Ueno Park, Tokyo
- Michel Reinders - illustratie: Pieter Drift -
Allerliefste Schat,
Vanmiddag nam Yumi mij mee naar de bloeiende kersenbomen in het Ueno Park. Zie je het voor je? Een paar Japanse schoolmeisjes flaneren over de brede laan onder het witte dak van bloemen. De zon maakt kleine lichtjes van de witte bloemblaadjes. De meisjes kwetteren in hun vogeltaaltje en wijzen op Yumi en mij. Ze overwinnen hun schroom en willen op de foto met een reus uit een ver land. Giechelend maken ze zich uit de voeten terwijl ze suggestieve gebaren maken over Yumi en mij.
Wees gerust, allerliefste. Er speelt niets tussen Yumi en mij. Ze had onze dochter kunnen zijn. Ze is net zo oud als onze lieve Sterre toen ze verongelukte. Yumi wil met me praten om Engels te leren en ondertussen laat ze me de stad zien. Wees gerust. Niemand kan in jouw schaduw staan. Het liefst had ik hier met jou gelopen. Onze vingers verstrengeld, wandelend in onze droom.
Het is stervensdruk in het park. De bloesemtijd is kort. Heel Tokyo vergaapt zich aan de maagdelijke schoonheid van de bomen. Yumi en ik vinden een plekje op een bankje dat in het grind staat. Keurig aangeharkt in rechte lijnen. Japanners zijn geobsedeerd met orde en harmonie, zelfs tot in de kleinste details. Hoe anders is de chaos in mijn hoofd met lijnen die in een onontwarbare knoop zijn geraakt. We kijken over de vijver naar de bootjes die dobberen in het water. Op beide oevers staat een dubbele rij kersenbomen. De bloesem hangt als een pluizige deken in de takken en legt een roze gloed over het water. Een briesje doet de wit-roze bloemblaadjes door de lucht dwarrelen als grote sneeuwvlokken. Ik denk aan onze bruiloft. De bloemblaadjes die gestrooid werden, de foto waarop jij staat met de blaadjes in je haar. De glimlach op je gezicht; we keken elkaar aan en ik beloofde voor altijd de jouwe te zijn. Ik moet bijna huilen als ik er aan denk. Jij bent mijn kersenbloesem, mijn schat.
Ik vertel Yumi over ons. Ze slaat een arm om me heen. Als een kip zonder kop ben ik vertrokken naar het land waar jij geboren bent. Wat moest ik doen? Waar moest ik heen? Ik ben gevlucht naar onze droom, naar het land waar je wortels liggen en je verbonden bent met de aarde. Je wilde het ziekenhuis zien in Kobe, waar je ter wereld kwam en, als ultieme droom, de heilige berg beklimmen. We maakten plannen. We bekeken de diverse routes die leiden naar de top van de Fuji. Welk pad zouden we kiezen? Hoe vroeg moesten we opstaan voor de laatste klim? De laatste etappe start in diepe duisternis en leidt naar het licht, de zonsopgang op de top. De ‘goraiko’, zoals de Japanners dat noemen, de komst van het licht, een mythische ervaring. We zouden samen gaan, ooit, eens, een keer. Ik ratel maar door en vertel je allerlei dingen die je allang weet. Ik heb de behoefte om ze te vertellen, opnieuw en opnieuw, in een poging je vast te houden.
Ik vertel Yumi over onze eerste ontmoeting. Hoe dom ik was om niet te snappen dat we voor elkaar bestemd waren. Als jij niet het initiatief genomen had, waren we nooit bij elkaar gekomen. Ik aarzelde te veel. Jij was altijd al sterker en doortastender dan ik. Sterker ook toen de politie voor de deur stond om te vertellen wat er met onze Sterre gebeurd was. Je droeg het verdriet zonder erdoor verlamd te raken. Ik wou dat ik dat kon. Je wees naar de fonkelende sterren in de nachtelijke hemel en zei: ‘kijk, Sterre knipoogt naar ons.’ Je kon van die mooie dingen zeggen. Ik kon alleen maar huilend op de bank zitten, totdat jij zei dat ik weer aan het werk moest. Je zei dat op een liefdevolle manier, zonder verwijt, maar wel zo helder dat er niets anders opzat dan te doen wat je zei.
Yumi en ik kijken naar de bomen die pronken aan de oever van het water. Tot voor kort prikten de takken als zwarte, dode vingers in de koude winterlucht. Het is onvoorstelbaar hoe de bloemen exploderen uit de takken. We verbazen ons erover hoe een boom die winters-doods oogt, diep van binnen een onvoorstelbare levenskracht heeft. Ik ben jaloers op de bomen die na een barre winter zoveel schoonheid kunnen vertonen.
Het lukt me niet om Yumi te vertellen wat er die ochtend gebeurde. Ik weet zelf niet wat me bezielde en waarom ik heb gedaan wat ik deed. Lieverd, je hebt geen idee hoe ik me in de nesten heb gewerkt. Ik heb je advies nodig, al weet ik wat je gaat zeggen.
Het lijkt een eeuwigheid geleden, al is het niet meer dan een paar dagen, dat je vroeg opstond omdat je wilde douchen voordat je naar je werk ging. Ik lag in het warme bed, zonlicht piepte tussen de half geopende gordijnen. Ik las de krant op mijn telefoon. Vanuit de badkamer klonk een harde klap. Ik vroeg wat er aan de hand was. Je antwoordde niet. Ik sprong uit bed en stond in twee stappen naast de douche. Je lag verfrommeld in een hoekje, water stroomde over je heen en er spoelde bloed uit je oor. Er lag een dode blik In je ogen. Wat was er met je gebeurd?
‘Gaat het?’ riep ik, terwijl ik zag dat het niet meer ging en nooit meer zou gaan. Ik nam je in mijn armen, wiegde je, hopend dat je zou ontwaken. Kletsnat werd ik. Wat deed het er toe? Ik bleef hakkelen: ‘Zeg dat het niet waar is.’ Je antwoordde niet.
Uiteindelijk heb ik de kraan dichtgedraaid, je afgedroogd, en je in een nachtjapon gewurmd. Zachtjes legde ik je in bed, voorzichtig als een baby. Duizend gedachten schreeuwden in mijn hoofd. Wat moest ik doen? Onze Luna bellen en vertellen dat haar moeder vertrokken is om bij Sterre te zijn? Ik had de moed niet. Nee, niet opnieuw. Ik heb de gordijnen gesloten en je een kus gegeven. Door de tranen in mijn ogen veranderde de wereld in een waas. Daarna heb ik mijn koffer gepakt, vloekend omdat ik mijn paspoort niet kon vinden. Waar berg je die dingen toch altijd op? Wat haalde ik in mijn hoofd? Dat het helpt als je wegrent? Wordt de waarheid minder waar als je je ogen sluit? Ik weet dat je hoofdschuddend naar me kijkt; naar de voor mij ongekende daadkracht, noem het blindheid, die mij de verkeerde richting opstuwt. Ja schat, het is stom wat ik deed.
Ik vertel Yumi over de droom die ik zonder jou moet dromen. Ik vertel haar over de duisternis waarin ik wandel, verlangend naar het licht. Ik moet de tocht maken zonder jou. Stap voor stap, struikelend in het donker, meter voor meter.
Inmiddels heeft Luna mij meerdere berichtjes gestuurd. Ik had niet de moed haar terug te bellen. Luna bellen betekent dat het waar is. Dat ik onder ogen moet zien dat je alleen nog leeft in mijn herinnering. Ik ben bang dat ik het afscheid niet aan kan. Misschien is het laf. Kan je het laf noemen als je de waarheid niet wilt weten omdat die vreselijk is? Ik hoor je stem in mijn hoofd, zachtjes, liefdevol en helder als altijd. Ja, ik beloof je dat ik Luna zal bellen; ja vanavond nog, meteen als deze brief af is.
Spoedig keer ik terug naar huis. Er zit niets anders op. Het moet met de moed der wanhoop. Ik beloof je een ding, lieve schat, thuis plant ik een kersenboom in onze tuin. Speciaal voor jou.
Voor altijd de jouwe,
M.
***
Michel Reinders publiceert columns in het tijdschrift GZ-Psychologie over zijn vak als psycholoog. Hij is een fervent beoefenaar van de Japanse krijgskunst Aikido. Daarnaast schrijft hij korte verhalen en volgt een opleiding bij de Schrijversacademie.
Mooi verhaal!
BeantwoordenVerwijderen