Deadline inzendingen: 31 jan 23.59
Manuscript van de Maand
Gezocht: Jurylid

Derde plaats januari 2026


Het feest van de Dood tussen kerst en nieuwjaar

- Ana van den Berg - illustratie: Michele D'Asaro -

Er was eens, ver achter de velden waar geen voetstap ooit klonk, een huisje dat alleen in de laatste week van het jaar licht gaf, alsof het wist dat mensen in die dagen zachter ademen, sneller huilen en langzamer lopen, omdat de wereld dan even niet vooruit hoeft maar terug mag kijken, en omdat zelfs de meest nuchtere mens in die dagen het gevoel krijgt dat tijd iets is dat je kunt aanraken—een draad, een sluier, een rand van stof die je tussen duim en wijsvinger kunt pakken.
Het huisje staat aan de rand van een bos dat alleen bestaat voor wie niet meer terug hoeft, een bos zonder paden en zonder namen, niet omdat het vergeten is, maar omdat het zichzelf niet hoeft te bewijzen, en de bomen staan er zo dicht op elkaar dat zelfs de wind er niet graag praat, alsof elk ritselend blad een geheim zou kunnen verraden dat beter onuitgesproken blijft.
Daar woont de Dood.
Niet zoals mensen hem tekenen als ze bang zijn, met botten en een hongerige grijns, niet met een zeis die blinkt in maanlicht, maar als iemand die al zolang bestaat dat hij niet meer hoeft te imponeren, iemand die geen wreedheid draagt maar gewicht, geen dreiging maar volledigheid, alsof hij de sluitsteen is van een boog waar het leven onderdoor loopt, soms dansend, soms strompelend, maar altijd in beweging.
Hij is niet wreed.
Hij is de hoeder van stilte.
De bewaker van het laatste lichtje dat mensen achterlaten.
Overdag is het huisje bijna onzichtbaar, alsof het zich inhoudt, alsof het weet dat de levenden er niets te zoeken hebben zolang ze nog bezig zijn met boodschappenlijstjes en agenda’s en plannen, en zelfs de vogels houden afstand, niet uit angst maar uit een soort instinctief respect, zoals je in een kerk zachter praat zonder dat iemand dat hoeft te vragen.
Maar in de laatste week van het jaar verandert alles.
Niet alleen op Kerstavond.
Het begint op Kerst, ja, omdat Kerst de avond is waarop mensen doen alsof de wereld een tafelkleed is dat je glad kunt strijken, zodat er geen vouwen meer zichtbaar zijn, geen verdriet, geen scheuren, geen plekken waar de tijd aan rafelt, en iedereen een stoel krijgt, zelfs de doden, die in het gesprek niet genoemd worden maar wel meeluisteren vanuit de stiltes tussen de woorden.
Precies om middernacht, wanneer de eerste nieuwe minuut van Kerst begint, ontwaakt het huisje, en achter de ramen brandt licht—niet fel, niet feestelijk, maar warm en zacht, alsof iemand een kaars aansteekt voor iets dat nog geen naam heeft.
De Dood staat dan op, langzaam, zonder haast, omdat haast voor de levenden is, en hij opent de deur.
En dan komen ze.
Duizenden lichtjes zweven tussen de bomen door, over velden en rivieren, langs dorpen waar kerstliedjes nog in de lucht hangen als uitgeademde herinneringen, langs ziekenhuizen waar de gangen ook op Kerst ruiken naar schoonmaakmiddel en koffie, langs slaapkamers waar iemand wakker ligt met het gevoel dat de dag te groot is om alleen te dragen.
Het zijn de laatste wensen van wie dat jaar gestorven is, maar ook—en dat is het verschil met andere jaren—de restjes van wat ze niet hebben kunnen zeggen, de zinnen die bleven steken in een keel die al te moe was, de gedachten die te laat kwamen, de zachte ‘ik ook’ die nooit uitgesproken werd omdat iemand dacht dat er nog tijd was.
De Dood vangt elk lichtje op, voorzichtig als sneeuw, en in elk lichtje zit een fluistering die geen woorden nodig heeft maar toch woorden maakt in hem, alsof hij een boek leest dat zichzelf vanzelf vertaalt.
‘Zorg dat ze weten dat ik van ze hield.’
‘Ik ben niet bang geweest—echt niet.’
‘Laat hem alsjeblieft niet denken dat hij faalde.’
‘Zeg haar dat ze mag lachen, ook als het voelt als verraad.’
‘Ik ben weg, maar ik ben niet kwijt.’
Sommige wensen zijn helder en klein, zoals een speld die je in je jaszak vindt en ineens weer weet van wie hij was, andere zijn groot en zwaar, alsof iemand een hele kamer vol liefde in één lichtje heeft geperst, en weer andere zijn zo breekbaar dat ze bijna niet durven te branden, maar de Dood bewaart ze allemaal, omdat zijn taak niet is om te kiezen, maar om te dragen.
Wanneer de laatste wens binnen is, sluit hij de deur, niet om buiten te houden maar om binnen te beschermen, en dan begint wat hij zelf, zonder ironie, zijn feest noemt.
In het midden van de kamer staat een boom.
Geen groene boom, geen dennengeur, geen glimmende ballen, geen slingers die schreeuwen om aandacht, maar een boom van zwarte takken, grillig en eerlijk, als hout dat de winter al eeuwen kent, en aan elke tak hangt hij een lichtje: een herinnering, een gedachte, een laatste adem die nog één keer warm wil zijn.
Hij hangt ze niet op volgorde, niet op naam, niet op leeftijd of belang, want hij weet dat liefde zich niet laat rangschikken, en soms hangen twee lichtjes dicht bij elkaar omdat ze bij elkaar horen zoals handen bij elkaar horen, en soms laat hij ruimte omdat sommige herinneringen adem nodig hebben, en terwijl hij werkt ziet hij beelden die hij niet maakt maar ontvangt: een moederhand die loslaat, een man die nog één grap maakt, een kind dat vraagt of het pijn doet en zich dan ontspant bij het woord ‘nee’, een hond die bij de deur blijft liggen omdat hij nog niet begrijpt dat wachten nu iets anders betekent.
Wanneer de boom vol hangt, gaat de Dood zitten en fluistert—alsof hij het niet tegen zichzelf zegt maar tegen de tijd zelf: ‘Dit is mijn Kerst: ik bewaak wat jullie liefhadden.’
En dan verschijnen ze.
Zachte silhouetten van licht, niet als geesten met gezichten, maar als vormen die lijken op aanwezigheid: een schouderlijn, een glimlach zonder mond, een beweging die je herkent zonder dat je kunt aanwijzen waarom, en ze spreken niet, want woorden zijn een taal van mensen die nog proberen te regelen, maar ze knikken, ze glimlachen, en sommigen dansen langzaam als sneeuw die geen haast heeft om de grond te raken.
De Dood kijkt toe, want kijken is zijn vorm van bidden.
Toch is dit jaar anders.
Tussen de lichtjes zit er één dat niet hoort waar het hangt, een klein, dof lichtje dat niet flikkert van afscheid maar van twijfel, alsof het niet weet of het wel binnen mag, en de Dood voelt iets wat hij zelden voelt: aarzeling, niet omdat hij bang is, maar omdat hij herkent wat hij niet kan plaatsen.
Hij loopt naar de boom, houdt zijn hand bij het lichtje zonder het aan te raken, en luistert.
Er is geen wens.
Alleen een vraag.
Geen laatste wens van iemand die sterft, maar een wanhopige vraag van iemand die nog leeft en toch al half in de winter van zichzelf verdwaald is: Is er nog een reden om te blijven?
De Dood neemt het lichtje voorzichtig van de boom, want sommige dingen hang je niet op; sommige dingen neem je mee.
Buiten is het bos stiller dan stil, en toch beweegt de wereld daarachter, want de levenden hebben deze dagen de neiging om te bewegen alsof ze niet willen voelen, en hij laat zich door het lichtje leiden, over kilometers die voor hem geen kilometers zijn, tot hij bij een kamer komt waar een vrouw op de rand van een bed zit met haar knieën opgetrokken, haar handen om haar eigen polsen alsof ze zichzelf probeert vast te houden, en op de tafel staat een kopje dat koud is geworden naast een tweede kopje dat niet meer wordt gebruikt.
Ze fluistert: ‘Als je er nog bent… laat me dat dan weten,’ en het klinkt niet als een gebed maar als iemand die zijn laatste lucifer afstrijkt in de hoop dat er nog warmte uit komt.
De Dood laat het lichtje los.
Het daalt neer op haar schouder, zo licht als een sneeuwvlok, en de vrouw schrikt niet, ze huilt niet eens meteen, maar ze ademt dieper dan ze al weken deed, en haar schouders zakken een fractie, alsof iemand van binnenuit zegt: je hoeft niet meteen te verdwijnen, je mag nog even blijven.
‘Het lijkt alsof ik niet alleen ben,’ fluistert ze, en in die zin zit precies het dunne draadje waaraan een mens kan blijven hangen.
De Dood kijkt toe, niet trots, niet ontroerd zoals mensen het woord ontroerd bedoelen, maar met een stille erkenning: dit is ook sterven, maar dan van wanhoop, en soms is dat het enige dat hij kan en mag wegnemen zonder iemand te verliezen.
Wanneer hij terugkeert naar zijn huisje, staat de boom nog vol, de silhouetten wachten, en de dagen na Kerst beginnen.
De tussen-dagen.
De dagen waarin mensen niet meer weten wat het is: vakantie of leegte, rust of verveling, en waarin de wereld voelt als een station waar je even moet wachten maar niet weet op welke trein, en iedereen ineens de rommel van het jaar ziet liggen—onuitgesproken ruzies, vergeten beloften, slechte nachten, dingen die nooit zijn afgemaakt—omdat het nieuwe jaar aan de deur staat en je denkt dat je eerst schoon moet zijn om binnen te mogen.
In die dagen gebeurt iets bijzonders bij de Dood, iets wat alleen hij ziet omdat niemand anders naar het einde durft te kijken alsof het ook een begin kan zijn.
Naast de lichtjes van de gestorvenen komen er nu andere lichtjes.
Kleiner. Onrustiger. Soms zelfs scherp, alsof er een randje schuld aan zit.
Het zijn geen laatste wensen.
Het zijn de dingen die levenden achterlaten in de laatste week van het jaar zonder het te merken: spijt die je pas voelt als je stilvalt, heimwee naar een versie van jezelf die je kwijt bent, het besef dat je je moeder te weinig belt, dat je te hard bent geworden, dat je eigenlijk ergens anders had willen wonen, dat je te lang ‘morgen’ hebt gezegd tegen dingen die ‘nu’ vroegen.
De Dood vangt ook die lichtjes op, omdat hij weet dat mensen denken dat hij alleen komt halen, maar dat hij in werkelijkheid vooral bewaart wat niemand anders bewaren wil.
Hij hangt ze niet in de boom.
Hij legt ze op tafel, in een cirkel, alsof hij een kalender maakt van alles wat nog niet is uitgesproken, en elke avond, als de wereld weer een dag dichter bij oudjaar schuift, steekt hij één van die lichtjes aan en kijkt wat erin zit, en hij ziet een man die op 31 december altijd lacht maar deze keer niet kan lachen omdat hij zijn broer mist, hij ziet een meisje dat zich voorneemt minder te eten en tegelijk verlangt naar iemand die haar gewoon mooi vindt zonder voorwaarden, hij ziet een vrouw die haar huwelijk ‘nog even volhoudt tot na de feestdagen’ omdat ze bang is voor stilte.
En dan komt oudjaarsavond.
De avond waarop mensen vuur maken om het donker te overstemmen, alsof lawaai iets oplost, alsof knallen de tijd kunnen breken en je daarmee iets nieuws kunt afdwingen, en terwijl overal champagnekurken ploppen en mensen elkaar omhelzen alsof ze een overwinning vieren, komen bij de Dood de zwaarste lichtjes binnen.
Niet omdat mensen dan meer sterven—sterfte luistert niet naar feestdagen—maar omdat mensen op oudjaarsavond opeens eerlijk zijn in hun eenzaamheid, omdat het aftellen iets wreeds heeft: het zegt dat je moet meedoen, dat je moet glimlachen, dat je moet wensen, dat je moet geloven, en als je dat niet kunt, voel je je nog verder buiten de wereld staan dan op een gewone maandag.
De Dood opent zijn deur.
En dit keer zweven niet alleen wensen naar binnen, maar ook voornemens, die rare, kwetsbare dingen die mensen maken alsof ze zichzelf in januari opnieuw kunnen uitvinden, alsof je verdriet kunt resetten zoals je een telefoon reset.
‘Ik ga beter voor mezelf zorgen.’
‘Ik ga hem loslaten.’
‘Ik ga eindelijk kiezen voor wat ik echt wil.’
‘Ik ga niet meer zo hard zijn.’
‘Ik ga blijven.’
De Dood kijkt naar dat laatste lichtje, dat woord ‘blijven’, en hij herkent het: het is van de vrouw op het bed, en hij begrijpt dat ze het niet alleen zegt tegen het nieuwe jaar, maar tegen zichzelf, tegen de afgrond in haar hoofd, tegen alles wat haar deze week heeft geprobeerd te overtuigen dat ze niet hoeft te bestaan.
In het huisje staat de boom nog, maar nu verandert het ritueel.
De Dood hangt de wensen van de doden hoog in de takken, omdat die lichtjes licht mogen zijn en vrij, maar de voornemens van de levenden hangt hij lager, dichter bij de grond, omdat voornemens pas echt zijn als je ze kunt aanraken, als je ze elke dag in het gezicht kunt kijken zonder weg te draaien.
En dan, wanneer het in de wereld bijna twaalf uur is, wanneer overal stemmen beginnen te tellen—tien, negen, acht—gaat de Dood naar buiten.
Hij stapt het bos uit en staat aan de rand van de velden, waar je de horizon kunt zien, en hij kijkt naar al die plaatsen waar mensen staan met glazen in hun hand, waar kinderen wakker mogen blijven, waar iemand zich groot houdt omdat er bezoek is, waar iemand op de wc huilt omdat het ineens te veel is, en precies op het moment dat de wereld ‘nul’ roept, gebeurt er iets wat niemand ziet maar iedereen voelt.
Heel even valt er een stilte.
Niet de stilte van leegte, maar de stilte van overgang.
Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt, omdat hij weet dat hij iets belangrijks doet: hij laat los.
En in die ene ademloze seconde voelt de Dood iets dat hij niet “hoop” noemt, want hopen is een menselijk woord, maar hij voelt het wel: dat de levenden zichzelf niet altijd hoeven te verliezen om iets nieuws te worden.
Dan barst het vuurwerk los.
De lucht staat vol licht dat niet bewaart maar verdwijnt, licht dat vooral wil laten zien dat het er is, en toch—tussen al die knallen door—stijgen uit het huisje van de Dood de kleine, zachte lichtjes op, de wensen en de voornemens en de restjes verdriet, en ze verspreiden zich, niet als spektakel, maar als iets wat precies op de juiste plek wil landen.
Een lichtje daalt neer op de schouder van een man die “gelukkig nieuwjaar” zegt maar eigenlijk “ik mis je” bedoelt, en hij schrikt even, niet van het lichtje, maar van de plotselinge warmte in zijn borst, en hij zegt niets, maar later die nacht stuurt hij toch een bericht naar zijn broer: ik hou van je, zomaar, zonder reden.
Een lichtje landt op de hand van een meisje dat haar laatste oliebol vasthoudt en zichzelf haat om haar honger, en ze voelt—heel even—dat ze niet een project is dat af moet, maar een mens die geleefd wil worden, en ze eet, langzaam, zonder straf.
Een lichtje raakt de nek van een vrouw die haar partner aankijkt en ineens weet: na vandaag ga ik niet meer doen alsof, en in plaats van meteen weg te rennen, legt ze haar hand op tafel en zegt: ‘We moeten praten, maar niet om te vechten—om te leven.’
En het lichtje van de vrouw op het bed—dat lichtje dat “blijven” heet—landt opnieuw, maar nu niet op haar schouder: het landt in haar hand, alsof het zegt: dit is van jou, houd het vast, en de vrouw sluit haar vingers eromheen, alsof ze een klein, warm steentje vasthoudt dat niet kan smelten.
In het huisje wordt het stil.
De Dood blaast niet tegen de boom zoals op Kerst, want dit is geen terugsturen meer, dit is uitstrooien, en hij kijkt naar de lege plekken tussen de takken waar lichtjes hingen die nu in de wereld zijn, en hij begrijpt dat zijn taak niet alleen is om te sluiten, maar ook om door te geven.
Nieuwjaarsnacht gaat over in nieuwjaarsdag.
Overal hangen slingers scheef, overal ruikt het naar rook en restjes, en mensen worden wakker met een hoofd vol mist en een hart dat even niet weet of het vooruit wil of terug, en dat is precies het moment waarop het verhaal van de Dood het meest waar is, omdat nieuwjaarsdag altijd een beetje misleidend is: hij belooft een schone start, maar je neemt jezelf mee, en ook je gemis, en dat is geen mislukking, dat is een bewijs dat je hebt liefgehad.
De Dood gaat weer zitten in zijn stoel bij het raam.
In het bos beweegt niets, en toch is de wereld daarachter vol beweging, en hij ziet, zonder te kijken zoals mensen kijken, dat sommige lichtjes zijn geland en al weer bijna vergeten worden, omdat mensen snel terugvallen in oude gewoontes, maar hij ziet ook dat sommige lichtjes blijven hangen, klein en koppig, zoals een geur die je ineens terugbrengt naar iemand die je kwijt bent.
Heel soms, wanneer de sneeuw nog ligt en de lucht helder is, ziet iemand in de verte een schaduw over het veld glijden.
Niet eng.
Warm.
Zoals een jas om je schouders op een moment dat je niet wist dat je het koud had.
En als iemand dan denkt: ben je er nog?—dan is er soms, heel soms, een antwoord dat geen woord is maar een gevoel, een zachte druk op de schouder, een gedachte die niet van jou lijkt en toch precies bij je past:
Ik ben niet weg. Ik ben anders.
En ergens, ver achter de velden waar geen voetstap ooit klonk, dooft in het huisje van de Dood het licht langzaam uit, niet omdat het verhaal klaar is, maar omdat het nieuwe jaar nu aan de levenden is, en de Dood—die hoeder van stilte—tevreden is met één eenvoudige waarheid die hij elk jaar opnieuw ziet, hoe vaak mensen ook denken dat ze hem moeten vrezen:
dat afscheid en begin soms in dezelfde hand passen.
Alsof hij zegt:
‘Het jaar wisselt.
Maar liefde blijft.’

***

Ana van den Berg:
Ik schrijf graag verhalen waarin afscheid, herinnering en menselijk centraal staan. In mijn verhalen is de dood geen einde maar een stille aanwezigheid die ruimte laat voor herinnering, troost en een nieuw begin. Ik werk in de uitvaart als overledenenverzorgster.

Michele D'Asaro
is geboren en getogen in Rome en woont sinds zijn studietijd in Nijmegen. Na omzwervingen in onderzoek en wetenschapspopularisering is hij nu docent wis- en scheikunde voor internationale studenten. In zijn vrije tijd schildert hij graag, een passie die hij eindelijk met de buitenwereld begint te delen na deze jarenlang in de onderste lade te hebben verborgen.

Reacties

  1. Mooooi verhaal en prachtige illustratie!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik zie nu hoe dit verhaal de 3000 woorden heeft kunnen overstijgen door een kleine telfout.

    Door het gebruik van het em-streepje zonder spaties—zoals de Engelsen doen—tellen sommige tekstverwerkers minder woorden omdat ze het em-streepje als koppel-teken interpreteren en de twee omliggende woorden als één interpreteren.

    De tekst heeft dus 3004 woorden. (geen 3005 want het beletselteken is geen woord, maar wordt soms wel meegerekend)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Correctie het zijn toch 3005 woorden ipv 3004, ook als je corrigeert voor het beletselteken. Ik telde op de een of andere manier zelf verkeerd.

      Verwijderen
  3. Geert Marcel G Barbier22 januari 2026 om 09:33

    Ontroerend mooi

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Dit verhaal telt 28 keer 'alsof' en heeft wat mij betreft een hoog ChatGPT-gehalte.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Helaas ben ik het daarmee eens. Buiten het feit dat het een mooi verhaal is, is inderdaad het woord alsof opvallend. Maar ook hoe het verhaal soms meandert in A-typische metaforische AI taal en de brede tussenstrepen, die ook veelvuldig door AI teksten worden gebezigd. Laten we hopen dat we ongelijk hebben.

      Verwijderen
  5. Prachtig. Dit is een verhaal dat blijft hangen.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Linda den Enting22 januari 2026 om 15:06

    Mooi verhaal en prachtig geschreven!

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Ik vind het een mooi verhaal, een mooi concept. Maar ik werd afgeleid door het veelvuldig gebruik van de formulering 'niet X, maar Y'. Ook dit is iets wat AI vaak voorstelt.

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Poëtisch, mild, menselijk hoewel ik A.I. niet kan uitsluiten: ik denk het niet, maar vrees een beetje van wel en zo ja, dan voel me genomen.

    BeantwoordenVerwijderen
  9. Ik vind het een mooi verhaal. Je zou kunnen beginnen met ‘Er is’ in plaats van ‘Er was eens’. Want het is er nog steeds, toch?

    BeantwoordenVerwijderen
  10. Ik ben het eens met wat al gezegd is: dit leest onmiskenbaar als een verhaal van A.I. Zonde.

    BeantwoordenVerwijderen
  11. Wat een uitzonderlijk zorgvuldig en gelaagd verhaal. De manier waarop de Dood wordt neergezet—niet als dreiging, maar als hoeder, drager, doorgever—voelt tegelijk oud-mythologisch en verrassend menselijk. Ik bewonder vooral het ritme: de zinnen ademen, nemen de tijd, maar verliezen nooit hun spanning. De overgang van de doden naar de levenden, van wensen naar voornemens, is subtiel en betekenisvol, zonder uitlegdrang. Dit is een tekst die niet wil imponeren, maar blijft hangen—zoals de lichtjes zelf. Prachtig.

    BeantwoordenVerwijderen
  12. Volgens AI is er een reële kans dat het AI is. Maar zeker is dat niet.
    Bij het vorige verhaal van deze auteur kwam dezelfde feedback, overigens.
    Als het AI is, kan het twee kanten op. Is het een auteur die AI gebruikt in de hoop dat het onopgemerkt blijft? Of is het een auteur die een statement wil maken? (Zo ja, welk?)
    Als het geen AI is, heeft de auteur wel een erg bijzonder talent: verhalen schrijven die aan AI doen denken: hyperconsequent qua stijl, perfect afgerond, zonder spoor van een menselijke auteur. Hoedje af.

    BeantwoordenVerwijderen
  13. Ik wil toch even reageren op de vermoedens dat dit verhaal door AI is geschreven. Dat lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk. Dit verhaal als geheel, met deze spanningsboog, morele consequentie en emotionele timing? Dat ruikt naar iemand die weet wat verlies is, en wanneer je moet zwijgen. Mijn oordeel:
    AI is eventueel gebruikt als hulpmiddel — maar zeker niet gedragen door AI

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten