Roosje
- Brecht Huyghebaert - illustratie: Tjade Witmaar -
In de stille hoop dat de bespreking sneller achter de rug zou zijn door te laat te komen, liet Walter na het ontbijt de tijd zachtjes wegtikken. Hij las een extra hoofdstuk in zijn boek, stak een tweede sigaret op, aanschouwde het mussengevecht rond het voederhuisje op zijn terras. Een werkdag begon voor Walter nooit vóór tien uur. Het stoorde hem dat hij vroeger dan normaal de deur uit moest, en dan nog voor iets wat hem, in zijn ogen, niet aanbelangde. En dat op een maandag.
Met een diepe zucht wist hij zichzelf uiteindelijk toch van de keukentafel los te maken en naar de inkomhal te slepen. Terwijl hij zijn jas dichtknoopte riep hij zijn dochter terug naar beneden, en met gespeelde haast begon hij wat in de vestiairekast te rommelen.
“Is het ver stappen?” hoorde hij haar vanop de trap vragen.
“Nee, het einde van de straat, op weg naar school. We zijn al laat. Hier, doe je laarzen maar aan, en je muts.”
Walter trok de deur achter zich dicht en hoorde vaag een telefoon rinkelen. Tussen twee geparkeerde wagens staken ze hand in hand de straat over, naar de zonnige kant.
Walter begon zich vragen te stellen. Is de deur wel op slot? Hij dacht van wel. Is er nog eten in huis? Aardappelen in de mand? Hij was niet zeker. Dadelijk toch maar iets meenemen van de markt. En er de ganse dag mee rondlopen? Vanavond naar de winkel, met z’n tweetjes. Hij bedacht zich dat het de eerste keer was dat ze ‘s ochtends samen vertrokken, en die avond ook samen zouden thuiskomen. Vindt ze het raar dat ik anders nog thuisblijf als zij vertrekt? Wat doet hij daar nog? Denken kinderen daar aan? Wat hun ouders doen? Te veel met zichzelf bezig. Walter hoorde zijn dochter zachtjes neuriën. Hij sloot zijn ogen en zag haar moeder. Het was kalm op de markt. Te koud, en toch nog een beetje glad op de baan. Walter hield niet van de markt. Middeleeuws gedoe.
Aan het einde van de straat staken ze terug over en stapten het herenhuis op de hoek binnen, via de openstaande vleugel van de koetspoort. Achter de balie had de secretaresse de hoorn van de telefoon nog in haar hand.
“Meneer Mollemans? U bent wat te laat. Gaat u even zitten, ik verwittig de notaris.”
Ze namen plaats in een zware leren fauteuil tegenover een majestueuze wenteltrap. Geruisloos probeerde het meisje haar boekentas te openen maar Walter hield haar zachtjes tegen door zijn hand op haar knie te leggen. Het gekraak van de houten verdiepingsvloer deed hen allebei omhoog kijken. Tegen Walters verwachtingen in daalde een frisse jongedame gezwind de trap af.
“Meneer Mollemans, u bent veel te laat, mijn volgende afspraak is al binnen tien minuten.”
Walter ging rechtstaan. “Mijn excuses, we hebben…”
“Op tien minuten kan ik u niet voldoende toelichting geven vrees ik, ik doe het graag in één keer want anders is het toch maar tijdverlies. Jij bent Roosje waarschijnlijk? Uw dochter hoefde niet mee te komen meneer Mollemans.”
“Wel ik dacht…”
“U kunt een nieuwe afspraak maken bij mijn medewerker. Graag zo snel mogelijk want we zijn aan termijnen gebonden.”
“Maar kunt u niet gewoon de papieren op de bus doen? Ik woon hier…”
“De wet verplicht mij u persoonlijk toelichting te geven. Dit is belangrijk meneer Mollemans.” De notaris keek Walter met een ernstige blik aan. “ Ook voor u.”
“Ja, dat begrijp ik…”
“Rita, zorg jij voor een nieuwe afspraak voor meneer? Tot binnenkort meneer Mollemans, dag Roosje.”
De notaris verdween opnieuw via de wenteltrap. Walter hielp zijn dochter met haar boekentas en haastig stapten ze de balie voorbij.
“Meneer, uw nieuwe afspraak?”
“Ja, we moeten echt dringend gaan, school weet u wel, we zijn al te laat. Ik bel u nog voor die afspraak. Vanavond.”
*
Opgelucht stapte Walter met zijn dochter aan de hand het herenhuis terug buiten en tien meter verder, voor het eerst met zijn tweetjes, In De Zwaan binnen. Hij duwde haar zachtjes voor zich uit terwijl ze zich een weg baanden door de menigte, en warmde zich op aan een herinnering uit zijn kindertijd, toen hij elke week met zijn vader meeging op café en altijd een chocoladereep kreeg. Ze lagen nog op dezelfde plaats, kleurrijk uitgestald tussen de droge worsten en de sterke drank. Aan het einde van de toog was er nog één kruk vrij.
“Wil jij ook een chocoladereep?”
“Hm? Nee, water.”
Geen snoeper, juist.
“Rudy goeiemorgen, een koffie en een plat water. En een cognac.”
Walter knoopte zijn jas open, en vond enkel een aansteker in zijn verder lege aktetas. Ondertussen hing zijn dochter haar jas aan het haakje onder de toog. Ze beklom de barstoel en in dezelfde beweging haalde ze een dik, wit boek uit haar boekentas. In de schaduw van de drie kolossen in geruite hemden naast haar verdween ze in haar verhaal.
Walter keek rond. Bij wie durf ik hier een sigaret schooien? Hoe zijn we hier eigenlijk geraakt? Het was er veel drukker dan ‘s avonds, ander volk ook, hij herkende niemand. Houthakkers naast zijn dochter. Of zouden het gewoon bouwvakkers zijn? Oude woorden, daar moesten ze iets anders voor vinden. Veel oude tantes, altijd veel te vertellen, een paar maatpakken, daar had hij tussen kunnen staan. Een gedachte die hem altijd overviel bij het zien van zo’n types. Andere beslissingen. Maar ze zijn hier ook beland, ‘s ochtends op café, tussen de sukkels. Vraagt niemand zich af wat wij hier doen? Wat leest ze eigenlijk? Warm hier.
“Doe je je muts niet uit?”
Walter nam de pompon tussen zijn duim en wijsvinger en trok hem langzaam omhoog, tot de muts nog net als een kegel op het hoofd van zijn dochter bleef rechtstaan, en daarna slap achterover zakte. Bijna gelijktijdig stootte het trio naast hen een bulderend lachsalvo uit dat hem deed opschrikken. Zijn dochter gaf geen kik.
Of zijn het marktkramers? Dat zou logisch zijn. Die kunnen kabaal maken, waar leren ze dat toch? Van vader op zoon. Kaarters. Grijsaards met bruine vlekken, tassen op de schoot, stok tussen de knieën, en maar rondkijken en zwijgen. Allemaal op hun manier. Ongelukkig. Walter ging het rijtje achterhoofden in de lange spiegel af, één voor één, tot hij bij zichzelf uitkwam. Een oude vent, alleen. Als ze bij mij was gebleven was ik nu weduwnaar. Gek toch. Ook een oud woord, uit een andere tijd. Weduwnaar. Molenaar. Kluizenaar. Ik ben oud maar niet zó oud. Bestaat er een woord voor haar? Weeskind? Triestig bevel. Het klopt ook niet. Halfwees heb ik eens gelezen, maar wie gebruikt dat woord? Notarispraat. Bijna klaar voor het weeshuis, eerst de andere helft nog. De verkeerde helft. Ze is al zo lang dood. Hoe lang? Weken, maanden, waarom gaat die administratie zo traag? Hoe jong was die notaris eigenlijk? Knap ding. Dit is belangrijk meneer Mollemans, ook voor u. Zou het?
Wanneer Walter de cognac bij zijn koffie wou gieten draaide één van de houthakkers zijn hoofd een kwartslag en stak drie vingers van zijn linkerhand op. Zweet parelde op zijn voorhoofd, in zijn woeste wenkbrauwen, op zijn ruwe wangen. Hij keek over zijn schouder en zag onder hem, in een andere wereld, de muts. Traag draaide de kolos de rest van zijn lichaam en met gekruiste armen op de toog probeerde hij mee te lezen. Met zijn knoestige vingers krabde hij in zijn baard. Zonder iets te vragen nam hij het boek uit de handen van het kind, dat met halfopen mond liet begaan, en bekeek de kaft.
Bij Walter brak het zweet uit. Hij probeerde iets grappigs te verzinnen, iets luchtigs, maar zijn dochter kreeg het boek alweer terug. De reus stroopte zijn mouwen op, boog zich traag voorover en bromde iets in het oor van het kind. Walter kon de ranzige bierlucht bijna van tussen zijn gele tanden zien walmen. Hij leunde ook naar voren maar kon de stem van de reus niet onderscheiden in het rumoer. Een glimlach verscheen op het gezicht van zijn dochter. Verlegen bracht ze haar hand voor haar mond, ze begon te proesten en daarna luidop te lachen, waarna ze met grote ogen de reus durfde aankijken. Traag ging hij terug rechtstaan en nam de drie glazen bier die ondertussen op de toog stonden. Hij draaide zich naar zijn gezelschap dat opnieuw in een luid gelach uitbarstte. Met een blij gezicht ging het meisje verder in haar boek.
Walter zag zijn koffietas lichtjes trillen wanneer hij het naar zijn mond bracht, en kreeg spijt. Wat een slecht idee, ‘s ochtends vroeg, zatlappen, smerig bier, geen omgeving voor een kind. Maar ‘s avonds is het anders. Iedereen is moe van de dag. Wanneer heb ik nog zo gelachen? Zij is niet bang. Wat leest ze nu eigenlijk? Sprookjes. Er was eens lang geleden, een prinses, erwtje in de buik, met haar prins in een donkere steeg. Aangevallen door wolven. Wat als ze haar hadden verslonden? Alle woorden waren weg. Prins zonder paard. Er is niets gebeurd. Of wel? De wolven verdwenen. Zij was toen wel bang. Die blik kwam terug na de bevalling. Vanaf nu is het voor echt Walter. Gaat hij het kunnen? Nee dus. Dit is belangrijk, ook voor u. Verlaten ging ze me dus hoe dan ook, vroeg of laat. Het maakte niets uit.
Met een harde tik zette de reus zijn lege glas op de toog. Vanuit de hoogte keek hij Walter aan, grijnsde een deel van zijn gebrekkig gebit bloot en veegde met de rug van zijn hand het schuim uit zijn snor. Uit zijn borstzak haalde hij een verfrommeld bankbiljet en smakte het op de toog. Zonder te wachten op hun wisselgeld vertrok het trio naar buiten.
Het meisje klapte haar boek dicht en nam drie grote slokken water. “Gaan we nu bijna naar school?”
“Wat zei die man?”
“Hm? Niks.” Ze schoof de muts van haar hoofd en propte hem samen met het boek in haar tas.
“Wat was er dan zo grappig?”
“Wat? Ni-iks. Wanneer mag ik naar school? Waarom moest ik eigenlijk mee naar die mevrouw?”
“Straks, mijn koffie is bijna op. Was het een grapje?” Walter stak zijn cognacglas in de lucht en probeerde oogcontact te maken met de barman.
"Nee-ee, het was niks. Ik wil naar school!”
“Waarom moest je dan zo lachen?”
“Gewoo-oon. Vertel jij dan eens een grap.”
“Een grap? Even denken… Een weduwnaar en een halfwees stappen een notariskantoor binnen. Ze worden…”
“Een wat en een wat? Ik snap het niet.”
"Ok, iets anders. Drie houthakkers en een kabouter stappen een café binnen…”
“Stop! Komaan ik wil op school zijn vóór de speeltijd begint!”
Zonder op haar vader te wachten gleed ze van haar stoel en glipte terug naar buiten.
*
Met zijn aktetas in zijn rechterhand en haar boekentas en jas in zijn linker liep Walter achter zijn dochter aan. Het gerinkel van de schoolbel om de hoek vermengde zich met het klokkenspel in de kerktoren.
“Dus daarom is je boekentas altijd zo zwaar.”
“Hm?”
“Je boekentas. Door dat boek.”
“Ja-aa.”
“Van waar heb je dat?”
“Wat? Van mama. Kom op!”
Het meisje rende naar de schoolpoort en greep met beide handen de spijlen vast. “Het is dicht, kun jij open doen? Waar is je sleutel?”
“Hier. Waarom doe je je jas niet aan? Het vriest.”
“Da-ag.” Haastig wurmde ze zich door het half geopende poortje en liep naar haar vriendinnetjes die aan de overkant van de speelplaats in een grote elastiek rondzweefden. Net voor ze zelf in de grote roze wolk verdween keek ze nog heel even achterom.
Walter zette de boekentas tegen het muurtje naast de poort en legde de jas erover. Traag maar vastberaden stapte hij de andere kant op, naar de speelplaats van de middelbare school. Waarom is ze niet verdrietig? Dat zou makkelijker zijn, dan kon ik haar troosten. Komt dat later? Wie is ze eigenlijk? Staat ze in dat boek? Moet ik haar lezen? Hoe ze mij ziet. En zij mijn dochter. Hotel papa. Roosje aan de receptie, Roosje aan het buffet, strips aan het zwembad, handdoeken op de grond, bedankt mevrouwtje en tot binnen twee weken. En hier kennen we mekaar niet. Fijn glimlachje. Dat was perfect. Dat mocht eeuwig blijven duren. Nooit meer alleen. Walter Mollemans, directeur van het halfweeshuis. Kan ook leuk worden. Beetje streng doen, beetje manieren leren. Maar is de speeltijd nog niet gedaan? Je wordt vader Walter. U heeft geluk meneer Mollemans het is een meisje. Ja.
Naast de toiletten stond een groepje rokende zesdejaars waar Walter het derde uur les aan mocht geven. Hij had iets van Dickens in gedachten. Net voor hij het groepje bereikte ging de kring open en reikte één van de jongens hem een pakje sigaretten aan.
***
Tjade Witmaar is beeldend kunstenaar, illustrator en grafisch ontwerper en werkte als zodanig in Nederland en Spanje.


Gefeliciteerd Brecht! Graag gelezen.
BeantwoordenVerwijderenMooi verhaal! Proficiat!
BeantwoordenVerwijderen