Derde plaats december 2024

 



De laatste vluchteling

Clasina Adriaan



Venlo, Nederland – Winter, 1704

De sneeuw viel gestaag, geluidloos, en bedekte alles in een dikke laag. Ze trok de deurgrendel stevig dicht en wreef haar handen langs haar schort. Haar vingers waren stijf van de kou en rood van het werk. Het vuur in de haard knetterde vrolijk, maar de warmte bereikte nauwelijks de hoeken van de herberg. Het was een eenvoudige ruimte: houten banken langs de wanden, een stevige eiken tafel in het midden, en de geur van rook en hout die overal hing. Ze keek naar de glazen panelen in het raam, waar haar adem een dunne waas achterliet. Buiten zag ze niets anders dan sneeuw, die zich stil ophoopte op de kale weg.

Ze duwde haar schouder tegen het houten luik en sloot het met een stevige klik. Het glas hield de kou buiten, maar de luiken beschermden tegen de wind die door elke kier probeerde binnen te sluipen. De vloer kraakte onder haar voeten terwijl ze terugliep naar de tafel. Nog één handeling, en de nacht was stil. Stilte betekende veiligheid. Stilte hield de wereld op afstand. Haar ogen dwaalden naar de vloer, waar de groeven een vertrouwd patroon vormden. Het was altijd hetzelfde. De sneeuw kwam, de dagen gingen. Zolang ze bezig bleef, voelde ze zich nuttig. Maar soms, als de wind even ging liggen, vroeg ze zich af wat er verderop was—buiten de heuvels, voorbij de bossen. Ze schudde de gedachte weg. Haar plek was hier.

Een klop doorbrak de stilte. Zacht, alsof het zich verstopte in het gehuil van de wind. Ze stond stil, haar hand rustte op de tafel. Een tweede klop volgde. Haar adem stokte terwijl ze naar de deur keek. Niemand reisde met dit weer. Ze liep naar de deur en sloot haar vingers stevig om de grendel. “Wie is daar?” vroeg ze. Stilte volgde.

Ze opende het kijkluikje, en de kou sloeg tegen haar gezicht. Buiten, gehuld in het grijze licht en de vallende sneeuw, stond een man. Zijn mantel hing zwaar van de sneeuw, zijn schouders gebogen alsof hij het gewicht van de hele winter droeg. Zijn gezicht was bleek en gespannen, en zijn hand klemde zich om zijn zij. Toen hij opkeek, ontmoette zijn blik de hare. Zijn ogen waren diep, dringend, met een glimp van angst.

"Help..." fluisterde hij, zijn stem rauw en vreemd. Hij zakte door zijn knieën in de sneeuw. Ze bleef staan, haar hand verstrengeld om de rand van het luik. Een deel van haar wilde het luik sluiten, de stilte herstellen. Niemand zou weten dat hij hier was geweest. Maar toen zag ze hoe zijn adem in wolkjes opstak, hoe zijn vingers zijn zij omvatten alsof hij iets probeerde te beschermen. Iets in haar borst kneep samen.

Ze haalde diep adem en schoof de grendel los. De deur kraakte in haar hand toen ze hem opendeed. De kou gleed naar binnen, scherp en genadeloos. “Kom op,” zei ze, harder dan bedoeld. Ze pakte hem onder zijn arm en trok hem naar binnen. Zijn adem stokte en schokte, warm tegen haar slaap. Zijn laarzen sleepten over de vloer, terwijl ze hem naar binnen bracht, waar de smeltende sneeuw donkere plassen achterliet op de houten planken.

Ze liet hem zakken op de houten bank bij het vuur. Zijn hoofd hing naar voren, zijn adem hortend, terwijl een donkere vlek bloed zich door zijn mantel verspreidde. Ze bleef even staan, haar adem onregelmatig, terwijl ze haar blik over hem liet glijden. Pas toen de kou langs haar armen kroop, realiseerde ze zich dat de deur nog openstond. Haar handen grepen de rand van haar schort terwijl ze zich haastig omdraaide en de grendel stevig op zijn plaats duwde. Een moment bleef ze staan, haar hart bonzend in haar borst, terwijl de wind huilde door de naden van de herberg. Toen draaide ze zich langzaam weer naar hem om.

Hij zat roerloos, zijn hand op zijn zij geklemd, zijn ogen gesloten. Voorzichtig vulde ze een emmer met warm water en doopte een doek. Ze kende hem niet, wist niets van hem, behalve dat hij Frans was. Ze had het gehoord aan zijn stem, de zachte klanken die niet thuishoorden in deze omgeving. Zijn aanwezigheid in haar vertrouwde ruimte voelde onwerkelijk, alsof een droom zich in haar eigen huis nestelde. Maar nu was hij hier, een onbekende, zijn leven in haar handen.Ze hurkte voor hem neer, het doek stevig vastgeklemd. Net toen ze de mantel opzij wilde schuiven, schoot zijn hand omhoog en klemde zich om haar pols.
“Non,” zei hij scherp, zijn ogen plotseling open. Zijn blik was donker en waakzaam, alsof hij haar bewegingen probeerde te doorgronden. Ze verstijfde, haar adem stokte in haar keel.
“Ik wil helpen,” fluisterde ze, haar stem voorzichtig maar duidelijk. “Aider?” Het woord voelde vreemd in haar mond, alsof ze de juiste klank niet kon vinden. Zijn blik gleed langzaam van haar gezicht naar haar hand. Na een moment knikte hij traag, alsof hij een besluit nam.
“Aider,” herhaalde hij, zijn stem laag en gebroken. Zijn hand gleed van haar pols, al leek hij even te twijfelen. Ze wees naar de doek in haar hand en maakte een schrobgebaar. “Schoonmaken.”
Hij ademde moeizaam in en trok zijn mantel los. De stof was zwaar en zijn bewegingen traag en stijf. Ze aarzelde, maar stak haar hand uit. Hun huid raakte elkaar kort, een aanraking die haar hartslag versnelde. Ze voelde hoe zijn adem haar slaap beroerde toen hij naar haar opkeek. Zijn blik was kort en zoekend, voordat hij de mantel van zijn schouders liet glijden.
Zijn hemd was donker van bloed en strak van zweet. De rafelige rand zat vastgeklemd in zijn broek. Hij pakte de onderkant vast, trok het los en schoof het met moeite omhoog. Het linnen onthulde een snee die diagonaal over zijn zij liep. Het bloed was opgedroogd, maar de wond bleef open en ruw. Ze slikte.
Ze dacht aan haar broer, die nooit was teruggekeerd. Wat als hij ooit op een deur had geklopt, koud en gewond? Wat als niemand had opengedaan, zoals zij bijna niet had gedaan? Het beeld flitste door haar gedachten, scherp en pijnlijk, maar ze schudde het van zich af.
“Het valt mee,” fluisterde ze, meer tegen zichzelf dan tegen hem. Haar handen trilden licht toen ze het doek voorzichtig op de wond legde. Hij spande zijn kaak toen het warme water de rand raakte, maar bleef stil. Alleen zijn ademhaling, zwaar en onregelmatig, verraadde de pijn. Ze werkte langzaam, haar blik op de wond gericht, terwijl ze zich bewust bleef van zijn aanwezigheid. Zijn ademhaling leek een ritme te vinden in de stilte, en de warmte van zijn huid leek zich uit te breiden, alsof het door de ruimte golfde. Het liet haar borst onrustig tintelen, alsof ze iets voelde dat ze niet kon benoemen. Ze ving zichzelf op bij de gedachte, haar adem kort. Dit was een vreemdeling. Niet meer.
“Étienne,” zei hij plotseling, zijn stem doorbrak de stilte, alsof hij haar iets belangrijks wilde vertellen. Ze keek op.
“Étienne?” herhaalde ze voorzichtig, haar tong struikelend over de klank. Haar blik ontmoette de zijne. Zijn ogen leken haar af te wegen. Hij knikte langzaam.
“En jij?” vroeg hij, zijn stem zachter nu. Ze slikte. “Hanne,” zei ze uiteindelijk. Haar naam voelde eenvoudig in vergelijking met de zijne, maar het klonk juist in deze ruimte. Het leek alsof de naam altijd al bij deze plek hoorde.
“Anne,” probeerde hij. Zijn uitspraak was aarzelend, alsof hij het woord niet kon pakken. Ze glimlachte even. “Bijna,” zei ze rustig. “Hanne.” Hij knikte, alsof hij haar goedkeuring accepteerde, ook al hoorde hij het verschil niet.
Toen de wond schoon was, wikkelde ze een doek om zijn zij en bond die stevig vast met een lap van de plank. Zijn ademhaling leek rustiger, minder gejaagd. Terwijl ze opstond, voelde ze hoe haar handen nog licht trilden. Ze draaide zich om en legde de mantel over hem heen. Zijn ogen volgden haar beweging, alsof hij haar nog steeds afwoog.
Net toen ze de emmer wilde wegzetten, klonk een klop op de deur. Haar adem stokte. Ze keek naar de grendel, maar maakte geen beweging. Een tweede klop volgde, luider, vastberadener. De klop kwam opnieuw, ongeduldig. Buiten hoorde ze het trappelen van een paard en het zachte knerpen van laarzen in de sneeuw. Soldaten.
Het geluid dreef het bloed naar haar hoofd. Ze keek naar Étienne, wiens hoofd met een ruk omhoog schoot. Zijn blik gleed naar de deur en verstijfde.
“Non,” fluisterde hij, zijn stem scherp. “Niet... open doen.”
Étienne schuifelde naar de hoek naast de haard, waar een stapel houtblokken en een oude deken lagen. Hij trok de deken over zich heen, zijn mantel verborgen onder het losse linnen. Zijn adem was kort en onregelmatig, alsof zelfs het kleinste geluid hem zou verraden. De flakkerende schaduwen van het vuur tekenden zijn contouren vaag op de muur. Hanne’s blik bleef even hangen op de plek waar hij zich verborg. Als ze niet snel handelde…
“Open de deur!” riep een stem buiten. De klop werd luider, dringender. Het geluid leek door haar ribben te trillen. Ze voelde hoe haar handen tintelden, haar vingers verstijfd rond het hengsel van de emmer.
Ze pakte snel een doek uit de emmer en veegde over de natte plekken op de vloer. Haar voeten schoten vooruit, glijdend over de vloer. Haar knieën voelden slap terwijl ze richting de deur liep. Ze wierp een korte blik op Étienne’s schuilplaats. Zijn ogen ontmoetten de hare, een woordeloze waarschuwing. Hij schudde bijna onmerkbaar zijn hoofd.
Hanne slikte en haalde diep adem. Ze opende het kleine luikje in de bovenkant van de deur. De wind sneed haar gezicht alsof het haar ademhaling wilde stelen. Twee mannen stonden buiten in de sneeuw. De grotere van de twee droeg een strak uniform, zijn hand rustte op de hilt van zijn zwaard. De kleinere, met een pistool in zijn riem, keek haar scherp aan, zijn blik een harde lijn.
“Wat is er?” vroeg Hanne, haar stem lager dan normaal. Ze dwong zichzelf rustig te klinken. “De gasten slapen.”
“Open de deur,” zei de grote man. Zijn blik gleed naar de sneeuw die zich opstapelde tegen de drempel. “We zoeken een Franse soldaat. Hij is gewond.”
Hanne aarzelde, haar vingers om de grendel geklemd. Ze trok de deur langzaam een schouderbreedte open. De koude wind gleed naar binnen en prikte langs haar wangen. De kleinere soldaat stapte naar voren en greep de rand van de deur. Zijn knokkels kleurden wit. Zijn ogen gleden over haar heen, langs haar schouders naar de kamer.
“Wat is dat?” vroeg hij, wijzend naar een vochtige doek op de tafel.
Hanne’s mond was droog. “De sneeuw waaide naar binnen toen ik de deur sloot,” zei ze. Haar woorden klonken schor, nauwelijks hoorbaar.
De man kneep zijn ogen samen. Hij stapte naar voren, zijn zware laarzen kraakten op de houten vloer. “Als je liegt…” begon hij dreigend, terwijl zijn blik langs de muren gleed. Zijn hand rustte op het pistool aan zijn riem en zijn ogen bleven hangen bij de haard.
Hanne voelde hoe haar hartslag versnelde, alsof ze een onweerstaanbare storm in haar borst probeerde te bedwingen. Net toen de soldaat nog een stap naar binnen zette, klonk gestommel op de trap.
“Wat is dat voor lawaai?” vroeg een zware stem. Hanne draaide zich met een ruk om. Haar vader kwam langzaam de trap af, een kaars in zijn hand. Het flikkerende licht wierp lange schaduwen op de muren. Zijn grijze haar zat in de war, en hij hield de leuning stevig vast. Hij keek naar de soldaten met een priemende blik.
De grotere soldaat richtte zich tot hem. “We zoeken een Fransman, meneer. Heeft u iets gezien?” vroeg hij beleefd, maar er lag een dreiging in zijn toon.
Hanne’s vader hield de kaars omhoog en keek naar de soldaten alsof hij hun hele wezen doorgrondde. “Mijn dochter heeft u toch gezegd dat er niemand is?” vroeg hij kalm. “Hanne liegt niet. Ze heeft deze herberg altijd netjes gehouden. Als zij zegt dat er niemand is, dan is dat zo.”
De kleinere soldaat leek te twijfelen, zijn ogen gleden nogmaals over de kamer. Zijn blik bleef hangen bij de haard, waar de schaduwen onrustig flikkerden. Hanne hield haar adem in, terwijl haar schouders strak stonden.

De grote soldaat keek zijn collega aan. “We hebben geen tijd om overal rond te kijken,” zei hij kort. “Het is goed zo. Als u hem ziet, meldt het ons.”
Hanne knikte langzaam. “Natuurlijk,” zei ze. Haar stem klonk vlak, haar lichaam trilde terwijl ze de deur langzaam sloot.
De voetstappen van de soldaten kraakten in de sneeuw. Hanne draaide zich om, haar blik gleed naar haar vader, die haar zwijgend aankeek. “Wat wilden ze?” vroeg hij.

“Ze zoeken iemand,” zei Hanne. “Een Fransman.”
Haar vader snoof. “Als je verstandig bent, blijf je uit de buurt van dat soort volk. Weet je nog wat ze de vorige keer hebben gedaan toen ze hier waren? Brand, plundering…” Zijn stem stokte, alsof de herinnering hem de adem benam.
Hanne knikte. Ze zei niets, haar keel voelde bekneld.
Haar vader draaide zich om en ging terug naar boven, zijn voetstappen traag en zwaar. Hanne bleef staan tot zijn schaduw verdween. Pas toen hoorde ze een beweging vanuit de hoek. Étienne kwam tevoorschijn, zijn bewegingen moeizaam en voorzichtig, alsof hij elk geluid vermeed.
Étienne leunde tegen de muur, zijn ademhaling onregelmatig. De schaduwen van het vuur dansten over zijn gezicht, waardoor zijn uitputting nog zichtbaarder werd. Hanne draaide zich van de deur weg en liep naar hem toe. Ze bewoog door de ruimte die altijd zo vertrouwd voelde, maar nu vreemd leek door zijn aanwezigheid. Haar gedachten waren een wirwar, maar de spanning dwong haar in beweging.
Ze zijn weg," zei ze fluisterend in de stilte. Haar ademhaling ging langzaam weer gelijkmatiger, maar haar schouders bleven gespannen.
“Merci,” zei Étienne schor. Zijn ogen ontmoetten de hare, een mix van opluchting en schaamte in zijn blik. Hij zakte neer op de houten bank bij het vuur, alsof zijn benen hem niet langer konden dragen.
Hanne ging naast hem zitten en tikte met haar vingers op haar knie, het ritme onregelmatig. Ze wist dat ze moest spreken, iets moest zeggen, maar de woorden bleven hangen in haar keel.
“Ik weet niet waarom ik je help,” zei ze uiteindelijk, haar stem breekbaar. Maar terwijl de woorden haar lippen verlieten, wist ze dat ze niet volledig waar waren. Er was iets aan hem—zijn blik, zijn aanwezigheid—dat haar raakte op een manier die ze niet begreep.
Étienne keek op. Er schemerde een flauwe glimlach door op zijn gezicht. “Toch… doe je het,” zei hij. Zijn accent legde een zachte toon in de woorden, die vreemd geruststellend klonken.
Hanne knikte zwijgend, stond op en draaide zich om. Haar handen vonden een schaal op de plank, en met vastberaden gebaren begon ze brood en een stuk kaas te verzamelen. Terwijl ze het voedsel in een doek wikkelde, gleden haar gedachten weg, net als de stof die telkens uit haar vingers gleed bij het leggen van de knoop. Waarom hielp ze hem? Was het medelijden? Plicht? Of iets diepers, iets dat ze niet onder woorden kon brengen? Ze draaide zich naar hem om, het pakket stevig in haar handen. “Hier,” zei ze. “Je hebt dit nodig.”
Étienne nam het aan, zijn vingers raakten vluchtig de hare. Voor een moment bleef hij stil, zijn handen stevig om het voedsel geklemd. “Waarom?” vroeg hij uiteindelijk. Het woord was eenvoudig, maar het raakte haar als een vraag die dieper ging dan het moment.
Hanne haalde adem, haar gedachten leken haar te ontglippen. “Omdat…” Ze pauzeerde en sloot haar ogen even, alsof ze de juiste woorden wilde vangen. “Omdat iemand moet helpen,” zei ze uiteindelijk. Omdat ik het niet kon toen het erom ging. Haar stem klonk vast, maar haar hart voelde wankel.
Étienne’s blik bleef op haar rusten, zijn ogen leken haar te doorgronden. Toen knikte hij langzaam, alsof hij haar woorden accepteerde zonder verdere vragen. “Dank je,” zei hij zacht.
“Je moet rusten,” zei Hanne, haar stem iets steviger. “De schuur is koud, maar…” Ze aarzelde even. “Het is beter dan hier te blijven. Ze kunnen terugkomen.”
Étienne’s frons verzachtte, en hij knikte. “Ik begrijp het.”

Hij plaatste een hand op de bank voor steun, zijn vingers wit van de druk, voordat hij moeizaam overeind kwam.
Hanne pakte een lantaarn van de muur en stak hem aan. Het flakkerende licht vulde de kamer met zachte schaduwen. Ze gaf hem de lantaarn, en hun handen raakten elkaar weer kort. Hij hield haar blik vast, zijn ogen zachter nu.
“Tot… ooit,” zei hij. De woorden klonken alsof ze meer droegen dan afscheid.
Hanne’s adem stokte.
Ze voelde de kou van de nacht door de kieren van de deur, maar het was de warmte in zijn blik die haar vasthield. “Ooit,” herhaalde ze. Het woord hing tussen hen in, breekbaar en vol belofte.
Étienne draaide zich langzaam om en liep naar buiten, zijn voetstappen knarsend in de sneeuw. Het licht van de lantaarn flakkerde terwijl hij richting de schuur liep, een eenzaam baken in de duisternis. Hanne bleef staan, haar vingers om de deurpost geklemd alsof die haar op haar plaats hield. Ze wist niet of ze hem morgen zou zien.
Ze draaide zich om en sloot de deur, haar hand nog even op de grendel rustend. In de stilte van de kamer hoorde ze alleen haar eigen ademhaling. Terwijl ze naar het vuur liep, voelde ze een onverwachte warmte in haar borst. Geen zekerheid, geen belofte. Alleen het besef dat deze ontmoeting iets in haar had veranderd.


                                                                                    ***


Clasina Adriaan werkt als Wmo-consulent in de Zaanstreek, waar ze gewend is om veel te schrijven voor de gemeente. Toch kriebelt het al jaren om haar creatieve kant te ontdekken en een boek te schrijven. Als kind was ze altijd met boeken in de weer, en dat leesplezier is nooit verdwenen. Een schrijfwedstrijd met een thema, woordlimiet en deadline voelt voor haar als de perfecte manier om haar eerste stappen te zetten in de wereld van het schrijven.

Illustratie: AI Image Creator

Reacties

Een reactie posten