Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Tweede plaats december 2023

 

De Leeuwentemmer

- Piet Post - illustratie: Mariken Maas - 

Ik herken hem aan zijn ogen, zowel links als rechts dat onverwachte sliertje groen alsof een andere edelsteen zich in het agaat heeft gemengd. Op hetzelfde moment zie ik in die ogen dat hij ook mij herkent en onze lippen openen zich om woorden te geven aan wat ons plotseling overkomt maar een acute schorheid wint het. Er moeten twintig jaar verstreken zijn. Het lijkt een eeuwigheid.

De geur van beesten was op het hele terrein aanwezig, in en bij de hokken natuurlijk, op de piste en in de tent, maar ook in de wagens waarin wij woonden en sliepen, er kon geen parfum tegenop. Hooguit week die lucht uit je neus als we ’s avonds bij het vuur zaten en de rook onze hoofden omkranste, maar in mijn herinnering was hij er ook dan. Bij die vlammen ben ik ontstaan.
Het uur na de avondvoorstelling als het hooggeëerde publiek de tent was uitgedreven langs het stalletje met de hebbedingetjes en de souvenirs, als wij weer op onszelf waren, nahijgend nog, de lijven bezweet, de kleding al deels losgeknoopt, ieder bezig met opruimen en afronden, alle lichten nog aan, maar niet voor lang meer, terwijl de knechts rondgingen door het besmeurde zaagsel en heisterden met attributen en kostuums en vermoeienis zich meester maakte van ons artiesten omdat de adrenaline geleidelijk wegebde, de lange dag voorbij, de beesten terug in de hokken en te midden van dat alles Pepi, onze clown, zich afschminkend met in zijn vrije hand een fles onbetaalbaar goedkope drank waarvan hij slechts zeer weinig hoefde te drinken om weer in de zevende hemel te geraken, zoals elke avond, al slempend aria’s zingend uit opera’s die niemand kende dan hij.
Cela en Solo die hun voortdurende ruzie weer opnamen terwijl de touwen nog niet eens stil hingen. Die twee die elkaar alleen in bed en aan de trapeze begrepen. Zij tierend “Godverdomme, duvel, straal om de kop!” en meer onduidelijk gevloek, hij antwoordend in een onverstaanbaar Spaans dialect dat alleen in een uithoek van Argentinië wordt gesproken, nog altijd een raadsel hoe hij vandaar in plaatsen als Harderwijk en Heerlen in de nok van een circustent was komen te hangen. Pas als het gerinkel en geraas van brekend servies klonk, wisten wij dat herstel van de vrede in zicht kwam. Na twee borden en drie kopjes werd het stil. Kort daarna begon de wagen van de twee zacht te schudden en na hun hoogtepunt, zij met fragmenten van Duitse schlagers op de lippen, hij geruisloos zoals het een Argentijnse boerenzoon betaamt, kwam de wagen weer tot rust en daalde er een diepte stilte over het kamp neer. Dat was het moment, voor zover nog niet te bed, waarop we ons verzamelden om de vuurkorf van Pepi om de dag, de nacht en het leven te evalueren waarbij de diepgang van de analyse omgekeerd evenredig was met het alcoholpercentage in het bloed van de deelnemers. Bij dat vuur leerde ik voor het eerst over leeuwenogen.

Ik bespeur schaamte in zijn ogen, zoals hij hier zit, bij de uitgang van het winkelcentrum waar ik een enkele keer mijn boodschappen doe, naast een kleedje waarop een plastic bekertje dat deels met munten is gevuld, gehuld in kleren die stijf staan van het vuil, zijn gezicht schuilgaand onder een woekerende baard, alleen de ogen helder, onveranderd, achter zich een grote slapende hond. “Een kop koffie?”, vraag ik. “Als het bier mag zijn?”, zegt hij.
In de hoek van een winderig terras kijken we elkaar opnieuw aan, voorzichtig gewend aan de gedachte dat hij het is, dat ik het ben, dat we hier samen zitten. “Ben je ooit terug gegaan?”, vraag ik. Hij zet zijn bier op tafel, schudt zwijgend zijn hoofd en slaat zijn ogen neer.

“Je moet langs ze heen kijken, maar met zoveel kracht dat ze ontzag voor jou krijgen. Je ogen moeten als vlammenwerpers zijn die vuurbundels precies langs ze heen stralen. Maar maak nooit oogcontact. Nooit, begrijp je dat?”
Ik was gestruikeld in het leven, een onhandige jeugd, het thuis niet kunnen vinden, het tenslotte nergens meer kunnen vinden. Na een eindeloze hoeveelheid onafgemaakte scholen, mislukte baantjes en stukgelopen relaties was ik tenslotte met een dronken kop het circusterrein op gewankeld om daar om werk te vragen maar voor ik daar aan toe kwam al uitgegleden in de drek achter de tent. Toen ik weer opkeek, ik moest even geslapen hebben, zag ik boven me het verlopen smoel van Pepi waar zonder schmink niet meer van overbleef dan een handvol diepe plooien, je ziet wel eens zulke honden, Pepi, zo leerde ik later, die in het circus diverse taken combineerde waaronder die van directeur.
Terwijl ik zijn soep at, kneep hij in mijn armen en in mijn benen, om een cv vroeg hij niet, om een motivatie evenmin. Hij noemde mij wat mogelijke taken en verplichtingen en ik knikte bij alles ja, half ontnuchterd door het slaapje en de soep. Ik was aangenomen.
Jaren reisde ik met Pepi en zijn wonderlijke trawanten door het continent, was onderdeel van de karavaan. Na aankomst op een nieuwe plek zeulde ik met de onderdelen van de tent, schreeuwde in alle talen van de wereld naar de anderen, woorden en kreten die ons hielpen om de onderdelen op hun plek te krijgen, ik voerde de beesten, maakte de hokken schoon als de bewoners optraden, kortom, ik deed alles wat mij werd opgedragen. En ’s avonds bij het vuur luisterde ik. Mij werd niets gevraagd, mijn aanwezigheid was een vanzelfsprekendheid nadat Pepi mij die eerste dag bij zijn vuurkorf had geïntroduceerd met de mededeling dat hij niet wist hoe ik heette maar dat Kafka hem een passende naam leek. Sommigen kwamen overeind om mij een hand te geven, anderen zwaaiden afwezig naar me, Lisa, die een nummer deed met pony’s, omhelsde mij en probeerde te tongzoenen tot iemand haar van mij wegtrok, die lieve Lisa die in een permanente staat van ontremdheid verkeerde die haar zonder het regelmatig ingrijpen van haar circusfamilieleden al heel wat brokken zou hebben opgeleverd.
Voortaan heette ik Kafka.

“Kafka,” zegt hij. Ik zie hoe hij zelf verbaasd is dat een oud laatje ineens openklapt en een stukje geschiedenis prijs geeft. “Sergio,” zeg ik. Hij stemt in en wil weten wat ik tegenwoordig doe en of er nog een biertje af kan. Ik wenk de ober die met een nauwelijks verborgen ongerustheid de bestelling opneemt. Hij ziet een man van tegen de vijftig met een geklede winterjas, deels open geknoopt en zicht biedend op een smetteloos wit overhemd en een modern colbert van dezelfde stof als mijn pantalon. En hij ziet Sergio. En diens hond.

“Sergio, waarom ben je hier ooit mee begonnen, met leeuwen temmen,” vroeg ik.
“Ik had een vrouw.”
Lange tijd bleef het bij die verklaring. Van anderen hoorde ik dat hij het nummer inclusief de dieren had geërfd van een oom, een vagebond uit Milaan. Daar kwam Sergio oorspronkelijk ook vandaan. Hij sprak een wonderlijke mengelmoes van talen, net als de rest, het zelf bedachte Esperanto van het circusvolk. Alleen voor diepere gesprekken was er de eigen moedertaal. Van de oom had hij de kneepjes van het vak geleerd, al jong. Amper dertig jaar oud liet hij de zweep knallen en dwong de grote katten om plaats te nemen op bont geschilderde tonnen. Toen op een koude ochtend de oom dood gevonden werd achter zijn wagen was de opvolging duidelijk. Alleen de naam van het nummer werd veranderd van De magische Gianni en zijn woeste leeuwen in De magische Sergio en zijn woeste leeuwen.
Het grootste deel van de woeste leeuwen gehoorzaamde uiteindelijk maar aan één levend wezen, aan Leo namelijk, de oudste van het stel en het enige mannetje. De ruige manen, het slanke gespierde achterlijf, de staart met het pluimpje dat af en toe dreigend heen en weer kon gaan, het was de gestalte van de baas van het spul. Deed hij wat Sergio van hem vroeg, altijd onder gegrom, dan volgde de rest. Daarbij was dat pluimpje een belangrijk hulpmiddel, dat moest blijven bewegen, liefst in een rustig tempo. Viel het stil dan was Leiden in last, dan stond het dier klaar voor de jacht.
“Leeuwen temmen is als het leven zelf,” zei Sergio op een keer. “Luister naar wat niet wordt gezegd. Wie een leeuw kan dresseren, kan het leven zelf dresseren.” Hoewel deze diepe zinnen er in duidelijk Italiaans uitkwamen, begreep ik precies wat hij bedoelde. “Dresseer jij je eigen leven?”, vroeg ik. Ik had van hem nooit veel anders gehoord dan de ingrediënten van mijn eigen levensverhaal, een groteske verzameling mislukkingen en misstappen. Zelf voelde ik mij nooit degene die zich als een dompteur tot het leven verhield. Eerder was ik een ondergeschikt dier in het circus dat leven heet, een konijn of zo, of een pony. Het was eerder het leven dat mij zweepslagen toedeelde om mij tot bizarre kunststukjes te dwingen dan omgekeerd.
Ik kreeg nooit antwoord op mijn vraag. Als ik hem herhaalde werd Sergio korzelig en tenslotte boos. “Mijn leven gaat je niets aan,” zei hij. Later pas, toen ik zijn leerling was geworden, gaf hij af en toe iets prijs. Maar dat bevestigde mijn beeld alleen maar: hij was net zo’n mislukkeling als ik en met al zijn bravoure in de piste en daarbuiten had hij uiteindelijk net zo’n lage dunk van zichzelf als ik.
Ik bleek een snelle leerling. Als assistent stond ik naast hem in de piste als hij optrad. Eerst gaf ik de hoepels aan waar hij de dames doorheen liet springen en Leo soms ook, later hield ik die hoepels zelf vast en op een keer, toen hij zo grieperig was dat het niezen ten koste ging van het gezag dat hij onder de dieren had, verving ik hem en stond hij aan de rand van de piste toe te kijken. Ik moet zeggen dat mijn ziel die avond wel echt een vreugdesprong maakte toen Pepi bij het vuur een fles champagne ontkurkte en die mij aanreikte voor de eerste slok. Ineens was ik iemand, bleef de spiegel niet leeg als ik er voor stond. Sergio zag het gemelijk aan maar gemakkelijk vond hij het niet. Heeft dat aan hem gevreten? Was dat de eerste stap naar die afgrijselijke avond een aantal maanden later? Sergio werd nog ontoegankelijker dan hij was, deelde met mij alleen het allernoodzakelijkste en zweeg nog meer dan voorheen, in onze eigen circustaal, in het Italiaans, in elke taal, hij zweeg in alle talen. Tot hij in Bremen geheel verdween, ineens weg was. Pepi zuchtte en keek mij aan, die avond stond ik alleen voor de leeuwen. De laatste nacht pas van ons verblijf in de Noord Duitse stad hoorde ik de deur van onze wagen opengaan, ik lag net in bed. In het licht dat van buiten door de gordijnen drong, herkende ik hem. Hij kleedde zich uit en schoof onder de deken.
Ik probeerde hem duidelijk te maken dat ik blij was met zijn terugkeer, maar ik kreeg geen antwoord. Wat later hoorde ik geluiden die het midden hielden tussen grommen en snikken. Leeuwen huilen niet maar als ze het deden zou het zo klinken. “Hij voelt zich uitgerangeerd,” zei Igor de volgende dag, toen ik naast hem in een van de vrachtwagens zat. “Verwezen naar de tweede rang.” Hij keek mij betekenisvol aan, de berentemmer die twee Kaukasische beren met elkaar kon laten dansen. Hij was een volbloed Fries overigens, Hidde was zijn echte naam.

“Ben je helemaal hersteld?”, vraag ik. Toen we naar dit terras liepen, viel me op dat hij trok met zijn linkerbeen. Sergio kijkt even schielijk om zich heen en trekt dan bij wijze van antwoord wat kledingstukken aan de kant. Ik zie de littekens op zijn buik, op zijn onderbenen en armen, landschappen van oude pijn. Daarna kijkt hij mij aan met een stoere blik, trots zelfs, als een atleet die dagelijks de sportschool bezoekt en zojuist zijn gespierde lijf heeft getoond. Hij leegt zijn bierflesje en houdt het op naar de ober. “De laatste,” zegt hij.

Midden in de nacht werd aan mijn bed geschud. Hoewel ik mijn dagelijkse portie drank bij het vuur weer gehad had, was ik meteen klaarwakker toen een kakafonie van onsamenhangende geluiden mijn hoofd in stroomde, menselijke kreten om hulp en dierlijk gebrul. In mijn onderbroek snelde ik naar het leeuwenverblijf waar zich reeds een aantal van mijn collega’s had verzameld, machteloze gebaren makend. Toen ik naderde werd mij in twintig talen te verstaan gegeven wat van mij werd verwacht.
De kooideur stond open, maar achterin de kooi zag ik alle vijf de leeuwen. Daarvoor stond Sergio, in zijn circuskostuum, het strakke pak met tressen en galons, overal waar die maar zitten konden, met goud en rood en zilver. Alleen de strakke kousen en de puntschoenen had hij weggelaten, op blote voeten stond hij daar, midden in de kooi. En hij sprak met de leeuwen, hij daagde ze uit. Terwijl om mij heen de anderen hem smeekten om naar buiten te komen, om dit niet verder op de spits te drijven, praatte hij maar verder. Ook ik riep hem maar ook mijn stem drong niet tot hem door. De leeuwen stonden op een rij in de hoek, Leo in het midden, aan elke kant twee wijfjes, net als bij het begin van hun optreden. Leo gromde, meer dan grommen was het al en ook de andere dieren waren onrustig. In het schijnsel van de buitenlichten, die allemaal aan waren als hadden we zo dadelijk een voorstelling, kon ik alle tekenen bespeuren waarvoor Sergio mij gewaarschuwd had.
Ik greep een zweep en snelde de drie treden op naar de kooi. “Kom achter mij Sergio!”, gebood ik hem, maar hij leek mij niet te horen. Hij schreeuwde naar onze dieren, spreidde zijn armen als wilde hij niets liever dan door hen besprongen te worden. Ik zag de muilen open gaan om een sonoor gegrom doorgang te verlenen, de scherpe tanden blikkerend in het licht.
Ik liet de zweep knallen op de vloer van de kooi en schreeuwde tegelijkertijd een bevel dat de leeuwen kenden. Op datzelfde moment zweeg Sergio en sprong op het grauwende stel. Kreten van ontzetting klonken op van de omstanders toen de dieren zich als één kronkelend wezen op hem stortten.
Later heb ik wel begrepen dat Sergio van meet af aan niets anders had bedoeld. Zoals anderen voor gif kiezen of voor de langsrazende trein, zo had hij gekozen voor de leeuwen waarmee hij jarenlang had opgetreden, hij wilde gedood worden door zijn eigen nummer. Ik knalde een en andermaal met de zweep en schreeuwde de bevelen alsof we in de piste stonden, ik floot en brulde. Ik zag aarzeling bij de wijfjes, die leken in dubio te staan. Toen die een voor een terugschrokken leek ook bij Leo de twijfel toe te slaan. Eén moment keek hij mij aan en ik schoot vuurstralen uit mijn ogen, precies langs hem heen zoals ik het had geleerd. Ik zag het bloed op zijn blikkerende tanden. Op dat moment klonk het eerste schot. In een ooghoek zag ik Pepi die zijn pistool had opgehaald en dat al een tijd had gericht op de krioelende kluwen maar nu pas zijn kans schoon zag. De trotse mannetjesleeuw verstarde en zakte door zijn poten. Ik gilde, schreeuwde dat ik ze meester was. Maar zonder effect. Van de andere kant klonken ook schoten, Igor stond daar met een wapen bij de tralies. Binnen een minuut waren alle leeuwen dood. Huilend trok ik Sergio uit de stuiptrekkende massa. Hij keek mij aan met een blik waarin ontzag en mislukking om de voorrang streden. Voor het licht was, verliet ik het circus om er nooit meer terug te keren.

“Ik moet gaan,” zegt Sergio, op de toon van een zakenman wiens agenda net zo vol is als de mijne. Hij zet het laatste flesje op het tafeltje en omhelst me kort. Dan zie ik hem weglopen, het terras af, de straat in, het plein op. De hond komt stram overeind en talmt wat bij een boom.
Als de ober de bierflesjes op komt ruimen, kijkt hij mij vragend aan.
“Hij was de beste leeuwentemmer van Europa,” zeg ik.
“Dat zeggen ze allemaal meneer,” beweert de ober. “Voor u nog een cappuccino?”
Even verderop hoor ik Sergio schreeuwen. “Leo!” De hond bedenkt zich geen tel en stormt het terras af.
***

Piet Post

Mariken Maas
 is als jonge maker gevestigd in Amsterdam waar ze afstudeert aan de Breitner academie. Naast het maken van educatief materiaal voor verschillende instanties is ze druk bezig met haar beeldende praktijk en haar baan in de thuiszorg waar ze ontzettend van geniet.
Meer info: https://marikenmaas.wixsite.com/mysite

Reacties

  1. Schitterende Illustratie!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Slechts 1 reactie op dit mooie verhaal en dan ook nog eens n.a.v. de illustratie vind ik wel erg mager. Het zou kunnen dat mensen denken ‘alweer die Piet Post’ maar het kan niet anders of Piet heeft de kwaliteit of telkens weer boven te komen drijven in de enorme brei aan schrijfels. Bovenstaand verhaal is weer een goed voorbeeld van pretentieloze vertelkunst met een kleine twist zoals in al zijn verhalen. Piet weet heel goed dat hij nooit zal doorbreken als auteur in het hogere echelon…. . Hij heeft al een monumentje geplaatst met ‘Nabestaan’ (bol.com). Het leuke aan deze rubriek is dat iedereen binnen zijn stilistische beperkingen kan gloriëren. Piet: Ga alsjeblieft nog heel lang op deze voet verder! Maak iedereen maar jaloers. Ook nog groot compliment aan de jury en de redactie, Maarten voorop. Zij bieden ons dit podium, waar je als scribent ook weleens ongenadig vanaf wordt geflikkerd. Zo hoort het ook.
    Luuk de Vries

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dank je wel voor je prachtige reactie Luuk! Dat stel ik erg op prijs, en ik neem aan de rest van de redactie en juryleden ook. We doen ons best.

      Ik vraag me eerlijk gezegd af waarom Piet niet zou kunnen doorbreken. Ik zie het hem nog wel doen hoor. Ik geloof eigenlijk niet zo in een "hoger echelon".

      Dit is de 21ste eeuw he. Je hebt gewoon schrijvers met naamsbekendheid en/of een grote organisatie achter zich en je hebt schrijvers die dat niet hebben. De schrijvers van de eerste categorie zijn niet persé beter dan die van de tweede categorie.

      Misschien moeten we maar zelf een uitgeverij oprichten, ik droom daar wel eens van.

      -- Maarten

      Verwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!