Sneeuwval op een kristalrooster
- Michael Vonk - illustratie: Peter Meijer -
De schuifmaat was van Duits staal. Koud. Mat. Jeffrey Heins klemde de bekken rond de rand van het gipsen acanthusblad.
Drie punt twee millimeter.
De scheur liep diagonaal. Een haarlijn. Een zwarte bliksemschicht in een wit marmeren universum. Hij noteerde het getal in zijn logboek. Cijfers logen niet. Cijfers hadden geen intentie.
Buiten gierde de wind door de Domstraat, maar hier binnen heerste de stilte van een vacuüm. De lucht rook naar ozon en vers witkalk. Op zijn bureau lag de bouwtekening van het grachtenpand. Wit op blauw. De lijnen waren strak, de hoeken onverbiddelijk.
Zijn telefoon trilde. Eén keer. Een kort, mechanisch insectengeluid op het glazen tafelblad. Hij keek niet.
Hij pakte een scalpel. De punt glansde onder de halogeenlamp. Hij schraapte een minuscule schilfer gips weg uit de diepte van de scheur.
‘Jeffrey?’
Elyne stond in de deuropening. Ze droeg haar jas nog. Haar schouders waren nat. De geur van koude regen brak de steriele lucht van het kantoor.
Hij keek niet op van het ornament. ‘Drie punt twee.’
‘Wat?’
‘De fractuur. Ze is gegroeid sinds gisteren. Thermische expansie.’
‘Het is negen uur, Jeffrey. De tafel is gereserveerd.’
Hij draaide de schuifmaat om in zijn hand. De metalen liniaal gleed soepel in zijn huls. Klik. ‘Als ik de injectie nu niet doe, zet de oxidatie door naar de ankers. Dan verliezen we de hele krul.’
Elyne zette een stap de kamer in. Haar hakken klonken als hamerslagen op het gepolijste beton. ‘Het is maar een ornament.’
Jeffrey legde de schuifmaat neer. Voorzichtig. Parallel aan de rand van het bureau. Hij keek haar nu aan. Haar mascara was een fractie uitgelopen bij haar linker ooghoek. Een asymmetrie van nul punt vijf millimeter.
‘Niets is 'maar',’ zei hij. ‘Alles is verbonden. De krul houdt de structuur vast. De structuur houdt het beeld vast.’
‘Ik heb het ongeluk gezien,’ zei ze plotseling. Haar stem was dun. Een draadje dat op knappen stond.
Jeffrey hield zijn adem stil. Zijn vingers rustten op het witte gips. ‘Welk ongeluk?’
‘Bij de kruising. De ambulances. Het was... er lag een jas op de grond. Een gele jas.’
Jeffrey pakte een klein flesje vloeibaar hars. Hij draaide de dop eraf. De geur was scherp, chemisch. ‘Geel is een slechte kleur voor deze tijd van het jaar. Te weinig contrast met de bladeren.’
‘Iemand is dood, Jeffrey.’
Hij doopte de kwast in de hars. Zijn hand was roerloos. Geen trilling. Geen ruis.
‘Dood is de ultieme structurele fout, Elyne. Onherstelbaar.’ Hij bracht de eerste druppel aan op de scheur. De witte vloeistof zoog zich in de duisternis van de breuk. De scheur verdween. Optische illusie. ‘Maar dit? Dit kunnen we corrigeren. Kijk maar.’
Hij werkte door. De kwaststreken waren kort. Staccato.
Elyne bleef staan. Ze keek naar zijn rug. ‘Je bent koud.’
‘Ik ben accuraat,’ zei hij zonder om te kijken. ‘Er is een verschil.’
Hij hoorde haar ademhalen. Onregelmatig. Een ritmestoornis in zijn perfecte kamer. Toen draaide ze zich om. De deur viel dicht. Geen knal, maar een zachte, luchtdichte klik.
Jeffrey Heins boog zich dieper over het ornament. De hars droogde transparant op. De barst was weg. De wereld was weer heel. Voor nu.
De gang rook naar gekookte bloemkool en chlooramine. Een overdosering van hygiëne. Jeffrey Heins telde de linoleumtegels terwijl hij liep. Dertig centimeter per stuk. Honderdtwintig stappen van de lift naar kamer 402.
Hij drukte op de klink. De weerstand van het slot was te laag. Slijtage aan de cilinder. Hij noteerde het mentaal.
Alfred Heins zat bij het raam. Een silhouet van perkament en bot. Zijn pyjama was gestreept, maar de strepen liepen niet loodrecht over zijn schouders. De knoopjes zaten verkeerd. Eén gat te laag.
‘Vader,’ zei Jeffrey. Hij bleef bij de deur staan.
De oude man draaide zijn hoofd niet. Zijn ogen waren gefixeerd op een vlieg die tegen het dubbele glas tikte. Tik. Tik. Een onregelmatige frequentie.
‘De rekening voor de extra fysiotherapie is binnen,’ ging Jeffrey verder. Hij opende zijn tas. De rits maakte een scherp, tonaal geluid. ‘Ik heb de postoperatieve vergoedingen gecontroleerd. Er zit een fout in hun berekening. Vier procent in hun voordeel. Ik heb een bezwaarschrift opgesteld.’
Alfred draaide zich nu om. Zijn pupillen waren groot, troebel. Hij keek naar Jeffrey’s schoenen. Oxfords. Zwart. Hoogglans.
‘Ben jij dat weer?’ De stem van de oude man was als schuurpapier op gipsplaat.
Jeffrey knikte. ‘Ik ben het.’
‘Nee.’ Alfred wees met een trillende vinger naar de tas van Jeffrey. ‘Ik ken die tas. Ik ken die blik. Jij bent van Van der Meer.’
Jeffrey zweeg. Zijn kaakspieren spanden zich aan. Een lichte druk achter zijn slapen. ‘Ik ben Jeffrey, vader.’
‘Lulkoek. Jij bent de aannemer. De man van de rotte balken.’ Alfred probeerde op te staan, maar zijn linkerbeen weigerde dienst. Hij zakte terug in de bekleding. ‘Je hebt de fundering verpest. Ik heb het gezien. Te weinig grind. Te veel zand. Je dacht dat ik het niet zou merken onder de dekvloer.’
‘De fundering is solide,’ zei Jeffrey. Hij liep naar de tafel en legde de documenten neer. Precies gecentreerd op het gelamineerde blad. ‘Ik ben hier voor je zorgplan.’
‘Ik betaal je niets!’ schreeuwde Alfred. Een spatje speeksel landde op de mouw van Jeffrey’s jas.
Jeffrey keek naar de vlek. Een organische vervuiling op de wol. Hij pakte een zakdoek. Wit katoen. Hij depte de plek weg tot er alleen een vochtige schaduw overbleef.
‘Je hebt de boel belazerd,’ mompelde Alfred. Hij huilde nu, maar zonder tranen. Alleen het geluid van piepende longen. ‘Het hele huis verzakt. Ik voel het als ik lig. De hoek bij de keuken is drie centimeter lager. Het glas gaat springen, Van der Meer. Het gaat springen en dan zijn we nergens meer.’
Jeffrey keek naar de hoek van de kamer. De plint sloot naadloos aan op de muur. Geen verzakking. Alleen de verzakking in de synapsen van de man voor hem.
‘Alles staat waterpas, vader. Ik heb het nagemeten.’
‘Leugenaar. Kijk naar je handen. Ze zitten onder het stof.’
Jeffrey keek naar zijn handen. Ze waren schoon. Steriel. Hij voelde de drang om ze onder de kraan te houden. Heet water. Zeep. Borstelen tot de huid rood werd.
‘Ik kom morgen terug,’ zei Jeffrey.
‘Breng de betonmixer niet mee,’ siste Alfred. Hij keek weer naar de vlieg.
Jeffrey verliet de kamer. Honderdtwintig stappen terug naar de lift. Bij stap tachtig bleef hij staan. Hij keek naar de deur van de linnenkast. De scharnier piepte. Hij pakte zijn schroevendraaier uit zijn tas. Een snelle slag naar rechts.
De stilte keerde terug. Jeffrey Heins herstelde wat hij kon. De rest negeerde hij.
De kaasplank lag op het midden van de eikenhouten tafel. Drie soorten. Van zacht naar hard. Jeffrey had de korsten weggesneden in hoeken van vijfenveertig graden.
Elyne lachte. Het geluid was te hoog. Het resoneerde tegen het kristal van de wijnglazen.
‘Een boerderij in de Provence, Jeff. Met die blauwe luiken. Weet je nog?’
Jeffrey keek naar haar mond. Er zat een zweem van rode wijn op haar onderlip. Een imperfecte contour. ‘De luchtvochtigheid daar tast de kalksteen aan. We zouden de gevel elke vijf jaar moeten impregneren.’
‘Zeven jaar,’ zei ze. Ze leunde naar voren. ‘Je zei altijd zeven jaar.’
‘De klimaatdata zijn bijgesteld, Elyne. De erosiesnelheid neemt toe.’
Hij schonk bij. De vloeistof stroomde in een dunne, donkere straal. Geen spatten. Hij stopte precies één centimeter onder de rand van het glas.
‘We gaan het doen,’ zei ze. Ze pakte haar glas op. Haar hand trilde. Een fractie. ‘Zodra de zaak met de verzekering is afgerond. Zodra de rust is teruggekeerd.’
‘Rust is een gebrek aan beweging,’ zei Jeffrey. ‘Het is geen natuurlijke staat.’
Elyne zette haar glas terug. Harder dan bedoeld. Een druppel vloog over de rand. Een dieprode traan. Hij viel op het witte, handgeweven tafelkleed.
De vlek verspreidde zich onmiddellijk. Van een speldenknop naar een cirkel van twee centimeter. De vezels van het katoen zogen het pigment op.
Jeffrey stond op. Zijn stoel schoof geruisloos over de vloer. Vilten dopjes.
‘Jeff, laat het.’
Hij hoorde haar niet. Hij was al in de keuken. Hij pakte de spuitfles met gedestilleerd water en een witte microvezeldoek. Terug bij de tafel boog hij zich over de vlek.
‘Het is organisch,’ zei hij. Zijn stem was vlak. ‘Als ik nu niet handel, bindt het zich aan de cellulose.’
Hij depte. Kort. Ritmisch. Staccato. Drukken. Loslaten. Drukken. Loslaten.
‘Houd op,’ zei Elyne. Haar lach was weg. Haar gezicht was een masker van bleek vlees. ‘Kijk me aan.’
Jeffrey bleef naar de vlek kijken. De kleur vervaagde naar roze, maar de cirkel bleef zichtbaar. Een litteken in de geometrie van de tafel.
‘Het moet eruit,’ zei hij. ‘Als we de bron niet neutraliseren, vreet het door.’
‘Het is maar wijn, Jeffrey.’
‘Het is een afwijking.’
Hij spoot meer water. De doek werd rood. Hij draaide de doek om naar een schoon vlak. Precieze rotatie van negentien graden.
‘Ik dacht dat we droomden,’ zei ze zacht.
Jeffrey keek naar de vlek, toen naar Elyne. Haar ogen waren vochtig. Een verstoring van de traanfilm.
‘Dromen zijn projecties,’ zei hij. hij boog zich weer over het kleed. ‘Dit is materie. Materie moet worden beheerst.’
Hij bleef deppen. De droom over Frankrijk was opgelost in het gedestilleerde water. Elyne stond op. Hij hoorde haar voetstappen de kamer verlaten. Hij telde ze. Twaalf. Tot de gang.
Hij bleef alleen achter met de vlek. Hij zou niet stoppen tot het wit weer wit was. Tot er niets meer was dat herinnerde aan de morsige realiteit van de avond.
Buiten sloeg de regen tegen het dubbele glas. Een onophoudelijk drummen. Jeffrey Heins zat aan zijn bureau en kalibreerde zijn digitale schuifmaat. Nul punt nul. Nul punt nul.
De voordeur klapte open. De tochtstrip floot een fractie van een seconde.
Elyne stond in de gang. Ze bewoog niet. Haar haar hing in slierten langs haar gezicht, water drupte op de houten vloer. Eikenhout. Onbehandeld. De kringen zouden intrekken als hij niet onmiddellijk handelde.
In haar rechterhand hield ze een papieren tas vast. De bodem was donker van het vocht.
‘Jeffrey.’
Haar stem was een schorre frequentie. Hij liep naar haar toe, zijn stappen gedempt door de loper. Hij bleef op anderhalve meter afstand staan.
‘Je bent nat,’ zei hij. Hij keek naar haar handen. Ze klemde de tas vast. Haar knokkels waren wit, de huid strakgetrokken over de gewrichtskoppen.
‘Ik heb de eieren,’ zei ze. Ze keek naar de tas, niet naar hem.
Uit de bodem sijpelde een viskeuze vloeistof. Geel. Slijmerig. Het mengde zich met het regenwater op de vloer. Een eiwitfractuur.
‘Er is er een gebroken,’ zei Jeffrey. Hij reikte naar de tas.
Ze trok zich terug. De beweging was schokkerig. Een haperende motor. ‘Ik zag hem niet. Hij was er ineens. Een schaduw. Een verstoring van het licht.’
‘Wie, Elyne?’
‘De man.’
Jeffrey keek naar haar jas. De linkerzijde was besmeurd met modder en een veeg rood. Hij analyseerde de kleur. Cadmiumrood. Vers.
‘Geef de tas,’ zei hij. Hij pakte de handvatten over. Hij voelde de kou van haar vingers. Vier graden onder de normale lichaamstemperatuur. Shockfase één.
Hij zette de tas op de tegels in de keuken. Hij haalde de kartonnen doos eruit. In vakje vier lag een ravage van schalen en dooier. De rest was intact. Tien onbeschadigde eenheden. Eén statistische afwijking.
‘Hij bewoog niet meer,’ fluisterde ze vanuit de gang. ‘De ruitenwissers gingen maar door. Links. Rechts. Links. Rechts. Ze wisten niets weg, Jeff. Alles bleef rood.’
Jeffrey pakte een keukenrol. Hij scheurde een vel af langs de perforatie.
‘Waar is de auto?’ vroeg hij.
‘Op de oprit. De koplamp is weg. Versplinterd. Duizend stukjes glas. Ik heb geprobeerd ze te tellen.’
Jeffrey stopte met vegen. Hij keek naar de eidooier op de vloer. De kleur was bijna identiek aan het waarschuwingslampje van een defecte motor.
‘Blijf hier,’ zei hij. ‘Trek je schoenen uit. Zet ze op de krant. Niet op het hout.’
‘Ga je kijken?’
‘Ik ga de schade inventariseren.’
Hij liep langs haar heen naar de bijkeuken. Hij trok zijn Gore-Tex regenjas aan. Hij sloot de rits tot bovenaan. De tanden van de rits grepen feilloos in elkaar.
Buiten was de wereld vloeibaar. Hij liep naar de auto. De linker koplamp was een gapend gat van bedrading en chroom. Hij boog zich voorover. Hij zag een vezel aan het gebroken glas hangen. Geel. Wol.
Hij dacht aan de gele jas uit haar droom. De waarschijnlijkheid was nu honderd procent.
Jeffrey Heins keek naar zijn horloge. Tien over elf. De tijd was lineair, maar de causaliteit was gebroken. Hij pakte zijn zaklamp en scheen over het asfalt. Geen getuigen. Alleen de regen die het bewijs verdunde.
Hij ging weer naar binnen. Elyne zat op de grond in de gang. Ze trilde.
‘We moeten de eieren opruimen,’ zei hij. ‘Straks gaat het stinken.’
‘Jeffrey, ik heb iemand...’
‘Ik weet het,’ zei hij. Hij pakte de fles bleekmiddel. ‘Ik ga het herstellen.’
De straatlantaarn bij de kruising zoemde. Een defecte transformator. Het licht knipperde in een onregelmatig ritme, telkens een fractie van een seconde duisternis. Jeffrey Heins stapte uit zijn auto. De regen was overgegaan in een nevel die aan zijn wimpers bleef hangen.
Hij liep naar het midden van de weg. Hij keek naar de hoek van de Stoeldraaierstraat.
Zijn zaklamp sneed door de mist. Een witte kegel van driehonderd lumen. Hij scande het asfalt.
De remsporen waren kort. Onderbroken. ABS-interventie. Hij volgde de zwarte lijnen tot het punt waar ze abrupt stopten. Daar lag de verstoring.
Tussen de natte kasseien glinsterde iets. Jeffrey knielde neer. Hij negeerde de kou van het water dat door zijn broekspijpen trok.
Glas.
Hij pakte een pincet uit zijn binnenzak. Hij tilde een scherf op. Polycarbonaat. Helder. Het ribbelpatroon van de binnenkant kwam exact overeen met de koplamp van hun Volvo.
Hij opende een plastic zakje. Het geluid van de rits was luid in de lege straat. Hij liet de scherf erin vallen.
‘Meneer?’
Jeffrey verstijfde niet. Hij vertraagde zijn ademhaling. Hij schoof de zaklamp uit en liet hem in zijn jaszak glijden. Hij draaide zijn hoofd.
Een man met een hond stond op de hoek. De hond, een magere windhond, snoof aan een regenpijp. De eigenaar hield een paraplu vast met een logo van een bank.
‘Bent u iets verloren?’ vroeg de man.
Jeffrey stond op. Hij wreef zijn handen tegen elkaar. ‘Mijn manchetknopen. Een familiestuk. Ik dacht dat ik ze hier verloor tijdens het oversteken.’
De man keek naar de weg. ‘Hier?’
‘Bij de oversteekplaats,’ zei Jeffrey. Zijn stem was neutraal. Een feitelijke mededeling. ‘Maar de regen maakt het onmogelijk. De reflectie maskeert de geometrie van de objecten.’
De man knikte langzaam. Hij trok aan de lijn. De hond volgde onwillig. ‘Vreemde plek. Er is hier net een ongeluk gebeurd, geloof ik. Er lag daarstraks iemand.’
Jeffrey keek naar de plek waar de man wees. Een donkere vlek op de stoeprand. Geen bloed. Modder. ‘Ik heb niets gezien.’
‘De ambulance was snel,’ zei de man. ‘Zonder sirene weggereden. Dat is meestal geen goed teken.’
‘Causaliteit is zelden zichtbaar vanaf de buitenkant,’ zei Jeffrey.
***
Mijn naam is Michael Vonk, ik ben 33 jaar oud, ik woon in Almere. Ik lees af en toe, alles van Tolstoj tot Mann tot Hermans, maar schrijf des te meer; ter observatie en analyse, geïnspireerd op het doen en laten van mensen en hun drijfveren. En ik reis: reizen maken verhalen zowel aards als hemels.
Peter Meijer (1953) opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.


%20(1).jpg)
.jpeg)
Als we iemand horen denken (vrije indirecte rede) hoort dit in de tegenwoordige tijd: Cijfers liegen niet. Cijfers hebben geen intentie.
BeantwoordenVerwijderenIk ben het daar niet mee eens hoor. Het staat toch heel goed zo? Bedoel je niet Stream-of-Consciousness? Dat zou inderdaad in tt staan. Maar dit is geen SoC.
VerwijderenVan Wikipedia: De vrije indirecte rede is een stijlfiguur die het midden houdt tussen de directe en de indirecte rede, oftewel tussen een monoloog en een verslag van de beleving van iemand anders. Deze stijlfiguur heeft meestal de vorm van een onvoltooid verleden tijd, in dit verband ook wel "verhalend imperfectum" genoemd. De vrije indirecte rede heeft meestal op het beschreven "nu" betrekking, wat wil zeggen op een tijdstip dat samenvalt met datgene wat in de rest van de zin wordt beschreven.
OVT dus, zoals Michael hierboven doet.
Gefeliciteerd!
BeantwoordenVerwijderenIk vind de stilistische beheersing indrukwekkend. Heel knap gedaan.
BeantwoordenVerwijderenWat een prachtige illustratie!
BeantwoordenVerwijderen