Ik... dichter/moordenaar
- Peter Meijer - illustratie: Jo Neels
Het was eind mei en koud voor de tijd van het jaar, slechts een graad of dertien.
De zon bleef weg, alsof ze zich ergens achter een wolkenmuur had teruggetrokken en mij niet geboren wilde zien worden. Aan het begin van de avond gleed ik uit het lichaam van mijn moeder, een overgang van warm naar koel. Er was niets feestelijks aan. Eerder het gevoel dat ik aan iets begon waar niemand om had gevraagd.
Het huis waarin ik ter wereld kwam, geloofde in orde en netheid en beschikte over de bijbehorende Calvinistische handleiding. Kerk, Bijbel en gehoorzaamheid waren de drie pilaren waarop men de dag liet rusten. Het gezin waarin ik opgroeide geloofde in zondagsrust en niet in plezier of verlangen.
Maar verlangen heeft zijn eigen wet, het luistert niet naar psalmen, het zoekt een uitweg in huid, in adem, in de gaten tussen verboden gedachten.
Ik zeg niet dat ik toen al wist wat ik later zou doen, maar elke stem heeft een oorsprong, elke aanraking een schaduw, elk woord een voorgeschiedenis.
Later zouden ze zeggen dat ik een groot dichter was. Later zouden ze zeggen dat ik vrouwen misbruikte, dat ik daden verrichtte die in geen enkele literaire biografie thuis horen. Maar toen, op die onschuldige dag in mei, was ik alleen maar een lichaampje dat adem haalde en dat door anderen als een kind werd gezien. Een kind dat niets wist van zichzelf, maar al wel de mogelijkheid in zich droeg om een dichter en moordenaar te worden.
Ik geloof dat iedereen er altijd vanuit is gegaan dat ik ooit iemand zou liefhebben zoals dat hoort, netjes verdeeld, een balans tussen geven en nemen,. Wederzijds, met een zekere beleefdheid tegenover het bestaan van die ander. Maar ik herinner me geen moment waarin ik werkelijk het bestaan van vrouwen als afzonderlijk wezen heb aanvaard.
Dat noemden ze later “gevaarlijk.” Ik noemde het eenvoudig, noodzakelijk.
Niet dat ik mij “misdadig” voel , ik voel helemaal niets in dat opzicht. Mensen herinneren mij steeds in termen die mij niet raken. Psychopathie is een woord dat buiten mij om werd uitgesproken, in de gangen van ziekenhuizen. Ik heb geluisterd naar die woorden alsof iemand een insect onder glas bestudeerde en zelf vergat dat het insect iets kon willen.
Men zegt dat ik vrouwen heb gevolgd, maar wat is volgen anders dan aandacht geven? Ik wilde ze zien bewegen, ademen, verdwijnen in een steegje, zodat ik kon nagaan hoe de duisternis zich om hen plooide. Alsof ik de infrastructuur van verlangen bestudeerde. Als dichter heb ik de beweging van het lichaam willen noteren, als object van bewondering, als terrein waarin mijn wil kon worden afgedrukt zoals woorden op papier.
De psychiaters noemden het “obsessie,” maar zij spraken altijd van buitenaf. De arts observeert, noteert, stelt vast; hij leeft nooit binnen het materiaal dat hij analyseert. Een dichter leeft binnen zijn materiaal. Het verschil is fataal, maar nooit voor mij.
Dat idee van “schuld”, ik vermoed dat niemand ooit verwachtte dat ik mezelf zou afvragen of ik te ver was gegaan. Maar ik ken de afstand tussen hier en daar niet. Ik ken alleen het onmiddellijke. De hand die sluit om een pols. Het lichaam dat zich verzet maar tegelijkertijd toegeeft. De taal waarmee men mij tegenwoordig veroordeelt, is een taal van het systeem, de mijne is altijd de taal van de beweging geweest.
Het pistool. Ja. Men heeft daar iets van dreiging in gezien. Ik zag het slechts als een instrument; het luidste argument van de wil. Ik droeg het bij me zoals ik ook een pen bij mij droeg. Het was een precisie-voorwerp, iets waar mee ik mij het beste kon uitdrukken.
Wat men “seksueel geweld” noemt, heb ik nooit als geweld gevoeld. De wereld was al geweld, vanaf mijn eerste herinnering. Mijn daden waren ordelijk in dat geweld, bijna rustig. Als men zegt dat ik struikelde over grenzen, dan zeg ik: er waren geen grenzen voordat ik erdoorheen ging.
Ik geloof niet dat ik anders had kunnen leven. Het verlangen was nooit een beslissing. Het was het eerste feit. Alles daarachter was secundair.
En als er ooit spijt zou moeten bestaan, dan zou iemand anders die moeten dragen. Niet ik. Wat noodzakelijk is, vraagt geen rechtvaardiging. Het voltrekt zichzelf. Altijd.
Cathrien
Ik heb vaak gehoord dat ik haar bang maakte. Angst is slechts een eerste lichaamstaal: het lijf dat begrijpt dat het niet de controle heeft. Cathrien behandelde haar lijf altijd alsof het haar bezit was. Dat vond ik grappig, pathetisch zelfs. Mensen denken dat een lichaam van henzelf is, terwijl het in werkelijkheid circuleert in andermans verlangen. In het mijne, dus.
Wat zij aanzag voor intimiteit, haar lippen, dat voorzichtige huidcontact, dat was voor mij alleen een ingang. Een sluiproute naar binnen. Ik zal het zo zeggen: ik voelde mij pas mens wanneer ik haar kon dwingen om mijn aanwezigheid te accepteren. Laat anderen daar maar moraal op plakken: het ging mij om fysiek bewijs. Macht is tastbaar, anders is het hooguit beleefdheid. En ik ben nooit beleefd geweest.
Ze was bang, ja. Soms voelde ik haar hele lichaam trillen nog voor ik haar aanraakte. Maar angst is geen argument; het is een fysieke erkenning van macht. Ik wilde de lijn van haar borsten vasthouden om te voelen of zij doorhad wat mijn aanwezigheid betekende. Geen romantiek, alleen dat absolute weten: jíj behoort aan míj toe.
En als haar lichaam zich terugtrok, volgde ik gewoon. Een lichaam blijft een lichaam, ook wanneer het vlucht. Het vlees verraadt altijd wat het nodig heeft: onderwerping aan iemand die sterker verlangt dan jij kunt ontkennen.
Ik weet nog hoe ik daarboven stond, boven bij haar slaapkamer, alsof het huis zelf mij wenkte. Het leek mij absurd dat iemand zou zeggen dat ik daar niet mocht zijn, alsof muren ooit iets tegenhielden wat mij toebehoorde.
Ik klom langs de regenpijp naar haar dakraam.
En toen ik het raam bereikte, hoorde ik geluiden, voetstappen onder me. De vader. Die man die me beval te verdwijnen alsof hij enige zeggenschap had over mijn verlangen.
Hij riep iets over krankzinnigheid, over een wapen, alsof hij mijn lichaam kon bevelen weg te gaan van het hare. Ik herinner me vooral dat mijn vingers al op het kozijn rustten, alsof ik nog maar één beweging nodig had om haar te bezitten. Maar ik liet me wegjagen, als iemand die tijdelijk uitstel krijgt, maar niet definitief afstand hoeft te nemen.
Want Cathrien lag daar nog steeds, in die kamer. En ik wist dat zij uiteindelijk zou moeten buigen voor mijn aanwezigheid. Dat was geen misdaad. Dat was een natuurwet.
Utrecht
De advertentie voor het kamertje hing achter een beslagen ruit. De vochtkringen leken te bewegen, alsof de tekst op het papier ademde. Kamer te huur, rustige heer gewenst. Ik lachte bijna hardop om dat woord “heer”, maar ik besloot dat het goed genoeg was. Ik wilde een plek waar niemand vroeg waar ik vandaan kwam, of waar ik mee bezig was.
De voordeur werd geopend door een geest die zich Roeltje van Es noemde, een vrouw, zeven jaar ouder dan ik, die uit vermoeid vlees leek te bestaan; haar lichaam droeg de sporen van zorg en uitputting. Zij sprak kortaf, bijna argwanend.
“U komt voor de kamer?”
Ze zei het niet vriendelijk, alsof dichters nu eenmaal mensen waren die je liever niet in huis wilde, maar soms moest nemen bij gebrek aan beter.
Het huis rook naar aardappels en natte wol. De trap kraakte. Ik hoorde ergens boven iemand rond lopen. Later zou ik weten dat het de dochter was, Bep, zestien jaar.
De kamer was klein, donker, de ramen beslagen door het vocht. De lucht voelde bedompt, of misschien was dat mijn eigen gewicht dat op alles drukte. Ik betaalde vooruit, alsof ik daarmee alvast toegaf dat ik geen plannen had om snel te vertrekken.
Nog voordat ik ging zitten, voelde ik het: ik was hier niet echt welkom. En toch bleef ik. Roeltje was een vrouw die voorwerpen herschikte alsof ze de orde van haar verleden daarmee kon herstellen. Haar handen bewogen nerveus over tafelbladen, foto’s, pannen, alsof het leven alleen draaglijk was als alles zijn plaats vasthield.
Ze sprak weinig, maar als ze het deed, was het zonder omhaal.
“Mijn dochter is wat verlegen, ik wil dat u afstand tot haar houdt” zei ze bij onze eerste maaltijd. Bep bleef de eerste avond op haar kamer.
Ze keek me daarbij net iets te lang aan, alsof ze wilde peilen wat ik dacht.
Ik voelde een lichte spanning in mij. Kinderen, meisjes, jonge vrouwen, ze waren velden waar ik niet mocht komen, en juist daarom voelde ik dat iets in mij erheen trok, als een instinct dat ik onmogelijk kon verklaren.
Ze rookte ’s avonds een klein sigaretje voor het raam, terwijl haar schaduw op de muur bewoog als een kat die niet wist of het wilde vluchten of blijven.
De eerste keer dat ik Bep alleen trof, stond ze beneden in de keuken, een kopje thee in haar beide handen, alsof ze op zoek was naar warmte. Ze sprak met een hoge stem die niet leek te passen bij haar volwassen lichaam.
“Bent u schrijver?” vroeg ze.
“Dat zeggen mensen,” antwoordde ik. Ze glimlachte, uit beleefdheid.
Haar haar viel in lichte slordige lokken langs haar gezicht in een meisjesachtige sierlijkheid.
’s Nachts hoorde ik haar bewegen in bed. Heel zacht. Alsof iemand ademhaalde in mijn hoofd.
December werd kouder, en het huis knarste als een houten schip dat vastgelopen is in het ijs. Mijn ramen waren bevroren, mijn adem zichtbaar, mijn gedachten langer dan de dagen zelf. Buiten sneeuwde het niet, maar binnen voelde alles als winter. Ik schreef nauwelijks, of ik schreef dingen die ik onmiddellijk verscheurde omdat ik bang was dat iemand ze zou lezen en vooral omdat ik zelf bang was ze opnieuw te moeten zien.
Ik was nooit een man geweest die vrouwen in het openbaar durfde aan te kijken. Maar in dat huis werd elk moment met de dochter iets dat tussen verleiding en verbod hing.
Ik begon te fantaseren over haar. Het waren geen beelden om na te jagen; eerder schaduwen die me belaagden in de schemer. Ik zag soms in mijn hoofd hoe haar blik een fractie langer bleef hangen, hoe haar borst zacht bewoog onder een trui, hoe haar nuchtere beweging iets onuitsprekelijk kwetsbaars had
Elke nacht probeerde ik mijn hoofd te bedwingen, maar verlangen doet niets dan groeien wanneer men het wil ontkennen. Ik voelde me dierlijk en tegelijkertijd volkomen machteloos. Ik achtervolgde haar op straat als een prooi, ik de predator, een onzichtbaar beest.
Roeltje keek soms naar mij alsof ze voelde dat er iets in mijn blik zat dat niet klopte. Ik probeerde mijzelf te corrigeren, maar corrigeren is onmogelijk wanneer de fout zich niet buiten maar binnen bevindt.
Bep daarentegen leek het huis lichter te maken, en juist dat was funest. Ik probeerde haar te negeren, maar ze verscheen telkens weer, een schaduw op de trap, een geluid in de keuken, een geur van zeep die bleef hangen als een gedachte die je niet wil afmaken.
‘s Avonds schreef ik zinnen die nergens heen gingen, vol verlangen op zoek naar een opening in het verstand. Ik scheurde de papieren kapot, omdat ik bang was dat als de woorden zichzelf zouden lezen ze mij zouden ontmaskeren.
Ik sliep slecht. De nachten werden eindeloos: uren waarin waanzin zich verschuilde in randen van bewustzijn. Soms hoorde ik haar zacht zuchten door de muur, en ik haatte mezelf dat ik luisterde.
Was ik een roofdier of een mens die bang was voor het dier in zichzelf?
Ik ging vroeg naar bed om haar niet te hoeven zien. Maar vroeg naar bed gaan betekent alleen dat de nacht langer wordt.
De avond
Beneden klonk het geluid van iets huiselijks, water dat gekookt werd, stemmen die converseerden, alsof het mogelijk was dat een gewone avond niet zou ontaarden in wat daarna gebeurde.
Voetstappen op de trap, beslist, bijna ritmisch. Ik had mijn revolver schoongemaakt. Daarna mijn eigen lichaam gewassen, alsof het pistool en ik in hetzelfde ritueel opgenomen waren. Ik lag half ontkleed op bed, een lichaam zonder bedoeling, tot ze binnenkwam.
Het licht brak haar in een contour dat ik als naakt zag, maar misschien was mijn verlangen de projectie en zij slechts een meisje met brood en thee. Ik weet niet waarom ik haar vastgreep, ik denk niet dat ik iets wou begrijpen. Ik handelde zoals een dier handelt dat geen andere grammatica kent dan de actie.
Het lichaam onder me bleef lichaam. Ik zei tegen mezelf dat dit gehoorzaamheid was, dat ik haar mocht aanraken zoals ik wilde, zoals de Bijbel mij iets had geleerd over bezit. Zij begreep niet dat ze in mijn systeem geen persoon meer was. Ze gilde. Haar benen protesteerden harder dan haar stem. Mijn mond op haar mond was de enige taal die ik kende.
Toen opnieuw voetstappen. Het soort geluid dat je dwingt je verlangen te onderbreken en je razend maakt. Roeltje kwam krijsend binnen met een broodmes waarmee ze mij wilde slaan of steken. Ik greep naar mijn wapen, een reflex, machinale logica. Ik wilde dreigen maar het pistool ging af. Het was in eerste instantie niet Roeltje die ik raakte, maar Bep in haar hals. Toen pas de moeder die zich met een dierlijke vastberadenheid tussen mij en haar dochter wilde plaatsen. De knal was kort, mechanisch.
Het bloed kwam uit haar hals, toen uit haar moeder. Ik raakte in paniek, Ik probeerde iets te stelpen, te redden, alsof er nog een moment van menselijkheid over was. Maar Roeltje lag al als een uitgezet object, en Bep’s hals was een open wond waar bloed uit gutste.
Het gebeurde allemaal veel te snel. Misschien omdat denken nooit een rol speelde in dit verhaal, alleen het lichaam en wat het dacht dat het mocht nemen.
Er is geen moment van bezinning na een moord. Er is alleen de geest die weigert te begrijpen wat het lichaam net gedaan heeft. Ik voelde geen triomf, geen woede, geen lust. Enkel leegte.
Bep lag op de grond. Of zat ze? Ik weet niet welk beeld klopt. Ik blijf soms die beelden door elkaar halen. Ik geloof dat ik riep dat ik het niet wilde, dat het me vreselijk speet en ik had het gevoel dat ze mij begreep want ze knikte met haar hoofd. Maar ik ben bang dat, dat een herinnering is die ik later heb verzonnen om het voor mezelf dragelijker te maken.
Ik liep het huis uit, de straat was maagdelijk wit door de vers gevallen sneeuw. Ik voelde niets. Geen angst, geen paniek. Druppels bloed van Bep vielen van mijn handen naast mij in de sneeuw. De stad leek geschokt. Ik voelde mijn benen bewegen zonder dat ik ze aanstuurde.
Wat doet een mens na een moord? Niets. Hij is niet meer mens. Hij is beweging zonder keuze. Ik liep naar het politiebureau alsof ik boodschappen ging doen.
Ik zei dat er iets was gebeurd. Dat iemand gewond was. Of dood. Ik noemde het adres. Misschien hoopte ik dat men het niet geloofde.
In de cel begon de stilte pas echt. Men stelde vragen. Ik antwoordde met afwezigheid. Ze vroegen waarom ik het gedaan had. Ik zei: “Ik weet het niet.” En dat was de enige zin die waar was.
Psychiaters kwamen. Zij gebruikten woorden die ik eerder alleen uit boeken kende. Psychopaat. Geestesziek. Ontoerekeningsvatbaar. Ze maakten notities, alsof ik niet meer was dan een specimen dat ze konden classificeren.
Maar een mens valt niet samen met zijn dossier. En toch werd dat dossier mijn enige werkelijkheid. De rest was leegte.
Jaren gingen voorbij in kamers zonder geschiedenis. De psychiatrische inrichting leek minder op een plek voor genezing dan op een fabriek waarin men hoopte dat tijd het vuile werk zou doen. Ik zag mensen met stemmen in hun hoofd, mensen die zichzelf stuk maakten op muren, mensen die zelf nooit iemand hadden aangeraakt maar wel achterna gezeten werden door hun eigen demonen.
Ik schreef soms. Bundels ontstonden uit restmateriaal van mijn geest. Mijn woorden werden gelezen, geprezen zelfs met grote literaire prijzen, alsof een dichter iets te vertellen heeft dat boven zijn misdaad uitstijgt. Alsof poëzie vergeving verdient.
Maar ik voelde geen dichter in mij. Ik voelde alleen een man die een daad had gepleegd die geen taal verdraagt.
Er zijn dagen dat ik denk dat ik leef alsof zij nooit bestaan heeft. Dat ze een leven heeft gekregen met de littekens die ik achterliet. Ik hoop soms dat haar geheugen mij vergeten is, dat ik slechts een nacht ben geweest die uiteindelijk oploste in tijd. Andere dagen vrees ik dat haar herinnering aan mij nooit zwijgt.
Ze was zestien, een kind met het lichaam van een volwassen vrouw. Ik heb haar aangeraakt.
Ik was geen monster. Maar ik ben het geworden door wat ik deed.
Men probeert te begrijpen. Men zoekt motief, oorzaak, logica. Maar misdaad is vaak niets anders dan de afwezigheid van logica.
Ik begrijp mezelf niet. En dat is mijn straf.
Ik leefde nog jaren na die avond. Men prees mijn poëzie. Men nodigde me uit. Men sprak over genialiteit. Maar wat heb je aan genialiteit wanneer je iemands leven hebt uitgewist?
Soms denk ik dat ik het niet was die schoot. Dat ik toekeek terwijl een ander in mijn lichaam woonde. Maar dat is de wreedste leugen: doen alsof een daad geen dader heeft.
Ik wil niet dat men me vergeeft. Ik wil alleen dat men weet dat ik geen moordenaar ben. Geen dichter die door waanzin werd geïnspireerd. Ik was een man die faalde. Die niet kon stoppen wat in hem wrong.
Er is geen schoonheid in misdaad. Er is alleen het bloed en de stilte erna, en het leven dat verdergaat in iemand anders lichaam.
Ik ben Gerrit Achterberg. Dichter. Moordenaar.
***
Verklaring VvdM: Het feit dat Peter tevens werkzaam is als VvdM-illustrator heeft geen invloed gehad op de keuze van zijn verhaal. De juryleden hebben de verhalen anoniem ontvangen en Peter zelf is op geen enkele manier betrokken bij het selectieproces. Ikzelf was de enige die wist dat dit verhaal van Peter was en ik heb niet meegelezen met de jury. Peter heeft deze wedstrijd volledig op eigen kracht gewonnen.
-- Maarten
***

.jpeg)

Gefeliciteerd!
BeantwoordenVerwijderenIk vind de vertelstem heel mooi. Een aaneenrijging van korte alinea's waar ademloos door middel van indrukken en gedachten het verhaal wordt verteld.
BeantwoordenVerwijderenHet contrast van de rationalisering door de HP met de werkelijkheid is schrijnend, en creëert geen spanningsboog maar een heel groot spanningsveld. Stukjes zoals: “De wereld was al geweld, vanaf mijn eerste herinnering. Mijn daden waren ordelijk in dat geweld, bijna rustig.”
De laatste zinnen zijn wel wat makkelijk. Ze geven een positieve draai. Er is een soort disclaimer “Er is geen schoonheid in misdaad”
– die doet denken aan het verhaal ‘stilte’ van Niels Leslie Pringle die twee maanden geleden won. Daar kwam toen commentaar op dat de misdaad als schoonheid werd verkleed. –
maar het eerste deel van het verhaal vertolkt de persoon toch wel als een psychotisch figuur dat geen rekening houdt met zijn slachtoffers. Bijvoorbeeld: “Maar ik herinner me geen moment waarin ik werkelijk het bestaan van vrouwen als afzonderlijk wezen heb aanvaard”
Het begin kan ik niet zo goed rijmen met het einde. (maar misschien ben ik een slechte dichter)
Ook intern is dat laatste stuk tegenstrijdig met:
“Maar dat is de wreedste leugen: doen alsof een daad geen dader heeft.
… Ik wil alleen dat men weet dat ik geen moordenaar ben.”
Als je wilt doen alsof je geen moordenaar bent, dan is dat toch doen alsof de daad geen dader heeft?
Dank je wel Tinus voor het aandachtige en serieuze lezen van het verhaal. Ik waardeer het zeer dat je zo precies ingaat op toon, spanning en morele implicaties.
VerwijderenVoor mij is de man aan het begin nadrukkelijk niet dezelfde als de man aan het eind. Wroeging komt met de jaren; ten tijde van de moord was hij in mijn ogen een psychopaat, gedreven door obsessie en ontmenselijking. Juist daarom vond ik het moeilijk voorstelbaar dat zo iemand nooit momenten van innerlijke strijd heeft gekend, al waren die misschien fragmentarisch en te laat. Want iets goedmaken kon natuurlijk niet meer.
Ik vind je laatste opmerking heel terecht en scherp.
Maar ik heb die twee zinnen bewust spanningsvol naast elkaar gezet. Ze laten geen logische fout zien, maar een innerlijke breuk.
Met “de wreedste leugen is doen alsof een daad geen dader heeft” erkent hij uiteindelijk dat verantwoordelijkheid niet verdwijnt, hoe graag je dat ook zou willen. Dat inzicht hoort bij de man die jaren later terugkijkt.
“Ik wil alleen dat men weet dat ik geen moordenaar ben” is geen ontkenning van de daad, maar een verlangen: hij wil niet samenvallen met wat hij heeft gedaan, terwijl hij weet dat dit onmogelijk is. Juist dat verlangen ís de leugen die hij benoemt.
Het einde is daarom geen vrijspraak of verzachting, maar een moment van zelfbesef: weten dat je verantwoordelijk bent, en toch willen ontsnappen aan die identiteit. Dat spanningsveld wilde ik laten bestaan, zonder het op te lossen.
Nogmaals veel dank voor het scherpe en eerlijke commentaar.
Peter
Gefeliciteerd! Mooi taalgebruik, mooie vorm en spannend geschreven.
BeantwoordenVerwijderenMooi en zorgvuldig geschreven verhaal over Gerrit Achterberg, waarin het dilemma overtuigend wordt neergezet. De schrijver van dit verhaal worstelt terecht met de vraag hoe iemand die zulke intense en kwetsbare poëzie heeft geschreven óók een dader kan zijn. Die gedachte is herkenbaar: kan een dichter van zulke schoonheid werkelijk een moordenaar zijn?
BeantwoordenVerwijderenToch was hij dat. Het was geen crime passionel, misschien juridisch eerder doodslag dan moord, maar het geweld kwam voort uit drift en obsessie. De biografie van Wim Hazeu laat bovendien een man zien die agressief, gesloten en weinig sympathiek was.
Het verhaal is sterk omdat je even in zijn hoofd kruipt, zonder hem vrij te pleiten. En dat maakt het ongemak groot: je blijft achter met de vraag of je zijn poëzie nog onbevangen kunt – of wilt – lezen. Dat ongemak is precies de kracht van deze tekst.
Onno Mans
Ik had dezelfde hetzelfde als Tinus. (personage begin/einde) Peter heeft prima verwoord hoe hij daartoe gekomen is. Ik vind het erg knap dat je naast illustreren zo mooi kan schrijven. Volgens mij zie je niet vaak dat iemand deze twee disciplines naast elkaar beheerst. Wat ik ook uitermate knap en gedurfd vind is het feit dat je in het hoofd van een bestaand personage kruipt. En dan niet tijdens een zoveelste lofuiting over zijn werk maar tijdens een inktzwarte gebeurtenis, vlek in zijn leven. Wat ging er in zijn hoofd om? Ik vind het zeer overtuigend overkomen. Een ongrijpbaar personage, maar moet je niet ongrijpbaar zijn om tot zo'n daad te komen?
BeantwoordenVerwijderenGefeliciteerd met de winst.
BeantwoordenVerwijderenInteressante, essayistische daderstem, al werkte die vorm voor mij minder als ‘verhaal’.
Het slot met ‘Ik ben Gerrit Achterberg’ maakte het voor mij minder zuiver, omdat je de ik-figuur aan een historisch persoon vastpint.
Iedereen bedankt voor zijn of haar reacties en vooral Jo Neels voor haar mooie illustratie
BeantwoordenVerwijderenMet veel plezier! Groetjes, Jo Neels
VerwijderenWat een naar deprimerend rotverhaal!!!!!!! Sorry.
BeantwoordenVerwijderenGefeliciteerd!
BeantwoordenVerwijderenMet verwondering gelezen. Moeilijke lectuur, toch tot het einde gelezen.
BeantwoordenVerwijderen