Het Ei
- Sam Dejaegher - illustratie: Tjade Witmaar -
1
Het was zes uur ‘s morgens. Ergens in een slaapkamer weerklonk een artificieel getjilp. Halfweg een droom, met de ogen gesloten en met een geroutineerde beweging, legde Steve de digitale vogels het zwijgen op. Zuchtend. Sinds Laura anderhalve maand geleden was vertrokken, had hij geen oog meer dichtgedaan. Nu voelde het alsof hij van een andere planeet kwam. Letterlijk, want luttele seconden voor het alarm afging, zat hij nog midden in een intergalactische strijd. Een meteoriet dreigde op aarde in te slaan. Ergens diep in zijn onderbewustzijn hield Steve zijn kaken stevig op elkaar geklemd. Met één schouder had hij tegen het buitenaardse gesteente ingebeukt, in een poging om het uit zijn koers te halen en te beletten dat het ding aan de snelheid van het licht door de dampkring zou scheuren. Want dan zou het te laat zijn. Het lot van de wereld lag in zijn handen. Een wereld die steeds dichterbij kwam. Die steeds groter werd telkens hij over zijn schouder keek, als zijn zicht tenminste niet werd belemmerd door zijn cape die alle kanten uit wapperde. Het verrekte ding was een idee van zijn ex geweest. Steve vervloekte haar in zijn droom, terwijl de strijd met de komeet onverminderd verder ging. Hij herinnerde zich een gevoel van verwondering toen in de verte een alarmsignaal weerklonk. Ergens van achter een ster. Bizar is dat, had hij gedacht, want in de ruimte kon je normaal gesproken niks horen. Er was geen zuurstof om het geluid te dragen. Dat had hij ooit eens ergens gelezen. Toen hij wakker werd lag de overtrek over zijn gezicht, was zijn rug nat van het zweet en was het gevaar geweken.
Hij gooide zijn benen over de rand van het bed, ging rechtop zitten en wreef geeuwend in zijn ogen. Het was stil in huis. Stiller dan anders. Normaal gezien zou Laura nu onder de douche staan en zou Steve straks de badkamer binnenstappen. In de warmte, en in een waas van speciale shampoos en peperdure huidverzorgende crèmes. Nu zou het er koud zijn. En ruiken naar niets. Hij stond op uit het bed, liep voorbij de badkamer en ging de trap af.
De deur van de woonkamer was dicht, terwijl dat eigenlijk niet meer hoefde. Niet sinds Minoes er niet meer was. Laura had haar meegenomen. Samen met het servies, de televisie en het overgrote deel van de meubels. Het enige wat er nu nog stond was een aftandse kast, een rekje met een handvol boeken en een oude eettafel die Steve vorige week van de zolder had gehaald. Rond de tafel stonden zes stoelen die niet bij elkaar pasten. Noch qua stijl, noch qua kleur.
Steve opende de deur van de woonkamer. Deze keer kwam er geen kat om hem te begroeten. Hij verdrong het knauwende gevoel van gemis en begaf zich door het donker naar de keuken. Hij meed de felle hanglamp en knipte alleen het kleine lampje boven het aanrecht aan. Om zijn ogen te sparen. Of om het laatste restje slaap dat nog in hem sluimerde te bewaren. Voor later vandaag, dacht hij, terwijl hij het knopje van de koffiemachine induwde. Honderden kilometers boven hem, en ergens in zijn achterhoofd, brandden tientallen brokstukken op in de dampkring.
Terwijl de koffie doorliep, opende hij de koelkast. Zijn blik gleed langs de lege schappen. In de lade onderin lag een verschrompelde wortel. Hij boog voorover in het licht en snoof de lucht op. De zure geur die er wekenlang in had gehangen, was nagenoeg verdwenen. Een paar dagen geleden had hij al het eten weggegooid, nadat hij er niet in was geslaagd om de bron van de stank te lokaliseren. Hij vermoedde dat één van de biologische yoghurts van Laura aan de oorzaak lag. Die had ze niet meegenomen. Steve had de tijd nog niet gevonden om alles opnieuw aan te vullen. Of de moed. In zijn hoofd vulde hij het boodschappenlijstje aan. Verse groenten, fruit. Tijd om het roer om te gooien, dacht hij. Van die diepvriesmaaltijden had hij zijn buik vol. In gedachten liep hij door de winkel. Zijn blik bleef hangen bij het meisje dat sinds kort aan de kassa zat. Ze was vriendelijk, had hem hartelijk begroet. Ze was wel een stuk jonger dan hij. Vijfentwintig, misschien. Steve zelf was vorige maand dertig geworden. Vijf dagen nadat Laura hem had laten zitten. Een mooi cadeau was dat. De week voordien hadden ze nog samen een citytrip geboekt. Drie dagen Rome. Zonder annulatieverzekering. Hij nam de melk uit de deur, opende de fles, rook aan de inhoud en haalde zijn schouders op. Net toen hij de deur van de koelkast wilde sluiten, dook iets op in zijn ooghoek. Iets dat niet in de kamer hoorde. Iets dat er gisterenavond, toen hij naar boven ging, nog niet was.
Midden in de woonkamer, op het tapijt, waar tot voor kort een laag, vierkanten salontafeltje stond, bevond zich een zwart ei. Steve fronste, gooide de deur van de ijskast dicht en stapte erop af. Op anderhalve meter hield hij halt. Zonder zijn blik van het object te halen, stak hij zijn arm uit, greep naar de schakelaar aan de muur en knipte het licht aan.
Hij krabde in zijn haren. Haast karikaturaal. Alsof hij een beginnend acteur in het plaatselijke amateurtheater was. Hij zette een stap dichterbij en bestudeerde het voorwerp. In het licht van de hanglamp zag het er nog vreemder uit. Het leek bijna een kunstwerk. Diepzwart, glanzend en perfect eivormig. Om en bij de vijftig centimeter groot, schatte hij. Misschien net iets kleiner. En best prettig om naar te kijken. Was dit van Laura? Nee. Het kwam hem niet bekend voor en het was onmogelijk dat hij het al die tijd niet had zien staan. Laura was al weken weg. En de salontafel ook. En nu stond dit ding er plots in de plaats. Steve zette een stapje dichterbij. Toen pas merkte hij de warmte op die van het object afstraalde. Hij stak zijn handen uit, met de handpalmen naar voren toe, alsof hij zich opwarmde aan een denkbeeldig kampvuurtje, en schuifelde behoedzaam op het ei af. Eerst liep hij eromheen, traag en bedachtzaam, het voorwerp bekijkend vanuit alle hoeken. Het oppervlak was egaal. Naadloos. Betoverend. Nadat hij er helemaal was rondgestapt, hield hij halt en knielde hij neer op het tapijt, op minder dan een meter van het ei. Hij voelde de warmte ervan, alsof het leefde. Het leek in golven op hem af te komen.
Hij wilde het aanraken.
Steve plaatste zijn handen langs beide zijden van het ei. Hij had ergens verwacht dat er iets magisch zou gebeuren wanneer hij het zou aanraken, iets onwerkelijk, maar dat was niet zo. Er gebeurde helemaal niets. Hij glimlachte en schudde zachtjes het hoofd. Zijn spiegelbeeld, dat vervormd werd weergegeven in het oppervlak van het ei, deed hetzelfde.
Het voelde niet aan als glas. Misschien was het gemaakt uit kunststof of een soort metaal, maar ook dat leek onwaarschijnlijk. Het moest nog iets anders zijn. Steve knipperde met zijn ogen. Het leek zwaar. Loodzwaar. Hij gaf het ei een zacht tikje met het platte van zijn hand. Er kwam geen beweging in. Daarna een harder tikje. Nog steeds niets. Hij probeerde het op te tillen, maar het bleek al snel dat dat al zittend niet zou lukken. Hij stond op, boog voorover en sloeg zijn armen om het voorwerp. Daarna ging hij door de knieën, telde hij in zijn hoofd tot drie en begon hij te heffen. Het ei bewoog niet. Zelfs geen millimeter. Een tweede poging met dubbel zoveel inspanning haalde evenmin iets uit. Het ding leek wel aan de grond vastgemaakt. Hij ging plat op zijn buik liggen om de onderkant te kunnen inspecteren. Hij zag dat het slechts met een klein deeltje contact maakte met het tapijt, maar het kon wel degelijk op die kleine oppervlakte vastgemaakt zijn.
Maar hoe?
Steve stond op, strekte zich kortstondig en zeeg daarna meteen weer voorover. Hij duizelde en plaatste zijn handen op zijn knieën. Het bloed klotste door zijn lijf. Flarden van dromen spookten door zijn hoofd. Sterren. Zijn handen op een rotsachtige ondergrond. De aarde die groter werd. Hoe meer hij de beelden probeerde te vatten, hoe vager ze werden. Als een zwart puntje in zijn gezichtsveld. Op dat moment rinkelde zijn telefoon.
Op het scherm verscheen de naam van zijn beste vriend. Kurt. Sinds Laura was vertrokken, belde Kurt hem iedere morgen op, op precies hetzelfde tijdstip.
Steve nam de oproep aan. ‘Amigo,’ zei hij. De standaard begroeting.
‘Compadre,’ zei Kurt. ‘Wakker?’
Steve keek naar het ei. Hij twijfelde. Misschien lag hij nog in bed en zou hij zo dadelijk gewekt worden door een kunstmatig gefluit. Misschien was dit het sluitstuk van een gruwelijke koortsdroom en was er de afgelopen weken niets gebeurd. Misschien zou Laura straks gewoon naast hem liggen. Het ei bleef stil. ‘Bwa,’ zei Steve.
‘Snap ik, kerel. Die weekends lijken almaar korter te worden.’ Hij lachte. Kurt had de ergerlijke gewoonte om te doen alsof er in het leven van Steve niets ingrijpend was veranderd. Alsof hij op die manier de werkelijkheid kon ombuigen en Steve kon doen geloven dat de vrouw van zijn leven niet met de noorderzon was verdwenen. In de afgelopen zes weken had hij op geen enkel moment gevraagd hoe het eigenlijk echt met hem ging. Hoe hij zich voelde. Hij deed het niet met opzet, hij wilde Steve vermoedelijk niet confronteren met de realiteit. Daarom ging hij het onderwerp liever uit de weg en verkoos hij om te praten over banale zaken. Het werk. Muziek, of een film die hij onlangs had gezien. Of in dit geval, het weekend. ‘Barry tegengekomen in de Cavia gisteren,’ zei hij. ‘Hij was strontzat. Op zondag.’
‘Oh ja?’ Steve keek op zijn horloge en besefte dat hij moest voortmaken als hij de ochtendspits wilde voorblijven. Hij gaf het ei nog een laatste blik, draaide zich om en begaf zich naar de keuken.
‘Ja, die jongen heeft een probleem, denk ik. Hij stond te dansen op de toog, als enige. Oh, en Emmy was er ook,’ zei Kurt. ‘Ze is weer single.’ Hij gniffelde. Steve wist waarom. Steve en Emmy hadden een hele tijd geleden iets gehad, nog voor Laura. Heel kort. Meer een onfortuinlijke misstap na een bezopen avondje, dan een gemeende poging tot een betekenisvolle relatie. Het eindigde met veel verontschuldigingen, rode kaken en een ferme kater. Steve negeerde de opmerking. Hij klemde de telefoon tussen zijn schouder en zijn oor, nam een vuil kopje uit de vaatwasser en spoelde het uit met lauw water.
‘Misschien moeten Emmy en jij nog eens afspr—’
‘Ik denk het niet,’ zei Steve. ‘Dat was goed voor één keer. En dan nog.’
‘Nee, ja, je hebt gelijk,’ zei Kurt. ‘Beter niet, dan.’
Steve zuchtte onder zijn adem. Hij wist dat Kurt het goed bedoelde, maar het laatste wat hij nu nodig had was een herhaling van een ongemakkelijke one night stand. Hij vulde de kop met koffie en veranderde van onderwerp. ‘Is het druk op de weg?’
‘De hel, jongen. Ik zat nog maar net in de auto of ik moest al in de remmen gaan. En nu zit het verkeer al een kwartier muurvast. Klote binnenring. Het maakt tegenwoordig niet meer uit of ik vroeger vertrek of niet.’
Steve nam een slok koffie. Zijn blik gleed opnieuw af naar het ei. Er viel hem iets op. Even dacht hij dat het groter was dan daarnet. Dat kon natuurlijk niet, maar toch leek het zo.
Kurt ging verder. ‘Ik vraag me soms af voor wie ik het doe. Als het niet van die bedrijfswagen was, was ik er al lang mee gestopt, kerel. Ken je Marlies nog, die blonde van de boekhouding? Zij wil er ook mee kappen. En dan kan het snel gaan. Voor je het weet ligt er een hele afdeling plat. Domino-effect, weet je wel?’
Ik zou kunnen zweren dat het daarnet kleiner was. Steve zette zijn telefoon op speaker en legde het toestel op het aanrecht. Daarna opende hij het kastje onder de koelkast, ging door de knieën en keek neer op de rommel die Laura er strategisch had achtergelaten.
‘Steve?’
Lege plastieken zakken. Een oud fietsslot waarvan ze de sleutel al jaren kwijt waren. Een ovenhandschoen met een gat in.
‘Hallo?’
Achterin de kast lag de plooimeter die hij zocht. Hij nam hem vast, stond op en begaf zich naar het ei. Met een verbeten blik plooide hij de meter open en plaatste hem naast het ei. Drieënvijftig centimeter. Was het daarnet al zo groot? Hij schudde het hoofd. Het moet zijn verbeelding geweest zijn.
Kurt riep hem toe vanop het aanrecht. ‘Steve?’
Steve schrok en repte zich naar de keuken. ‘Ik ben er,’ zei hij. ‘Ik moet gaan, amigo. Ik ga te laat zijn.’
‘Geen probleem, kerel. Het begint hier net te schuiven. Misschien geraak ik dan toch nog op het werk vandaag. Stel je voor. Ik hoor je later wel, oké?’
‘Oké, man. Hou je goed.’
‘Jij ook,’ zei Kurt en hij hing op.
Steve stapte achterwaarts terug naar de keuken. Zijn blik bleef gefixeerd op het ei. Hij nam een blaadje en een balpen uit het mandje op het aanrecht, boog voorover en noteerde twee cijfers. Een 5 en een 3.
Het was maandag. De dag waarop alles voorgoed veranderde.
2
Tien uur later en Steve was omringd door appels. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Rood, groen en rond. Hij had geen idee welke Laura vroeger altijd kocht. Pink Lady? Nee. Die naam zou hij onthouden hebben. Het was nog iets anders. Iets met een g. Hij keek om zich heen en beeldde zich in hoe hij een medewerker aansprak. Excuseer, mag ik iets vragen? Zou u toevallig weten welke appels mijn ex altijd kocht? Het waren zure. Ze zouden hem aankijken alsof hij gek was. Zijn hoofd zakte tussen zijn schouders. Een dof gevoel van hulpeloosheid overviel hem. En niet alleen omwille van de appels. Nu pas besefte hij hoe hij bepaalde zaken domweg als vanzelfsprekend had beschouwd. Dingen zoals de was, het huishouden of boodschappen doen. En Laura zelf. Sinds ze weg was, had hij overleefd op een dieet van pita, pizza en kant-en-klare pasta.
Dat ding staat thuis op je te wachten.
Zijn blik ging van de stapels appels naar de kleren die hij aanhad. Deze morgen had hij onder in de kast een hemd gevonden dat hij al jaren niet meer had gedragen. Het paste hem niet meer en het rook muf.
Dat ei.
De halve bus deodorant die hij erop had leeggespoten, had het alleen maar erger gemaakt. Hij rook als de binnenkant van een crematorium. Op kantoor waren de collega’s wijselijk uit zijn buurt gebleven. Maar goed ook, dacht hij. Veel zin om te palaveren had hij toch al niet gehad.
Gala? Nee, Jonago—
‘Kan ik je ergens mee helpen?’
Steve schrok waardoor hij de appel die hij vasthield opwierp, als een tennisser die wilde serveren. Hij kon hem nog net uit de lucht plukken voor hij op de grond zou openspatten. Met een rood aangelopen gezicht draaide hij zich om. Naast hem stond het meisje van vijfentwintig.
‘15-love,’ zei ze.
Steve trok zijn wenkbrauwen op. ‘Huh?’
‘De appel?’ zei het meisje. Ze wees ernaar. ‘Het leek alsof je hem zo meteen over het net ging slaan.’ Ze bleef Steve aankijken, wachtend op zijn repliek. Haar glimlach werd hoe langer hoe breder.
‘Oh, ja. Hah,’ zei Steve uiteindelijk. Zijn blik viel op de grond, alsof hij iets verloren was.
‘De meeste mannen blijven niet zo lang hangen bij het fruit,’ zei het meisje. Ze probeerde zijn blik te vangen, die nu alle kanten opging.
Steve knikte. ‘Ik ben op zoek naar appels,' zei hij. Alsof ze dat nog niet doorhad, dacht hij, waardoor hij het gesprek in gedachten meteen archiveerde onder ‘slechtste ooit’.
Het meisje stak haar handen op en keek glimlachend om zich heen. ‘Wel,’ zei ze. ‘Je bent in ieder geval in de buurt.’
Ze keken elkaar aan.
‘Ik ben Chloë,’ zei ze. ‘Laat maar weten als ik je ergens mee kan helpen.’
‘Nieuwe ballen,’ zei Steve. De woorden vlogen uit zijn mond, zonder veel nadenken blijkbaar.
Chloë keek hem vragend aan.
Hij stak de appel omhoog. ‘Ten… tennis,’ stamelde Steve, wanhopig strijdend tegen een nieuwe vlaag van opkomend schaamrood.
‘Oh,’ zei Chloë. ‘Hah.’ Ze glimlachte en draaide zich om.
Steve gaf zichzelf een denkbeeldige mep tegen het achterhoofd, sloot zijn ogen en kneep in de brug van zijn neus met zijn duim en zijn wijsvinger.
Even later slofte hij verslagen naar de diepvriesafdeling. In zijn mandje lagen drie Fuji appels. Zoete. Het soort dat hij niet lustte.
***
Over de schrijver
Als kind viel Sam in een pot met inkt. Als je goed kijkt zie je hier en daar nog blauwe vlekken. Sam verzamelt stemmen en stiltes, en schrijft ze neer in boeken die spelen met de realiteit.
.jpg)
Proficiat, Sam!
BeantwoordenVerwijderenGoed gedaan!
BeantwoordenVerwijderenJa gefeliciteerd!
BeantwoordenVerwijderenProficiat!
BeantwoordenVerwijderen