Derde plaats juni 2024


Antonio

- Bianca Scholten - Illustratie: Cindy van Veldhoven -

Vingertoppen bewegen ritmisch tegen de slaapkamerdeur. Antonio ontwaakt uit zijn halfslaap. Geïrriteerd trekt hij het dekbed tot over zijn schouders. Kan die gast niet normaal kloppen?
‘Ben je er al uit?’
Hij probeert zo wakker mogelijk te klinken als hij ‘Ja!’ roept.
De deur gaat op een kier en Pieter steekt zijn hoofd naar binnen. ‘Hé, je ligt nog in bed!’ zegt hij, zo te horen oprecht verbaasd. ‘Kom op knul, weet je nog wat je gisteren hebt beloofd?’ Pieter knipt het licht aan en stapt de ruimte in, met een huppeltje een verhuisdoos ontwijkend. ‘Je gaat nu iets maken van je leven. Je gaat deze laatste kans grijpen alsof het het winnende lot uit de Staatsloterij is!’
Heb ik helemaal niet gezegd, lul, denkt Antonio. Hij krult zijn lijf op als een egel. Dat zei je zelf, en toen heb ik m’n bek gehouden.
‘Je bent een prachtvent. Wat zou ik het zonde vinden als je je leven vergooit alleen maar omdat je zo’n lekker bed hebt. Jij verdient een fijn diploma!’
Wat een gezeik. Misschien was mama’s gekrijs zo erg nog niet.
‘Sta je op, jongen?’ vraagt Pieter, op nog net zo vriendelijke toon.
Het liefst zou hij tot laat in de middag in zijn nest blijven, maar hij moet mega pissen. Dus slaat hij zijn dekbed van zich af, gaat op de rand van zijn bed zitten, gaapt ingehouden en krabt aan de donsharen op zijn kin. Als hij zijn smartphone van de stapel schoolboeken grist, is hij zich even bewust van het briefje. Beduimeld, het met vulpen genoteerde adres vaag leesbaar. Gisteravond heeft hij er naar liggen staren. Het kan hier niet ver vandaan zijn, een wijk verderop misschien. Wie weet is hij hem vanaf het station hiernaartoe al wel tegengekomen. Heeft ie hem niet opgemerkt omdat ie liep te gamen. Die toeterende Volkswagen, was hij dat? Zouden ze elkaar nog kunnen herkennen?

Als hij terug wil naar zijn kamer staat Pieter in de gang een jammerende meid te troosten. Antonio vlucht de doucheruimte in. Alle vier de douchehokken zijn bezet. Een mollig meisje met gelige tanden staat te wachten, met een toilettas onder haar oksel. Ze draait zich half naar hem om. ‘O hoi!’ Haar stemmetje klinkt suikerzoet. ‘Jij bent gisteren gekomen, toch?’
‘Hm,’ bromt Antonio. Hij leunt met de bovenzijde van zijn rug tegen de muur zodat hij beide handen vrij heeft om te gamen op zijn smartphone. Dat kind blijft hem maar aanstaren. Heeft ze nog nooit een pukkel gezien of zo?
Met aarzeling in haar stem vraagt ze: ‘Heb je je haar geverfd?’
‘Tuurlijk niet,’ antwoordt hij zonder op te kijken.
‘O.’ Ze zwijgt maar haar ogen laten hem niet los.
Hij gamet verder. In een van de douches stopt het watergekletter.
‘Hoe kan dat dan, zwart haar en lichtblauwe ogen?’
Hij zucht. ‘Weet ik veel.’
Ze gaat op haar tenen staan om zijn spel te kunnen volgen. ‘En eh… Waar zit jij op school?’
‘Het Nova.’
‘O, vet!’ roept ze kinderlijk enthousiast. ‘Daar wil ik volgend jaar ook heen. Welke richting?’
‘Autotechniek,’ mompelt hij en even voelt hij zich trots, ook al heeft hij er nog niet één les gevolgd.
‘En eh…’
Wat moet die chick toch van hem?
‘Heb je ook broers en zussen?’
Antonio kijkt verward op. Dat vraagt bijna nooit iemand. Mensen die hem kennen, weten het onderwerp handig te omzeilen. Na drie jaar is hij er nog steeds niet uit of het antwoord nou ja is of nee.

Ze leek zo klein, nu hij op haar neerkeek. Een huid van perkament. Net een wassenbeeld uit het Madam Tussauds. Mama had de hoodie over Kimmy’s hoofd getrokken. Dan zag ze er tenminste nog een beetje uit als zichzelf. ‘Wat is ze mooi,’ mompelde mama, vanaf de andere kant van de kist. ‘Ze had zo’n hekel aan haar sproeten, maar kijk nou toch wat een schoonheid.’ De alcoholwalm kwam van diep uit mama’s binnenste en vulde de kleine ruimte als een zwaar parfum. Net als altijd. Maar haar stem was anders. Zacht. Niet het vlijmscherpe geluid dat hem vaak deed verstijven. Zwijgend staarden ze naar de kist. Sneeuwwitje. Kimmy’s onderarmen werden bedekt door het glanzende laken. Als mama er niet was geweest, dan zou hij dat opzij hebben geslagen. Hoe zag zoiets eruit? Had ze het van boven naar beneden gedaan? Of overdwars? Zat er nog bloed aan? Hadden ze het dichtgenaaid? Doen ze dat bij een dode?
Mama keek naar hem op. Het was alsof hij haar voor het eerst echt waarnam. Ze had donkere kringen onder haar ogen, haar huid was grauw, haar wangen ingevallen. ‘Ik hou van je, jongen,’ fluisterde ze. ‘Dat weet je toch?’
Als op commando knikte hij. Maar hij voelde niks. Toen niet en nu nog steeds niet. Het verwondert hem. Op de televisie zouden ze op zo’n moment gaan huilen. Schreeuwen, janken, elkaar in de armen vallen, door de knieën zakken en met de vuisten op de grond slaan. Zij niet. Daar stonden ze, tegenover elkaar, moeder en zoon, zwijgend en gelaten. En nu, na zoveel jaren, heeft hij er nog steeds niet om gehuild. Helemaal nergens heeft hij ooit meer om gehuild. Behalve die ene keer natuurlijk. Maar dat was niet om Kimmy.

Terug in zijn kamer trekt hij niet meteen zijn sneakers aan. Eerst Warcraft spelen op de laptop, dat kan nog wel, het is nog maar tien over acht. Antonio plaatst de koptelefoon half op zijn oren, zodat hij het kan horen als Pieter er weer aankomt. Al gauw verdwijnt hij helemaal in zijn game. Hij schiet en buigt zijn bovenlichaam naar voren. Hij beweegt opzij om een spervuur te ontwijken. Als hij ergens overheen moet springen, veert hij op van zijn stoel. Plotseling wordt hij geraakt. Zijn lichaam ontspant zich. Game over. Hij is dood. Dan voel je niks meer. Je ziet, ruikt, hoort niets meer. Alles is zwart. Er is niks fijns meer maar ook niks naars. Hij snapt Kimmy wel. En hij? Wat als hij nou dood gaat? Wie zijn er dan nog over om naar zijn begrafenis te komen? Zou papa er dan ook weer zijn?

Eerst herkende hij hem niet. Die dikke bos haar, grijs aan de slapen, het gerimpelde voorhoofd. Meer een mocro dan een Spanjaard. Zijn huid had de kleur van de crème die mama op haar gezicht smeerde als ze naar het café ging. Hij droeg zo’n grijze jas waar je die ministers op de tv ook altijd in ziet. En wie waren dat aan zijn zij? Die vrouw met dat opgestoken haar, een stuk jonger dan mama. En die twee meisjes? Even groot, dezelfde jurkjes. Zongebruinde spillebeentjes boven hun achterlijke roze sokjes.
Nadat de begrafenisondernemer was vertrokken, stonden ze daar. Hijzelf dicht bij zijn moeder, papa en die mensen twee meter verderop. Mama wreef ongemakkelijk aan haar neus. Papa keek hem aan. ‘Hoe gaat het nu, jongen. Ik mis je.’ Zijn stem was donker en warm. Hij haalde een pen en papier uit zijn binnenzak en schreef iets op. ‘Kom eens bij ons koffie drinken,’ zei hij.
Plotseling voelde hij mama’s arm om zijn middel. Ze trok hem dicht tegen zich aan. ‘Dat wil je niet hè, Antonio? Je wilt niet langskomen. Je wilt geen contact meer.’
Als geprogrammeerd schudde hij zijn hoofd. Maar toen stak papa zijn armen naar hem uit. Antonio deed een stap naar voren, het leek wel slaapwandelen, papa kwam in zijn richting, ze omhelsden elkaar. Antonio verborg zijn hoofd in papa’s hals, er kwamen tranen, zijn lichaam schokte, stikgeluiden ontsnapten uit zijn keel. Het was niet om Kimmy. Het was een ouder verdriet, het had er altijd al gezeten, gesluimerd, als een brommende koelkast waarvan je je pas bewust wordt wanneer het geluid ineens wegvalt.

Twintig over negen. Antonio schrikt. Als hij nu vertrekt, komt hij pas halverwege het tweede uur op school. Hij kan beter helemaal niet gaan en dan morgen zeggen dat het een misverstand is, dat hij zoals afgesproken maandag eerst zijn spullen heeft uitgepakt. In de slaapkamer naast de zijne hoort hij Pieter tegen iemand praten. Resoluut grist Antonio zijn smartphone van zijn bed, vouwt het briefje zorgvuldig achter zijn ID en sluipt naar buiten. Zo stilletjes mogelijk trekt hij de voordeur van het pand achter zich dicht. De schittering van de zon op de sneeuw in het voortuintje doet pijn aan zijn ogen. Hij trekt zijn hoodie zo ver mogelijk over zijn hoofd. Met zijn oortjes in, slentert hij de straat uit. Het gerinkel van de tram dringt maar ternauwernood tot hem door, bij het oversteken redt hij zichzelf met een reuzensprong. Zijn enkel wordt nat als die in een blubberige plas ontdooide sneeuw landt. De kerstversiering boven de straten maakt een herinnering wakker. Papa die hem optilt, bijna tot aan het plafond. Hij mocht de piek op de boom zetten. Papa’s bulderlach. Driving home for Christmas, galmt het vanuit een winkel. Een joint. Hij wil nu een joint. Op de smartphone is een coffeeshop snel gevonden, maar die blijkt gesloten. Antonio laat zich op een muurtje zakken en haalt voorzichtig het briefje uit zijn telefoonhoes. Hij staart ernaar. Zoveel vragen. Waarom? Waarom ben je weggegaan? Waarom heb je ons bij haar achtergelaten? Waarom zei mama tegen jou dat ik geen contact meer wilde? Waarom was bij mama thuis “papa” het verboden woord?

Antonio verschanst zich in een portiek schuin tegenover het pand. Is het echt hier? Drie treden leiden naar een donkergelakte voordeur met een sierlijk raster. Hoge ramen. Stijf als een lantaarnpaal staart hij naar de gevel. Zijn maag voelt alsof hij een baksteen heeft ingeslikt. Zou hij hier nog steeds wonen? En mag hij nog langskomen? Wat nou als hij boos is? Beledigd?
Plotseling gaat achter hem met veel kabaal een deur open. ‘Je staat hier toch niet te zeiken?’ Verbaasd draait hij zich om. ‘Sodemieter op, griezel!’ snauwt een vrouw in een tweedelig streepjeskostuum. ‘Je hebt hier niks te zoeken!’
Ineens kan hij weer bewegen. Niet nadenken, anders durft hij het nooit. Zijn lichaam lijkt wel een op afstand bestuurbare auto. Met grote passen steekt hij over, recht op het doel af. Wanneer hij voor de deur staat, kan hij de hal in kijken. Nog steeds lukt het hem om iedere gedachte te onderdrukken. Ferm trekt hij aan de bel. Zijn hart bonkt. Hij slikt en recht zijn rug. Gestommel. Snel haalt Antonio de hoodie van zijn hoofd en strijkt door zijn kuif. Dan gaat het raampje achter het deurraster open. Een omaatje met een Aziatisch uiterlijk kijkt hem vragend aan.
‘Cortez,’ stamelt hij. ‘Pablo Cortez?’
‘Die zijn vertrokken.’ Haar stem kraakt als een roestige schommel. ‘Althans, zijn vrouw en kinderen. Die zijn weer in Spanje gaan wonen, nadat hij is overleden.’
Antonio bevriest.
‘Die lag van het ene op het andere moment bewegingloos op de vloer, weet je. Ze heeft in paniek de ambulance gebeld, eerst hadden ze nog hoop maar na een week hebben ze de stekker eruit getrokken. Het zag zwart van de mensen op de begraafplaats. Die arme vrouw, zo jong al weduwe. Zelf ben ik mijn man ook vroeg verloren…’ Het vrouwtje babbelt door, maar Antonio hoort het niet. Als een lawine daalt het nieuws op hem neer. Pas wanneer ze, al kwebbelend, het venster zachtjes sluit, ‘dag, dag’ zeggend, realiseert hij zich weer waar hij is. Hij draait zich om. Traag en in gedachten verzonken loopt hij de trap af. Hij slentert de straat uit. De sneeuw op het trottoir verliest het van de zonnestralen. Hij trekt de hoodie over zijn hoofd. Doelloos sjokt hij door de stad. Wat nu? Waar zal hij heen gaan? Naar zijn kamer? Daar heeft hij niets te zoeken. Naar school? Dat wordt toch niks. Terug naar mama? Dat nooit. Hij steekt zijn handen diep in zijn zakken. In een park slentert hij langs een bankje waaromheen een stel jongens een bal hooghouden. Ze merken hem niet op, ze praten luidruchtig en lachen met elkaar. Hij voelt zich een schim. Wie zit er op hem te wachten? Hij is een niemand. Zijn voeten doen pijn.
Na uren passeert hij een coffeeshop. Hij koopt er een joint, steekt hem aan en zakt neer op een plastic stoel aan een tafel in een donkere hoek. De wereld om hem heen vervaagt. Mist op klaarlichte dag. Hij neemt nog een hijs. Loomheid valt als een warme deken over hem heen. Hij zucht diep, legt zijn handen op de koele tafel en laat zijn hoofd erop rusten.

***

Bianca Scholten
is werkzaam als Business Architect bij ASML in Veldhoven. Ze heeft 2 internationale bestsellers op haar naam staan over industriële automatisering. En ruim honderd artikelen en columns gepubliceerd in internationale vakbladen.

Cindy van Veldhoven:
"Creëren is de rode draad in mijn leven. Altijd al geweest! Het maakt me blij.. Al vele ideeën zijn opgeplopt en verwezenlijkt, daar is illustreren er één van. Binnenkort mijn schildering op de cover van een boek! Ik ben een gelukkig mens ;)"

Reacties

  1. Gefeliciteerd Bianca! Wat goed!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Mooie illustratie Cindy!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Gefeliciteerd! Mooi invoelend verhaal en rake, veelzeggende illustratie.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Mooi portret met krachtige wendingen, en mooi portret in wolkengrijs.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!