weer. “Wat leuk dat jullie aandacht besteden aan mama’s verjaardag,” sprak ze, terwijl ze een doos bonbons uit haar handtas haalde. Er zaten roze linten aan. De beide bezoekers maakten kennis met elkaar.

Daags daarna belde ik de zoon van mevrouw Verdam. Van zijn zuster had ik begrepen dat hij inmiddels weer was teruggekeerd naar Portugal. Zij had verder geen contact meer met hem gehad, zo hecht was hun familieband niet geloof ik. Ik bracht hem op de hoogte van onze ontdekking. Nadat gebleken was dat beide op dezelfde dag jarig waren, was er iemand in de bewonersadministratie gedoken en had vastgesteld dat ze op precies dezelfde dag waren geboren, 16 april 1934. De uiterlijke gelijkenis, het dringend bij elkaar willen zijn, ons liefdespaar zou wel eens een tweeling kunnen zijn.
Het was even stil in Portugal. Ik hoorde hem een paar keer in en uit ademen. “Nu begrijp ik het,” klonk het toen langzaam, en nog een keer, “nu begrijp ik het.” Hij vertelde dat hij informatie had gekregen van de neef. Daar had hij inmiddels inderdaad contact mee gehad. Voordat hij dat met mij deelde, wilde hij graag dat er nog één ding gecheckt werd. Wilde ik dat doen en hem dan meteen daarna opnieuw bellen?

Ik liet de stagiaire bij mij komen en vroeg haar om nog even op onderzoek uit te gaan. Zij was uitgegroeid tot een persoonlijke vertrouweling van deze beide bewoners. Toen ik de wens van de broer overbracht, knikte ze echter, maar ging niet, zoals ik verwacht had, naar de kamer van de tweeling. “Ik weet het antwoord al,” sprak ze eenvoudig. “Ik heb het ook in het verslag geschreven.” Onthutst, ik geef het eerlijk toe, stelde ik later vast dat dat waar was. Het meisje had meer gezien dan wij hadden gelezen. In haar aanwezigheid belde ik de broer terug.
“Het klopt,” zei ik. “Ook de man waar u uw moeder mee gezien hebt, heeft een tatoeage op zijn arm.”
“Dan heeft neef Bram gelijk,” zei hij. “Volgens hem is moeder samen met een broertje gedeporteerd naar Sachsenhausen. Een joodse tweeling, u kent dat onderzoek wel van die dokter Mengele. Ze waren 9 jaar oud toen. Na de oorlog is mijn moeder teruggekeerd maar was van haar broertje geen spoor. Nooit heeft ze meer iets van hem gehoord. Bijna onze gehele familie is in Duitsland achter gebleven, als u begrijpt wat ik bedoel. De familie heeft altijd aangenomen dat hij daar ook was overleden. Ze sprak er nooit over en als iemand er naar vroeg, maakte ze zich uit de voeten. Het enige wat je van haar oorlogsverleden merkte was dat ze na een angstdroom weleens door het huis schreeuwde. ‘Niet naar de dokter, niet naar de dokter!’ Dat Abraham, mijn neef, er meer van te weten is gekomen, komt niet door haar. Na zijn pensioen heeft hij veel onderzoek gedaan en begon te vermoeden dat de tweelingbroer nog zou kunnen leven. Dat heeft hij mij vorige week verteld. Zelf sprak ze nooit meer over haar broer. Van Abraham kwam ook de gedachte dat ze misschien op die manier in Sachsenhausen terecht gekomen zijn, als tweeling bedoel ik. Vandaar dat ik vroeg ….”

Ik beëindigde het gesprek. Al die tijd had de stagiaire zwijgend mee geluisterd, haar logboek op schoot. Daarin sloeg zij nu een pagina op en reikte het mij aan. “Mijn eerste dag.” las ik, in een mooi meisjeshandschrift. “Op mijn eerste dag heb ik kennis gemaakt met twee bijzondere bewoners. Ze kenden elkaar niet maar liggen vanaf dag één bij elkaar in bed. Ik vond het bijzonder om te zien dat ze zichzelf krabden op precies dezelfde plaats, de rechteronderarm. Toen ik ze wat verzachtende zalf op de huid smeerde, zag ik dat ze daar allebei een tatoeage hadden. Ik kon er niets van maken, het leken wat cijfers te zijn, geen gewone tattoo dus. De volgende dag krabden ze nog steeds en toen krabden ze ook elkaar alsof ze hun eigen cijfers wilden verwijderen en ook die van de ander. Ik deed er weer zalf op en hield voorzichtig hun handen vast. Toen keken ze elkaar aan met een glimlach en kusten elkaar, heel lief. Ze hebben precies dezelfde ogen, zag ik toen.
‘Geen dokter meer,’ zei mevrouw en meneer lachte naar haar. En toen ze elkaar nogmaals kusten, ben ik weggegaan.”

***

Mariken Maas
is als jonge maker gevestigd in Amsterdam waar ze afstudeert aan de Breitner academie. Naast het maken van educatief materiaal voor verschillende instanties is ze druk bezig met haar beeldende praktijk en haar baan in de thuiszorg waar ze ontzettend van geniet.

Reacties

  1. Wat een heerlijk verhaal! ❤️

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Echt een magistraal verhaal, geboeid vanaf het begin

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ontroerend verhaal. Heel mooi. Ik heb het in één adem uitgelezen.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Zeer vertederend verslag van hulpverlening die ook echt hulpverlening is, in plaats van kille tegenwerking. Mooi verhaal met nog iets van een goede afloop. Hartverwarmend.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Onroerend en vertederend. In een keer uitgelezen.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Wat een prachtig verhaal. De manier waarop familie en verzorging soms samen wegen moeten vinden voor de beste keuzes voor bewoners is mooi geschetst rondom uiteraard het aangrijpende thema van het verhaal. Mvg Frans van Hilten

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Bijna opgetekend. Erg mooi

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Wat een mooi verhaal, met gevoel geschreven!

    BeantwoordenVerwijderen
  9. Griet Decabooter27 oktober 2023 om 16:34

    Prachtig verhaal!

    BeantwoordenVerwijderen
  10. Mooi en ontroerend!

    BeantwoordenVerwijderen
  11. Zo kritisch als ik kan zijn, zo mooi vond ik het om het verhaal te lezen. Goed gedaan!

    BeantwoordenVerwijderen
  12. Wat een prachtig verhaal!

    BeantwoordenVerwijderen
  13. Wat een schitterend verhaal!

    BeantwoordenVerwijderen
  14. Ik weet niet hoe ik bij dit verhaal terecht ben gekomen, ik voel me er naartoe getrokken. Het eerste verhaal wat ik lees op deze site. Op voorhand nog niet wetende waar het verhaal naartoe ging. Het verhaal trekt je mee, zo gemakkelijk.
    Mijn moeder, van joodse afkomst, woont nu in een verzorgingshuis. Ze is geboren op 16 april 1936.
    Dank je wel voor dit mooie verhaal. Het raakt me.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!