Derde plaats november 2024


Onberekenbaar

- Bregje Colen - illustratie: Kelly Driedijk -

Tim ziet hoe de geodriehoek in het kanaal valt en het bloed wolkjes maakt in het bruine water. Na een paar seconden is van de geodriehoek en het bloed niets meer te zien. Wat overblijft is een lichte rimpeling in het wateroppervlak, met in de weerspiegeling het gezicht van Tim, zijn warrige blonde haar en rooddoorlopen ogen.


‘Meneer, wanneer kijkt u de toets na?’
‘Vanmiddag.’ Tim schiet in de lach als hij de verraste gezichten van zijn leerlingen ziet.
Ze pakken hun tas in en lopen het lokaal uit. Tim controleert nog een keer zijn rooster om te zien of de laatste twee lesuren inderdaad uitvallen vanwege een excursie. Hij kan vroeg naar huis vandaag en de toets nakijken, daarna misschien een beginnetje maken met de werkstukken die er nog liggen, zijn lessen voorbereiden en aan het vakleerplan werken. Hij steekt de stapel met ruitjespapieren in zijn tas, stopt nog een halve boterham in zijn mond en verlaat de school.

Wanneer hij zijn straat in de nieuwbouwwijk in rijdt, ziet hij in de verte iemand uit een voordeur komen en de andere richting op lopen. Wie was dat? Of was dat bij de buren? De buurman die nodig zijn huis eens moet schilderen en zijn tuin ook wel eens op mag knappen. Tim kan zich daar zo aan ergeren. Zelf heeft hij pas de tegels grondig gereinigd en de struiken gesnoeid. Hij parkeert voor de deur, pakt zijn tas uit de auto, bekijkt zijn tuintje en opent de voordeur. Niet op slot, dus Sas is ook vroeg thuis vandaag. Op de mat doet hij zijn schoenen uit en zet ze op het rekje. ‘Sas?’ roept hij richting de woonkamer. Geen reactie. Hij loopt naar boven. Als hij de slaapkamer in loopt, hoort hij dat Sas aan het douchen is. ‘Sas?’ Ze had vanmorgen toch ook al gedoucht? Tims hart begint te bonzen. Hij kijkt de slaapkamer rond. Het bed is niet opgemaakt. Hij maakt het bed altijd op. De kleren die Sas vanmorgen aanhad toen hij vertrok, liggen verspreid door de kamer. Tim krijgt kramp in zijn buik en zijn oren suizen. Rustig nadenken. Misschien is ze ziek. Maar dan zou ze niet douchen, dan zou ze in bed liggen met de kleren netjes over de stoel. Nerveus, alsof hij in een slaapkamer is waar hij niet hoort te zijn, loopt hij naar het bed en ruikt aan de kussens. Het ruikt naar een man. Een andere man. Of is het zijn eigen geurtje? Hij weet het niet meer. Het duizelt. Dan gaat de badkamerdeur open. Sas stapt de kamer in en ziet Tim. De schrik in haar ogen slaat het laatste restje hoop onder zijn voeten weg.

‘Tim!’ Rob kijkt hem verbaasd aan vanuit de deuropening.
‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt Tim. Hij houdt zijn tas in zijn armen geklemd alsof het alles is wat hij nog heeft. Wat een rare vraag. Hij komt zo vaak bij Rob. Rob laat hem met een handgebaar passeren. Hij woont in een oud pand dat hij de afgelopen jaren opgeknapt heeft. Zelf gebruikt hij de studio op de begane grond. De inrichting is sober en industrieel, maar kleurrijk, met allerlei voorwerpen die Rob van zijn vele reizen meegenomen heeft. Aan de muur hangt een grote foto die hij met een selfiestick gemaakt heeft toen hij ging backpacken in Zuid-Amerika. Donkere lokken rond een zongebruinde kop, glimmend van zweet en trots. Het uitzicht op de achtergrond is fenomenaal. Op het dressoir staan nog meer foto’s en beeldjes en er liggen stenen en mineralen in allerlei kleuren en maten. Helemaal links staat de gouden geodriehoek die Rob gewonnen had met de wiskundewedstrijd op school afgelopen jaar. Ieder schooljaar wordt deze wedstrijd gehouden voor leerlingen uit de eerste en tweede klas en de docenten mogen ook meedoen, als ze geen wiskunde geven. De eerste prijs voor Rob in de categorie docenten was aanleiding geweest om na het werk gezellig te gaan borrelen met de collega’s en toen ze geen van allen meer zin hadden om te koken thuis, aten ze er nog een hapje. Tim strijkt met zijn vinger over de geodriehoek, die Sas vakkundig goud gespoten had in de tuin en op een betonnen voetje bevestigd had. Zij was altijd al beter geweest in dat soort creatieve dingen. Snel haalt hij zijn vinger terug en richt zijn aandacht op de stenen.
‘Koffie?’ Rob rommelt in de open keuken van de studio en ontwijkt de vraag die hij wil stellen. Maar hij moet wel. ‘Is alles oke?’
Tim gaat met een zucht op de bank zitten. ‘Sas gaat vreemd.’
‘Oké…’ Rob komt met twee kopjes de kamer in.
‘Ik bedoel… Sas! Hoe kan dat? Wat heb ik gemist?’
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Rob rustig en hij gaat tegenover Tim op een poef zitten.
Tim begint te vertellen. Zijn blik schiet alle kanten op en hij gaat steeds harder praten. Rob luistert.
‘Wat moet ik nou, Rob? Hoe kan ze dat nou doen?’
Rob slaat zijn ogen neer.
‘En wie kan het zijn? Een vriend kan ik me niet voorstellen. Een collega ook niet, we werken op dezelfde school! Dan hadden wij toch iets moeten merken?’
‘Heb je het haar niet gevraagd?’
‘Nee, ik ben meteen weggelopen. Ik kon het niet. Dat gezicht… ik weet het niet meer, Rob.’ Tim neemt een klein slokje van zijn koffie. Het smaakt hem niet. Hij zet het terug. Het is een hele tijd stil.
‘Misschien... is het een vriend én een collega,’ zegt Rob zacht.
‘Dat kan niet, dat zou alleen…’ Tim kijkt Rob aan. ‘Jij?’
Rob zwijgt. Tim kijkt nu pas voor het eerst goed naar hem sinds hij binnen is. Hij probeert de blik van zijn vriend te doorgronden, maar ziet niks. De woede die in hem begint te koken verblindt hem.
‘Jij?’ schreeuwt Tim nu.
‘Het spijt me.’
‘Wat spijt je? Dat Sas met mij is? Dat ik het nu weet?’ Tim hijgt. ‘Of dat ik je vriend ben? Heb je daar spijt van?’ Zijn maag duwt de koffie omhoog die brandt in zijn slokdarm.
‘Ik kan het uitleggen,’ zegt Rob kalm.
‘Uitleggen? Het is toch zo duidelijk als wat! Hoe kun je dit doen? Je weet wat ze voor me betekent!’
‘Luister, zoiets hou je toch niet tegen, Tim. Vroeg of laat...’
‘Natuurlijk hou je zoiets wel tegen! Júllie hadden het tegen moeten houden. Ongelooflijk… Was het alleen seks? Of meer? Hoe vaak trouwens?’ Een druppel spuug landt op het tafeltje.
Rob zwijgt.
‘Hoe lang al?’ Tims stem breekt. Hij wil weglopen, maar waarheen? Degene naar wie hij toe zou willen, zit tegenover hem. Met Rob deelt hij alles. Verward blijft hij op de bank zitten.
‘Zijn jullie verliefd? Wie is begonnen?’ vraagt hij.
‘Niemand is begonnen. Je weet toch hoe zulke dingen gaan.’
‘Onzin. Eerst is het er niet en dan is het er wel. Natuurlijk is er een begin, alles heeft een begin, hoe klein ook.’
‘Tim, probeer toch niet alles zo te beredeneren, te berekenen. Misschien is het daarom wel misgegaan tussen jullie.’
‘Misgegaan?!’ Tims ogen schieten vuur. ‘Er is helemaal niks mis met mijn relatie!’
Dan ziet Tim in de andere hoek van de studio het bed staan en het is alsof hij een klap in zijn gezicht krijgt. Hij probeert zich nog te verzetten, maar zijn verbeelding is sterker en toont hem flarden van Sas die bovenop Rob zit, Rob die Sas in zijn armen houdt, hoe ze vrijen, fluisteren, lachen, maar ook hoe Sas met Rob praat over haar relatie met hém, óver hem! Tim staat op, loopt naar het dressoir en pakt de gouden geodriehoek. Met één veeg maait hij alles van het dressoir op de grond. De stenen, de fotolijstjes, de beeldjes. Dan stormt hij de kamer uit en slaat de deur met een klap dicht.

Hij loopt wat door de stad, maar krijgt zijn gedachten niet op een rijtje. Wanneer hij de ergste woede kwijt is en moe wordt, wil hij naar huis. Naar huis, daar heeft hij alle recht toe. Zij moet maar gaan. Maar hij weet zelf ook dat hij haar niet buiten kan zetten. Hij is zo gek op haar. En ook zo boos. Met iedere stap dichter bij huis ziet hij meer op tegen de confrontatie, omdat hij voor het eerst in zijn leven niet zeker weet wat hij zal gaan doen. In haar armen vallen? Haar iets aandoen? Tim wil het groene parkje schuin oversteken zoals hij altijd doet omdat dat korter is, maar pakt dan toch de zijden. Hoe dichter hij bij huis komt, hoe langzamer hij gaat lopen.

Haar jas hangt er niet. Haar telefoon en sleutels zijn ook weg. Hij kijkt naar de tafel. Ze heeft haar laptoptas en schoolboeken meegenomen. School. Morgen. De gedachte Sas of Rob daar tegen te komen maakt hem misselijk van angst. Hij ploft op de stoel. Ze kunnen elkaar onmogelijk ontlopen op school, ze zien elkaar iedere dag. Zouden de collega’s het weten? De vriendengroep van school? Zou hij de enige sul zijn die van niets wist? Hij ziet weer voor zich hoe hij laatst Frans, de collega aardrijkskunde van Rob, bij het kopieerapparaat trof. Had die toen niet wat vreemd naar hem gekeken? Was het medelijden misschien? Of verbeeldt hij zich dit nu allemaal? Ze zijn toch verdomme vrienden. Tim wrijft over zijn gezicht en gaat op zoek naar iets te eten. Hij opent wat kastjes, maar heeft nergens zin in. Hij pakt een glas water en gaat weer aan tafel zitten. Of Simone en Sas laatst, die stopten met praten toen hij binnenkwam en lachten. Zouden de leerlingen het weten? Zou verdomme de hele school hem achter zijn rug uitlachen? Tim, de sukkel, die altijd de teksten van zijn collega’s mag controleren op taalfouten, ook al geeft hij wiskunde. Wiskunde, een voorspelbaar vak, met duidelijke regels. Rob heeft gelijk. Hij vindt het fijn om te kunnen rekenen, het geeft hem houvast. Dus hij is niet zo’n avonturier als Rob, nou en? Hij denkt aan Sas die met haar handen door Robs haar gaat, zijn borst streelt en wat allemaal nog meer. Hij springt op en rent naar het toilet. Het glas water komt naar buiten. Tim blijft braken tot zijn ogen tranen. Hij kan niet terug naar school, echt niet. Sas is daar, Rob is daar, iedereen is daar. Hij gaat op bed liggen en doet zijn ogen dicht, in de hoop dat hij even kan wegglijden in het niets. Maar steeds wanneer de slaap komt, schiet hij wakker van de pijn in zijn borst en weet hij het weer. De tijd kruipt voorbij. Hij moet afleiding zoeken, bezig blijven.
Tim staat op en pakt een nieuw glas water en twee paracetamollen. Hij veegt de tafel netjes schoon, legt de post op de ene hoek en de onderzetters op een strak stapeltje op de andere hoek. Er steekt er altijd eentje uit, alsof die niet helemaal rond is. Het liefst gooit hij hem weg, maar dat vindt Sas onzin. Het glas zet hij op een perfect exemplaar en hij schuift totdat het precies in het midden staat. Hij opent zijn laptop. Een e-mail van de conrector. Of hij de moeder van een leerling uit de tweede met spoed terug kan bellen. Och ja, die jongen had hij uit zijn les verwijderd. Tim pakt zijn telefoon, maar legt die met een diepe zucht weer weg. Niet nu. Misschien moet hij toch proberen iets te eten.

Het kleine hapje brood valt melig uit elkaar in zijn mond. Zijn ogen branden, zijn hoofd klopt, maar toch pakt hij de stapel toetsen en een rode pen uit zijn tas en legt die voor zich. Bezig blijven. Hij staart naar opdracht 1 op het blaadje dat bovenop ligt. Een mooi regelmatig handschrift. Hij ziet hoe de leerling de rechthoekige driehoek netjes met potlood getekend heeft en de berekening eronder uitgeschreven heeft. Tim denkt aan de les met de blokjes, een les die altijd goed valt, niet alleen omdat het de stelling van Pythagoras inzichtelijk maakt, maar ook omdat de leerlingen het fijn vinden praktisch bezig te zijn bij zijn vak. Tim strijkt met zijn hand over de driehoek. In gedachten ziet hij het vierkant van drie bij drie blokjes langs de korte zijde liggen, vier bij vier langs de lange zijde en vijf bij vijf langs de hypotenusa. Het is alsof hij zelf in de rechte hoek staat met aan het ene eind Sas en aan het andere eind Rob. Blijkbaar is de liefde tussen Rob en Sas zo groot, dat ze hun relaties met hem bij elkaar opgeteld op het spel hebben gezet. Het klopt niet, het klopt niet. Hij zelf en Sas zijn C, in het kwadraat, altijd al geweest, niet Rob en Sas. En B en A kunnen… kunnen de… Met de rode pen krast Tim de zijden weg, eerst met kleine kringeltjes, dan met steeds stevigere halen. De punt scheurt door het papier en het blad kreukt. Tim blijft als een bezetene krassen, hij ruikt de inkt. Als hij beseft dat hij het werk van zijn leerlingen kapotmaakt, laat hij met een zucht de pen op het blad vallen en schuift de hele stapel opzij. Morgen een volle lesdag. Hij zal toch iets voor moeten bereiden. Hij loopt naar de keuken voor koffie, bedenkt zich dan en loopt naar de kast. Hij schenkt een whisky in, gaat aan tafel zitten en kijkt welke klassen hij heeft. Als hij zijn agenda ziet, slaat hij het glas in één keer achterover.

Met barstende hoofdpijn en slappe benen loopt Tim de volgende ochtend de school in. Hij probeert het moment dat hij anderen onder ogen moet komen nog even uit te stellen en gaat eerst naar het berghok om de krat met blokjes te halen. In het benauwde hok leunt hij tegen de stelling en haalt een paar keer diep adem. Hij had zich ziek moeten melden, hij heeft geen oog dichtgedaan. Maar dat is nu te laat. Hij probeert de dag wel door te komen, met de blokjes. Als de misselijkheid wat gezakt is, pakt hij de krat en legt op het deksel nog wat extra geodriehoeken. Er zijn altijd leerlingen die er geen bij zich hebben en hij kan inmiddels voorspellen wie dat zullen zijn. Met de krat onder zijn arm loopt hij naar het lokaal, maar zorgt ervoor dat hij de route neemt die niet langs de personeelskamer leidt. Het geluid van kinderstemmen dringt zich aan hem op. Het is druk in de aula en er staan al leerlingen bij zijn lokaal. Om de herrie nog even buiten te sluiten, loopt hij zo rustig mogelijk verder. Zijn knieën knikken en zijn mond is droog.
‘Goedemorgen, meneer. Heeft u de toets nagekeken?’
‘Goedemorgen, jongens. Nee, nog niet.’ Tim grabbelt met zijn vrije hand naar de sleutelbos in zijn broekzak. Dan ziet hij aan het einde van de gang twee collega’s. Het zijn Sas en Rob, samen. Ze lopen zijn richting op. Wat komen ze doen? Excuses maken? Hem vertellen dat ze nu samen zijn? Tim begint te zweten. De sleutel trilt in zijn hand. Hij kan nog weglopen en thee gaan halen. De les begint pas over vijf minuten. Hij kijkt de andere kant op, waar de gang richting de trap en de personeelskamer leidt. Daar ziet hij de conrector zijn kant op komen. Hier heeft hij nu helemaal geen zin in. Hij twijfelt. Sas en Rob komen al dichterbij.
‘Meneer, heeft u de punten?’
‘Nee, nog niet.’
‘Maar u zou het nakijken.’
‘Ik weet het, meisje, er kwam iets tussen.’
Tim probeert de sleutel in het sleutelgat te steken. De geodriehoeken schuiven van de krat op de grond. Hij vloekt binnensmonds. De jongen naast hem begint ze op te rapen. Intussen is de rest van de klas ook naar het lokaal gekomen.
‘Meneer, is de toets goed gemaakt?’
‘Ik weet het niet. Ik heb ze nog niet bekeken.’
‘U zou ze gisteren meteen nakijken.’
‘Ja, maar…’
‘U zei dat u ze na zou kijken.’
Verkeerde sleutel. De conrector komt dichterbij. Hij komt duidelijk voor Tim, want hij loopt nu recht op hem af. De jongen legt de geodriehoeken terug op de krat onder Tims arm. Eentje glijdt weg. Tim vangt hem op met zijn andere hand.
‘Heeft u de toets nagekeken?’ De stem van het kind snerpt in zijn oren.
Sas en Rob staan nu bij hem. Ze kijken naar hem. Om hen heen duwen en trekken de kinderen in de smalle gang. Tim krijgt geen lucht. Waarom gaat die deur niet open?
‘Krijgen we de punten?’ Een leerling tikt op Tims arm.
‘Heb ik het goed gemaakt, meneer?’
Tim staat met zijn rug tegen de deur.
‘Tim…’ begint Sas. Dan explodeert de druk in zijn borst, alsof een hete vuurbal zijn lichaam probeert te verlaten via zijn hoofd. Daar knapt het. Tim ziet niets meer. Een schreeuw heel dichtbij, een ruk aan zijn arm. Hij is het zelf. Zijn keel brandt, zijn arm trilt. Gegil. Tim ziet weer. Hij trekt de geodriehoek terug. Hij ziet bloed, veel bloed. Het gegil vermenigvuldigt zich. In de chaos begint Tim te lopen, weg van Sas, weg van de gillende kinderen, weg hier. Hij loopt door de gang, de trap af, de klapdeuren door, het plein over. Frisse lucht. In zijn oor een harde suis. Het lopen wordt rennen. Hij rent en rent, minutenlang, over het fietspad, door de straten, door de wijk, richting de rand waar het water is. Hij rent totdat hij niet meer kan. Boven op de brug stopt hij. Met zijn linkerhand zoekt hij steun aan de reling. Zijn ademhaling piept. Hij kijkt naar zijn rechterhand. Overal bloed, op de geodriehoek die hij nog steeds in zijn hand klemt, op zijn arm, zijn ruitjesoverhemd. Zijn greep verslapt. Hij voelt waar de punt stevig in zijn handpalm gedrukt heeft.
Het kind.
Het gezicht van dat kind.
Tim zakt tegen de reling, zijn bovenlichaam over de rand. Hij kijkt naar het water en laat het stuk plastic vallen.

***

Bregje Colen
werkt als docent NT2 aan de TU Eindhoven en studeert filosofie. Ze kijkt, luistert, leest en schrijft graag. Ze heeft een aantal ultrakorte verhalen gepubliceerd.

Kelly Driedijk heeft van jongs af aan een passie voor tekenen gehad. Wat begon met potlood of pen en papier is in de loop der jaren geëvolueerd naar het gebruik van een iPad met de app Procreate. Haar inspiratie haalt ze voornamelijk uit de natuur, maar haar tekeningen hebben altijd een stoer randje, vergelijkbaar met tatoeages.

Reacties

  1. Prima en beeldend verhaal, compliment Bregje!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Gefeliciteerd Bregje! Heel mooi, dit verhaal.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Goed geschreven Breg! Spannend daar hou ik van.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Sorry, dit verhaal is te kinderlijk verteld en mist diepgang.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dat maakt het natuurlijk niet een slecht verhaal

      Verwijderen

Een reactie posten