Winnaar februari 2026


En de ondervinding hoop

- Veerle Breemeersch - illustratie: Peter Meijer -

Door de straat schuifelt Teresa, een gevlochten boodschappentas met kracht onder haar arm geklemd, alsof die houvast biedt.
Het is alweer april, de bomen zijn al aan het uitbotten, en toch valt er uit het niets sneeuw. Niet eens smeltende sneeuw maar een dik pak dat aangestampt wordt tot verraderlijk ijs. Zo gaat de natuur: grillig, onverschillig.
De bakker is drie straten verderop. Teresa neemt haar tijd, nog meer dan anders. Ze zou maar eens moeten vallen, een been breken of erger: niet meer weten wie ze is, waar ze naar op weg is.

De rij slingert als een staart de straat op. Verbaasd sluit Teresa achteraan aan. Door de naden van haar oude laarzen kruipt water omhoog. Ze kromt haar tenen.
‘Als de paashaas maar niet doodvriest,’ hoort ze achter zich. Wanneer ze achterom kijkt, ziet ze het lachende gezicht van een man met baard en wollen muts. Even is ze alles kwijt, dan herinnert ze het zich. Het is Pasen vandaag, vandaar de drukte.
‘Zeg dat wel,’ antwoordt ze.
Ze draait zich half naar de man toe, zodat hij niet denkt dat ze stuurs is. Stuurs wil ze niet zijn, al heeft ze geen idee hoe ze het gesprek gaande moet houden. En of ze dat eigenlijk wel wil.
‘Zesentwintig jaar geleden al!’ Hij zegt het alsof het verrukkelijk nieuws is. ‘En toen bleef de sneeuw niet eens liggen. Het waren gewoon wat losse vlokken. En nu dit.’ Hij schraapt met zijn stevige bottines wat sneeuw van een tegel.
‘Hm-hm,’ zegt Teresa. Ze krijgt het warm.
De rij schuift gestaag de bakkerij binnen. Nu en dan stapt iemand naar buiten, de armen vol zakken brood en chocolade-eieren, en dan waait de warmte hen tegemoet.
Achter haar blijft de man praten en zij weet niets anders te verzinnen dan een knikje nu en dan, een gemompeld niets. Hij lijkt het niet erg te vinden dat ze voornamelijk zwijgt.
Nu gaan ze de drempel over, hij pratend, zij luisterend.
‘Teresa!’ De bakkersvrouw kijkt van haar naar de pratende man, die nu stilvalt en Teresa de kans geeft haar bestelling door te geven.
‘Twee volkoren broden, ongesneden, waarvan eentje zonder zout,’ zegt ze. De bakkersvrouw knikt, grijpt blindelings twee broden uit de rekken en begint ze te verpakken.
In een opwelling zegt Teresa: ‘En doe maar wat van die suikerkipjes ook, een zestal.’
‘Gaan jullie Pasen vieren?’ glimlacht de bakkersvrouw.
‘Verstoppen ga ik ze niet, maar eten kunnen we ze nog wel,’ zegt Teresa. Misschien hoort de man achter haar het wel. Hij moet vooral niet denken dat ze niets te zeggen heeft.
‘Hoe staat Levi ervoor?’ vraagt de bakkersvrouw.
‘Oh, je weet wel, op en af. Hij houdt zich kranig.’
‘Aard van het beestje.’
‘Heb hem nooit anders gekend.’
‘Met jou heeft hij het ook getroffen,’ knipoogt ze.
Teresa haalt haar schouders op. Ze wou dat Levi niet ter sprake was gekomen, dat ze gewoon een vrouw had kunnen blijven die zes suikerkipjes koopt en de man achter haar gedag zwaait. Een vrolijke vrouw, een vrolijke vrouw in de sneeuw, en dat op Pasen!
Terwijl ze het brood en het snoep in de tas stopt, hoort ze hoe de man met de baard zijn bestelling doorgeeft en de bakkersvrouw alweer een ander praatje aanknoopt.

Terwijl ze voetje voor voetje naar huis schuift, hoort ze een fietsbel, snijdend in de kou.
‘Zal ik u helpen? Hang maar aan het stuur.’ De man met de baard wijst naar haar tas, dan naar het stuur van zijn zware mannenfiets waar links al een goed gevulde plastic tas aan bungelt.
Teresa aarzelt. Ze wil geen misbruik maken van de man, anderzijds is zijn voorstel afwijzen ook maar bot. Aan zijn muts en baard is sneeuw blijven kleven. Hij stapt af, houdt met één hand de fiets vast en reikt met de andere naar haar tas.
‘Ik weet niet of het de moeite loont, ik ben zo thuis,’ zegt ze monter.
‘Woont u in de Herenweg?’ vraagt hij. ‘Ik heb u daar wel eens gezien. Ik woon vlakbij, twee huizen van de slotenmaker.’
Ze reageert niet maar staat toe dat de man de tas van haar overneemt en over het rechterhandvat van zijn fiets schuift.
‘Zo blijf ikzelf ook mooi in balans,’ besluit hij.
Hij rijdt stapvoets verder, naast Teresa, die haar best doet tempo te maken zodat de man niet opgehouden wordt.
‘De vrouw van Levi, dus,’ zegt hij.
En wanneer ze niets terugzegt: ‘Hij was een collega van mij. Destijds in Sint-Jan. De beste chirurg die we ooit hadden. Ik zeg het niet graag hardop, maar wie we daarna kregen kwam niet tot aan zijn enkels. Procedures, slimmigheid uit boeken, maar geen inzicht. Niet zoals Levi dat had. Levi begreep dat één en één soms drie is en dat is wijsheid die je aan geen enkele universiteit meer opdoet.’
Teresa probeert ongemerkt het gezicht van de man nauwkeuriger in zich op te nemen. Ze ging wel eens mee naar de personeelsfeestjes, de etentjes bij de andere artsen thuis. Avonden waarop de vrouwen in de keuken eindigden terwijl de mannen dossiers bespraken aan een tafel vol aangebroken wijnflessen en afgekloven kippenbotjes. Het was haar wereld niet, maar het was misschien ook de wereld niet van die andere vrouwen, die er als ze goed keek ook maar vermoeid uitzagen. Niet de vermoeidheid die het resultaat is van een gevuld leven, maar van verveling. Achter een man die levens redt in operatiekamers, staat noodzakelijk een vrouw die de gezinslogistiek op zich neemt.
Ze herkent hem niet. Zijn gezicht is generiek, onuitgesproken, hij kan elke arts geweest zijn met wie haar man medische ingrepen besprak.
Omdat hij merkt dat ze naar hem kijkt, slaat ze snel haar blik neer.
‘We hebben elkaar nooit gezien, geloof ik,’ zegt hij hulpvaardig.
‘Dat lijkt me te kloppen.’
‘Het spijt me dat het is gelopen zoals … zoals het liep.’
‘Dat hoeft u niet te spijten.’
‘Een enorm verlies. Voor het ziekenhuis, voor zijn kinderen, voor u. Dat mag ik zeggen toch?’
‘Jazeker.’
‘Het is zo snel gebeurd. In een oogwenk. Een fractie onoplettendheid en je hele leven …’
‘We prijzen onszelf gelukkig dat hij er nog is,’ onderbreekt Teresa hem.
‘Jazeker, het had veel erger kunnen zijn,’ zegt hij beduusd.
Wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop.
Ze is sneller gaan schuiven, het voelt alsof de gladheid haar niets meer kan maken nu ze bijna thuis is. Ze zit zelfs voor op de man met de baard, van wie ze de naam niet eens kent.
Ze wacht niet, ook al weet ze dat hij linksaf moet, want daar woont de slotenmaker. Hij houdt haar niet tegen, komt zelfs weer naast haar fietsen.
‘Mooi citaat. Bijbels, neen?’
‘De Romeinen.’
‘Mooi. Moet ik onthouden. Ik sla hier af, is dat goed?’
Ze neemt de tas van hem over, bedankt hem zonder hem aan te kijken en daar gaat hij, in de laagste versnelling de straat uit, plompverloren, langs bomen met ragfijne sneeuw op al hun takken, al hun knoppen.
Thuis legt ze de broden op het aanrecht en de kipjes in een gebloemd schaaltje dat ze meeneemt naar boven.

Door een kier in de gordijnen valt wit licht, scherp en vol stof. Levi is wakker, zit half rechtop in bed, zijn haar flink in de war.
‘Heb je goed geslapen, schat?’ vraagt ze.
Hij zegt iets onverstaanbaars, het kan ja zijn, of neen, er hangt toch niets vanaf.
Ze loopt naar hem toe, strijkt zacht de stugge plukken haar glad, dept wat speeksel dat uit een mondhoek is gelopen, bet zijn voorhoofd met een nat washandje.
‘Wel vijf centimeter sneeuw, in de plaats van een witte Kerst krijgen we een witte paasdag,’ zegt ze. ‘De hele straat is spekglad, en bij de bakker stond er een rij tot op straat. Daarom duurde het dubbel zo lang.’
Hij graait naar haar hand met zijn benige vingers, houdt die even krachteloos vast, snuift een paar keer diep. Ze laat hem, glimlacht flauw.
‘Ik heb lekkers gekocht, zo kunnen we het toch wat vieren,’ zegt ze terwijl ze zich voorzichtig losmaakt van hem en het schaaltje van zijn nachttafel tilt. Zes felgele kipjes liggen erop, kriskras door elkaar, hun suiker glanst als rijp in de ochtendzon – het is prachtig en dieptreurig, dat het enige wat glanst in de kamer die kipjes zijn. Dat uit de rest alle kleur gezogen is, dat er alleen vorm is overgebleven, en dat ze zich daar allebei naar proberen schikken.
En de ondervinding hoop, denkt Teresa, die een kipje kiest en het voor haar mans gezicht houdt. Mijlenver zijn ze van elkaar verwijderd, Levi en het kipje.
Hij bijt de kop eraf.
‘Vandaag blijven we maar binnen, het vriest dat het kraakt en met die gladheid is een rolstoel sowieso geen goed idee,’ gaat Teresa verder terwijl ze wacht tot hij de rest van het lijfje weg hapt, maar hij schudt zijn hoofd.
‘Ik zag een ex-collega van je bij de bakker, een man met een baard, bruine ogen, praatte graag. Hij woont in de buurt van de slotenmaker, vertelde hij me. Weet jij wie dat kan zijn?’
Levi weet het niet.
In zijn mond knarst nog altijd het kipje.

Ze wast hem, dient hem zijn medicijnen toe, geeft hem brood en thee met honing.
Ze praat tegen hem, schudt zijn kussen, schikt de kamer zo dat hij er nog lang en gelukkig in kan liggen.

Wanneer hij rustig is, sluit ze zacht de deur en haalt in de badkamer een kammetje door haar haar. De kilte heeft het platgeduwd tegen haar slapen.
Ook in de coulissen wil ze trots kunnen zijn op hoe ze voor de dag komt. Dat is altijd zo geweest en het zal niet meer veranderen.
Als ze lang naar haar gezicht in de spiegel kijkt, verliest het zijn contouren. Dat doet ze.
Ze ziet de muts weer, de baard vol sneeuw, het lachende gezicht – nu ze eraan terugdenkt, voelt het prettig. Het droeg een belofte in zich, al weet ze niet waarvan precies. Van een leven buitenshuis, in de sneeuw, onder de eerste lentezon?
Hij heeft het gedaan met wat hij had, die lieve man met zijn muts. En dat was een herinnering aan haar man. Dat hij het over Levi had van zodra hij wist wie ze was, was omdat ze hem niets anders gaf. Omdat ze niemand ooit iets anders leerde te geven.

Teresa hoort iets zwaars vallen.
Meteen staat ze terug in Levi’s kamer, waar hij op de grond ligt te kronkelen, zijn beide handen rond zijn keel.
Hij heeft zich verslikt – vanuit haar ooghoek ziet ze het ontbrekende kipje zonder kop zelfs. Het gebeurt zo vaak, hij heeft te weinig spiercontrole. Ze weet dat ze zijn rug tegen haar buik moet aantrekken, een vuist onder zijn borstbeen moet leggen en die omklemmen met haar andere hand om kracht te zetten. Naar binnen en omhoog. Tot het kipje losschiet.
Ze heeft het al talloze keren gedaan, in meer of mindere mate van paniek.
Voor het eerst blijft ze staan. Op twee meter van Levi staat ze, het kammetje nog in haar hand, en ze vraagt zich af waarom hij dat kipje eerst niet en dan wel wou eten, waarom hij gewacht heeft tot ze de kamer verliet om het in zijn mond te steken.
Hij ziet haar, in opperste verbazing kijkt hij naar haar, omdat hij geen lucht krijgt of niet begrijpt waarom ze niet ingrijpt, het is allemaal niet meer te zeggen, misschien is het dat nooit geweest, en buiten danst de sneeuw, danst de sneeuw steeds onstuimiger omdat de natuur grillig is, en onverschillig.

***

Veerle Breemeersch
woont met haar twee kinderen in Leuven en werkt als communicatiemedewerker. Ze schrijft webteksten, nieuwsbrieven, kortverhalen en soms gedichten.

Peter Meijer (1953)
opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.

Reacties

  1. Zeer krachtig verhaal! Terechte winnaar.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Een steengoed verhaal. Gefeliciteerd. Veerle.
    Nel

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Gefeliciteerd, Veerle! Sterk verhaal. Eveneens complimenten aan Peter voor de mooie illustratie.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Die laatste zin... om in te lijsten zo mooi. Gefeliciteerd Veerle!

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Mooi gelaagd verhaal en prachtige illustratie!
    Peter van Essen

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten