Winnaar juni 2024

Zomen

- Albert Huberts - Illustratie: Maaike Everaerts -


Er is iets veranderd in zijn werkcel. Toch zien de grijze betonnen wanden er nog hetzelfde uit, net als de kale peer die vanaf het plafond de raamloze ruimte verlicht. De lange stalen werkbank staat er ook nog bij als gisteren en het gereedschap ligt erop zoals hij het heeft achtergelaten: keurig in het gelid langs de rand. Ook aan de plastic bak ernaast, voor de vondsten, ziet hij niets vreemds. De anderhalve meter hoge stapel kleding rechts naast de werkbank is anders, maar die is iedere dag anders. Dan, eindelijk, valt zijn oog op de twee krukken achter de werkbank. Ze zijn identiek, met hun stalen frames en plastic zittingen. Is het extra exemplaar hem daarom niet meteen opgevallen?
Jan sluit de deur, loopt naar de krukken en trekt ze onder de werkbank vandaan. De linker is de zijne, hij herkent hem aan de diepe kras die diagonaal over de zitting loopt. Hij schuift de nieuwkomer onder de werkbank en gaat op zijn eigen kruk zitten. Terwijl hij het eerste kledingstuk naar zich toe trekt, vraagt hij zich af wat die extra kruk te betekenen heeft. Krijgt hij een collega? Zijn arm valt stil als hij de mogelijkheid overweegt. Hoe zal het zijn om een collega te hebben? Waar zullen ze over praten? Het weer? Hij heeft geen idee wat voor weer het is. Wat ze meemaken? Hetzelfde, ongetwijfeld. Hoe ze zich voelen? Hongerig en koud, iedere dag. De echt interessante onderwerpen zijn taboe: sport, politiek, religie, zelfs roddel is verboden. Misschien is hij alleen wel beter af.

Zijn vingers glijden werktuigelijk langs de zomen van een lichtbruine regenjas die betere tijden heeft gekend. Jassen hebben een nadeel: vaak is de stof zo dik dat hij alle zomen moet opentornen omdat zelfs zijn geoefende vingers niet kunnen voelen of ze iets verbergen. Jassen hebben ook een voordeel: ze zijn niet zo doortrokken van zweet als de andere kledingstukken. Deze jas is echter dun genoeg om te voelen. Jan laat de zoom tussen duim en vingers van beide handen glijden, zoals een spinster haar wollen draad. Als hij alle zomen is langs gegleden, de zakken heeft gecontroleerd op dubbele bodems en de voering losgehaald, schuift hij de jas naar rechts over het gladde metaal van de werkbank, totdat die over de rand met een doffe plof op de grond glijdt. Hij vindt zelden iets in jassen. Mensen willen hun kostbaarheden dicht bij zich dragen en een jas heb je niet voortdurend aan.
Hij pakt een lichtblauw overhemd van de stapel als de celdeur opengaat. Een bewaker duwt een magere jongen voor zich uit die Jan een jaar of elf schat, al kan hij ernaast zitten. Kinderen lijken hier allemaal even oud met hun kaalgeschoren hoofden, knokige lichamen en wetende ogen. De bewaker wijst naar de jongen en zegt: ‘Inwerken.’ Hij vertrekt zonder Jans reactie af te wachten.
Inwerken? Jan heeft nog nooit iemand hoeven in te werken. Zijn er dan meer zomenzoekers? Hij is er nog nooit een tegengekomen. Hij wenkt de jongen naar zich toe, die nieuwsgierig rondkijkt.
‘Kom hier maar zitten,’ zegt hij en trekt de nieuwe kruk naar achteren. De jongen loopt om de werkbank heen, waarbij hij ervoor oppast niet op de zojuist nagekeken jas te trappen, en gaat zitten.
‘Hallo,’ stelt Jan zich voor. Achternamen doen er niet toe, voornamen hoort hij zelden. Bevelen hebben geen namen nodig.
‘Hallo,’ antwoordt een ijle stem.
‘Weet je wat ik doe?’ De jongen schudt zijn hoofd. ‘Ik ben zomenzoeker en zoek naar dingen die mensen in hun kleren hebben verborgen.’
‘Welke mensen?’
De vraag verrast hem. Er ligt iedere morgen een nieuwe berg kleding die hij moet doorzoeken. Dat is wat hij weet, dat is wat hij hoeft te weten. ‘Dat weet ik niet.’
De jongen kijkt langs hem heen naar de kleding. ‘Wat voor dingen?’
‘Dingen waarvan ze niet willen dat ze worden gevonden.’
‘Waarom niet?’
‘Je moet niet zoveel vragen stellen.’
‘Waarom niet?’
‘Geluk bestaat bij de gratie van onwetendheid.’
Twee donkerbruine ogen tasten zijn gezicht af. ‘Wat betekent dat?’
‘Als je niet weet dat je honger hebt, mis je het eten niet. En nu stil.’
De jongen houdt zijn mond. Gelukkig maar. Jan krijgt gedachten die hij al lang niet meer heeft gehad en dat bevalt hem niets. Hij schuift het overhemd door naar de jongen. Hemden zijn gemakkelijk, soms zelfs half doorzichtig. Mooi om mee te beginnen. ‘Probeer maar eens.’
De jongen trekt een vies gezicht. ‘Het stinkt.’
‘Daar wen je aan,’ liegt Jan. ‘Hier, voel maar.’ Hij houdt de jongen de onderzoom van het rechtervoorpand voor. ‘Rustig tussen je vingers door laten glijden, zorgen dat je niets overslaat.’
De jongen is zo onhandig dat Jan het voor moet doen. Zijn eeltige vingers zien er stokoud uit naast de gladde jongenshanden. ‘Nu jij alleen, de rest van de zoom.’ Het gaat de jongen deze keer beter af, al is hij nog traag. Als hij het eind van de zoom heeft bereikt laat hij het shirt los: ‘Klaar.’ Hij kijkt er opgelucht bij en veegt zijn handen af aan z’n broek.
‘Dat denk je maar,’ zegt Jan. Hij slaat de voorpanden open en toont de jongen de afwerking bij de knopen en de knoopsgaten. ‘Kijk, hier is de stof ook dubbel, net als bij de manchetten, de schouders en de kraag.’ Hij wijst de onderdelen stuk voor stuk aan. ‘Overal waar de stof dubbel is moet je controleren, begrepen?’ De jongen knikt en Jan geeft hem het shirt terug.
Een tiental kledingstukken later doen ze hun eerste vondst. De jongen is nu zo handig dat ze zij aan zij werken. Jan heeft hem de werking van het tornmesje uitgelegd, hem over z’n schroom voor vrouwenondergoed geholpen en hem in de gang buiten de cel laten zien waar hij zijn behoefte kan doen.
Het is de jongen die de vondst doet: ‘Het knispert.’ Hij gaat met zijn vingers heen en weer over het kraagje van een gebloemde zomerjurk.
‘Geld of een briefje,’ oordeelt Jan en reikt de jongen het tornmesje aan. ‘Haal er maar uit.’
Even later geeft de jongen hem een reepje strak opgevouwen papier, dat hij in de plastic bak gooit. ‘Goed zo. Nu de jurk afmaken, soms zitten er meerdere dingen verborgen in één kledingstuk.’
De jongen kijkt hem verbaasd aan: ‘Lees je het niet?’
‘Nee.’
‘Omdat je het maar beter niet kunt weten?’ geeft de jongen zelf het antwoord.
‘Juist.’
‘Mag ik het toch lezen?’
‘Ga je gang.’
De jongen strekt zich over de werkbank, pakt het papiertje uit de bak en vouwt het open. Zijn lippen bewegen mee terwijl hij de inhoud leest. Dan vouwt hij het zorgvuldig weer dicht en legt het terug.
‘Blij dat je het gelezen hebt?’
‘Nee.’
Jan knikt tevreden. De jongen heeft een belangrijke les geleerd.

Als de zoemer gaat lopen ze naar de kantine, waar ze samen met een paar honderd andere mannen zwijgend hun lunch eten, een bord grijsgroene gruwel die even slecht smaakt als hij ruikt. Ze schrokken de onbestemde massa naar binnen.
‘s Middags laat Jan de jongen zien hoe je snel weet of er iets verborgen is in een kledingstuk door het aan het lusje bij de kraag op te tillen: als het scheef hangt, zit er iets zwaars in, zoals goud of geldstukken. Ook halen ze samen een colbertjasje uit elkaar, waarbij Jan vertelt over de structuur en waar de meest gebruikte bergplaatsen zitten. Hij merkt dat hij geniet van het gezelschap van de jongen, diens geschuifel met de voeten als die, met het puntje van de tong tussen de lippen, ongeduldig een zoom lostornt, de warmte van het kleine lichaam naast zich, de kennis die hij deelt met een leergierige geest. Ze vinden al snel een cadans, twee paar bezige vingers, de woesj over de werkbank als een kledingstuk is afgewerkt, de vondsten die ze met een armzwaai in de bak gooien. Ze vinden meer briefjes, wat papiergeld en twee ringen. Jan doet de spectaculairste vondst: als hij de hiel van een damesschoen afwrikt, valt er een ketting uit.
‘O, wat mooi,’ roept de jongen, pakt de ketting op en houdt hem omhoog. De gouden schakels blinken in het licht van de peer, smaragden werpen groene schaduwen op het werkblad. ‘Ik heb nog nooit zoiets gezien.’
‘Een zeldzame vondst,’ erkent Jan. ‘Leg maar bij de rest, dan gaan we verder.’
‘Van wie zou die zijn geweest?’
‘Dat doet er niet toe,’ zegt Jan en trekt de ketting uit de hand van de jongen. ‘Wat heb ik je nou gezegd?’
‘Ik kan het niet helpen, kan mijn gedachten toch niet stoppen?’
‘Ja, dat kun je wel,’ bezweert Jan. ‘Niet helemaal misschien, maar je kunt ze wel negeren, net zolang tot ze niet meer zijn dan achtergrondruis.’
‘Maar de vragen blijven komen, in mijn hoofd, in mijn mond.’
‘Vragen zonder antwoorden verdwijnen vanzelf.’
‘Is dat bij jou gebeurd?’
‘Ja.’
‘Duurt dat lang?’
‘Minder lang dan je denkt.’

Aan het eind van de middag haalt een bewaker de jongen op. Het is een andere bewaker dan vanmorgen, maar dat maakt niet uit, ze zijn allemaal hetzelfde. Jan neemt onhandig afscheid, niet zeker of ze elkaar weer zullen zien.
Hij ruimt de kamer op, legt de gereedschappen terug op hun vaste plek en vertrekt naar zijn slaapverblijf. Halverwege wordt hij tegengehouden: ‘Deze kant op.’
Hij loopt achter de bewaker aan, door gangen waar hij nog nooit is geweest, totdat hij in een kamer komt waar een grote stapel kleding op de grond ligt. Moet hij verder werken? Is dit zijn nieuwe werkcel? Hij ziet geen meubilair of gereedschap.
‘Uitkleden.’

***

Albert Huberts
stamt af van Hoogeveense turfschippers en Limburgse boeren. Daar zit een verhaal in, dus schrijft hij verhalen.

Maaike Everaerts
woont in het prachtige Hageland. Ze werkt deeltijds als begeleidster voor volwassenen met een beperking en is daarnaast student aan LUCA School of Arts te Brussel, afstudeerrichting Beeldverhaal. Schilderen en tekenen zijn al van kinds af aan haar passies. Ze laat zich graag inspireren door de natuur en de menselijke invloeden hierin.

Reacties

  1. Wow, wat een terechte winnaar. Erg mooi!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik ben al in 2015 met Zomen begonnen. De afgelopen jaren heb ik er telkens aan gewerkt, zonder dat ik er tevreden over was. Toch bleef ik er mee bezig omdat ik geloofde dat het een bijzonder verhaal kon worden. Daarom ben ik nu zo blij met dit juryoordeel: een verhaal waaraan je als schrijver negen jaar lang twijfelt, blijkt toch goed te zijn. Dankzij die twijfel? Sommige vragen hebben geen antwoorden. Maaike, bedankt voor je illustratie. De lege werkcel met alleen een lamp en twee krukken drukt de sfeer van het verhaal prachtig uit.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Gefeliciteerd Albert! Wat een ontzettend mooi verhaal. Heel graag gelezen.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Wat een indringend verhaal. Het achteloos wrede, zo treffend in beeld gebracht. Gefeliciteerd Albert! En Maaike, wat een mooie illustratie!

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Gefeliciteerd, ik vind het een prachtig verhaal, goed qua sfeer en details, mooi de rust genomen om het te vertellen en een verrassend en tegelijkertijd aangrijpend einde. Verdiende eerste plaats!

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Wauw, wat zit er veel in het beknopte einde, juist dankzij het uitgebeende verhaal.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Hella van de Beek27 juni 2024 om 20:14

    Wat een subliem verhaal. Als een complete film in een paar bladzijden. Aangrijpend mooi. Heel goede opbouw. Ik heb in tijden niet zo’n mooi en ontroerend verhaal gelezen.

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Verrassend en beklemmend. Prachtig geschreven!

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!