Droom Maar Lekker Verder
- Niels Leslie Pringle - illustratie: Jo Neels -
Noah Velink was een man van exacte snijpunten. In zijn hoofd mocht een frame nooit te vroeg vallen, nooit te laat. Hij dacht in overgangen, in ritme, in beeldlijnen die moesten kloppen voordat een scène bestaansrecht kreeg. Die precisie had hij als freelancer aangescherpt in de raamloze montagesuites van Amsterdamse postproductiehuizen.
Nu gebruikte hij diezelfde blik bij de Albert Heijn. Zijn jonge collega’s vulden vakken. Noah deed aan mise-en-scène. Hij spiegelde de producten met een dodelijke ernst, net zolang tot het gangpad de dwingende symmetrie en het centrale verdwijnpunt van een Kubrick-film had. De gangpaden werden zijn nieuwe suite, het gezoem van de ventilatoren zijn witte ruis. Voor Noah was symmetrie geen esthetische keuze, maar een noodzakelijke verdediging tegen de chaos.
De supermarkt was voor Noah geen plek van vernedering, maar een wereld van ritme en herhaling. Zijn lichaam, ooit ondergeschikt aan deadlines en blauw schermlicht, was nu een instrument dat hij elke dag tot twintigduizend stappen dwong. Hij was zevenenvijftig, maar in de spiegel van de personeelskleedkamer zag hij nog steeds iemand die wachtte op zijn close-up.
En toen kwam Julia.
Eenentwintig jaar. Het was absurd dat iemand met zo’n oogopslag, met die uitstraling, tussen de blikken tomaten stond. Een castingfout. Alsof je een première organiseerde in een magazijn. Ze stapte zijn kader binnen tijdens de ochtendvergadering. Terwijl de teamleider monotoon de actieproducten van de week opdreunde, zag Noah alleen háár. Ze stond niet stil zoals de anderen. De rest van de vulploeg stond erbij als een bevroren frame. Zij niet. Ze verlegde ritmisch haar gewicht, van links naar rechts, en brak de compositie van het gangpad. Ze was beweging in een stilstaand beeld.
Ze werd die ochtend aan zijn gangpad toegewezen.
“Hoi,” zei ze. Ze stak een hand uit, dwars door de orde die hij zorgvuldig om zich heen had opgebouwd. “Ik ben Julia. Jij bent Noah, toch? De man die nooit pauze neemt?”
Ze kende zijn naam. Ze had op hem gelet. Noah voelde een schok die niets te maken had met de statische elektriciteit van de winkelschappen. Het was de sensatie van een filmklapper die dichtsloeg. Het geluid van een begin.
“Ik neem wel pauze,” zei hij. Zijn stem klonk roestig in zijn eigen oren. “Ik besteed mijn tijd alleen… efficiënt.”
Ze lachte. Hard en ongefilterd, bijna jongensachtig. Hij wist niet of hij moest teruglachen of wegkijken.
“Efficiënt,” herhaalde ze. “Dat is een mooi woord voor hard werken. Leer je mij hoe het moet? Ze zeggen dat jij de beste bent.”
In Noahs hoofd begonnen de gebeurtenissen van de ochtend zich te rangschikken. Hij bekeek ze opnieuw, alsof er een snijpunt zat dat hij eerder had gemist.
Tijd is kneedbaar, zolang je weet waar je de snede moet maken.
*
De weken die volgden voelden als een reeks zorgvuldig gemonteerde scènes. Hij sneed weg wat het verhaal niet diende; de gesprekken van de zestienjarige vulploeg over fatbikes en gangsterrap, het geschreeuw van de filiaalmanager, de dode uren waarin zij er niet was.
Ze groeiden naar elkaar toe in de witruimtes van het rooster. Hun pauzes vielen niet langer toevallig samen.
Julia keek naar hem terwijl hij zijn brood at.
“Waarom doe je het zo?” vroeg ze ineens. “Dat spiegelen. Je bent de enige die het doet alsof het… belangrijk is.”
Noah stopte met kauwen. Dit was zijn opening. Hij wilde niet dat ze hem zag als een oude man die gewoon zijn werk deed. Hij wilde dat ze de editor zag.
“Omdat het belangrijk is,” zei hij. “Het is ritme. Kijk naar die schappen. Als het rommelig is, kijkt niemand. Als het strak staat, leid je het oog.”
Hij boog zich iets naar voren.
“Vroeger deed ik dat met film. In de montage bepaalde ik waar je naar keek, en wat je voelde. Dat is geen stapelen, Julia. Voor de één is het manipulatie. Voor de ander magie.”
Haar vork bleef boven haar fruitsalade hangen.
“Wow,” zei ze zacht. “Zo heb ik er nog nooit naar gekeken.”
Ze leunde op haar ellebogen.
“Weet je,” zei ze, “jongens van mijn leeftijd geven nergens om. Alles is een grapje. Maar jij… jij denkt echt na over dingen. Dat spreekt me aan.”
Noah voelde iets in zijn borst verschuiven.
“Ik was goed,” zei hij. “Misschien té goed. Ik begon te denken dat ik alles kon sturen.”
Hij hield haar blik vast.
“I fucked up, Julia. Daarom zit ik nu hier.”
“En toch… je bent te slim voor hier,” zei Julia met een knipoog, terwijl ze opstonden van tafel.
Hij zag in haar blik iets dat hij lang niet meer had gezien. Bewondering. En bewondering is gevaarlijke brandstof voor een man die dacht dat zijn vuur allang gedoofd was.
Haar aanwezigheid had iets vluchtigs, als een cameo van een beroemde actrice in een grote productie. Ze hoorde hier niet. Dat zag je aan haar handen, en aan de achteloosheid waarmee ze haar uniform droeg, alsof het na de laatste scène terug moest naar de kostuumafdeling.
Voor Julia was de Albert Heijn een tussenstation. Voor Noah het eindpunt.
In zijn hoofd stonden ze scherp in het midden van het frame, terwijl de rest onscherp om hen heen bewoog.
Natuurlijk kende Noah de clichés. Een script over een man van zevenenvijftig en een meisje van eenentwintig zou hij vroeger genadeloos hebben afgekeurd. Te makkelijk. Te sentimenteel.
Maar dit was geen afgeronde film. Dit waren rushes. Ruw materiaal. In ruw materiaal ligt de uitkomst nog niet vast. Zolang de editor niet knipt, is elke wending mogelijk.
Het was op een dinsdagmiddag in augustus dat de werkelijkheid die wending nam.
De airconditioning vocht een verloren strijd. De hitte bleef hangen tussen de stellingen, zwaar en statisch. Onder de tl-buizen leek het gangpad overbelicht, uitgefikt bijna. Een pallet olijfolie stond half uitgepakt in het gangpad.
Julia bukte bij de pallet, pakte een fles uit de doos en draaide zich naar het schap.
Toen kantelde het licht.
Het blauw van de tl’s week uiteen en kleurde goud, als studiolampen die langzaam opwarmden. Het gangpad rekte zich uit, de wanden weken terug. De metalen stellingen groeiden tot zuilen die verdwenen in de nok. Het linoleum onder zijn schoenen vloeide samen tot een zwarte, glanzende studiovloer.
Het gezoem van de koelingen viel weg. De wielen van winkelwagens kwamen tot stilstand. Het korte piepen van zolen verstomde.
Wat overbleef was zijn eigen adem.
Julia stond niet meer tussen de dozen. Ze stond op een verhoging. De lampen boven haar hoofd hingen nu in een perfecte cirkel. Een warme key light viel op haar gezicht, terwijl een scherp tegenlicht haar silhouet losmaakte van de achtergrond. Het stugge polyester van haar uniform viel nu soepel om haar lichaam als zijde.
Ze draaide zich naar hem toe. Ze keek recht de lens in.
“Ze zien het niet,” zei ze.
Haar stem droeg moeiteloos door de enorme ruimte, helder en zonder ruis.
“Ze zien niet dat jij monteert terwijl zij alleen maar kijken.”
Noah hief zijn handen. Zijn duimen en wijsvingers vormden een rechthoek.
Het kader.
“Dit is geen winkel,” zei ze, en ze deed een stap naar voren, precies in de uitsnede. “Dit is jouw scène. Jij bepaalt waar de snede valt.”
Op de zwarte vloer verschenen witte lijnen. Markeringen. Posities. De manager, de klanten, de vulploeg – ze vervaagden buiten zijn blik.
“Neem het terug,” zei Julia.
Ze kwam dichterbij. Iedere stap in sync met zijn hartslag.
“Neem de regie terug die ze van je hebben afgepakt.”
Hij kneep één oog dicht. Hij hield haar gezicht gevangen tussen zijn vingers.
De compositie klopte.
“En… actie,” fluisterde hij.
“Noah?”
Het woord sloeg dwars door zijn kader heen.
Het gouden licht versplinterde. Het kille flikkeren van de tl’s sneed erdoorheen. De zuilen krompen ineen tot stellingen vol pasta en olijfolie.
De stilte brak.
Het monotone dreunen van de koelmotoren drong weer in zijn oren. Een scanner piepte bij de kassa. Schoenen schoven over het linoleum.
Zijn handen hingen nog in de lucht.
Julia stond op een meter afstand met een fles olijfolie in haar hand. Haar hoofd iets schuin. Haar wenkbrauwen licht gefronst.
“Noah?”
Een blikje viel verderop in het pad.
Hij liet zijn handen zakken.
“Sorry,” zei hij. Zijn stem schraapte. “Ik was even weg… aan het dagdromen.”
Hij keek naar de pallet in plaats van naar haar.
“Gebeurt wel eens.”
Hij streek zijn mouw glad, alsof daar iets niet klopte.
“Beroepsdeformatie.”
Ze bleef hem aankijken. Hij verwachtte dat ze zou weglopen. Dat ze hem een vreemde, zielige oude man zou vinden. Maar ze glimlachte. Niet spottend, maar zacht.
“Geeft niet,” zei ze. “Je keek gewoon door me heen. Ik dacht even dat je vastliep.”
Ze tikte speels tegen haar eigen slaap. “Resetten maar weer.”
Ze draaide zich om en liep naar het volgende schap.
Noah bleef staan.
Het licht was weer gewoon licht. Hij keek haar na. Ze werkte verder.
De volgende ochtend ontliep Noah haar. De schaamte zat nog in zijn lijf. Hij was uitgerekend tegenover haar weggevallen.
Hij verschool zich in het gangpad met de schoonmaakmiddelen, waar de chemische geur van citroen en bleek zijn gedachten overeind hield.
“Noah?”
Hij verstijfde.
Ze stond aan het einde van het schap met haar telefoon in haar hand. Ze keek hem aan. Ze liep naar hem toe en kwam zonder aarzelen dicht bij hem staan. Er zat geen lucht meer tussen hen. Hij rook de geur van haar huid, iets zachts in haar haar. Zijn evenwicht verschoof een fractie.
“Ik moest de hele avond aan je denken,” zei ze.
Zijn hart sloeg een slag over.
“Over gisteren,” ging ze verder. “Dat je zei dat je dagdroomt. Ik heb het opgezocht.”
Ze hield haar telefoon omhoog als bewijsmateriaal.
“Ik voelde me rot dat je je verontschuldigde, want weet je wat het eigenlijk betekent? Ik las een artikel van psychologen.”
Ze keek op haar scherm en las voor, haar stem vol bewondering:
“Onderzoekers zeggen dat dagdromen wijst op een uiterst efficiënt brein. Het heet… even kijken… autobiografisch plannen.”
Ze keek hem aan, haar ogen groot en glanzend.
“Snap je dat, Noah? Je was niet afwezig. Je hersenen waren bezig met de toekomst. Met het oplossen van problemen voordat ze er zijn. Het betekent dat je een hoog intellect hebt.”
Ze liet haar hand zakken en raakte heel even zijn bovenarm aan.
Zijn ogen volgden haar hand.
“Ik wist het wel,” zei ze zacht. “Jij bent anders. Je bent een denker.”
Noah stond roerloos naast het schap met allesreiniger.
Autobiografisch plannen.
Hij had zichzelf al die tijd verkeerd begrepen.
“Dank je, Julia,” zei hij. Zijn stem was vast. De onzekerheid had plaatsgemaakt voor wetenschap.
“Graag gedaan,” glimlachte ze. “Droom maar lekker verder. Blijkbaar leidt het ergens toe.”
Ze draaide zich om en liep weg. Noah keek haar na.
Het leidde zeker ergens naartoe, dacht hij. Zijn geest had haar routekaart allang uitgestippeld. Hij hoefde hem alleen nog te leren lezen.
*
Het was haar idee geweest om samen naar De Parade te gaan.
Noah had zijn overhemd gestreken met de zorg waarmee hij ooit premières voorbereidde. Hij was een uur eerder gekomen om de juiste locatie te scouten. Een houten tafel, net buiten de looproutes, waar de ondergaande augustuszon het hout warm kleurde en huid zachter maakte.
Het Martin Luther Kingpark was een circus van basdreunen, verschaald bier en plakkerige tafels. Voor Noah was het slechts een wijd overzichtsshot. De werkelijke scène speelde zich af aan de door hem uitgekozen tafel.
Julia nipte van haar witte wijn. Ze plukte aan het etiket van haar glas. Een klein, kwetsbaar gebaar dat hij in zijn hoofd al uitvergrootte.
Ze draaide zich naar hem toe.
“Noah. Mag ik iets met je delen? Iets vertrouwelijk?”
Hij knikte. Kalm.
“Alles, Julia.”
Ze beet op haar lip.
“Je weet hoe ze bij Albert Heijn zijn. Die stomme regels over relaties op de werkvloer. Ze doen daar zo krampachtig over.”
Zijn hart sloeg een trage tel over. Ze had de regels opgezocht.
“Regels zijn er voor mensen die niet weten wat belangrijk is,” zei hij. “Daar hoeven wij ons niets van aan te trekken.”
Ze ademde uit. Haar schouders zakten.
“Ik wist dat je het zou begrijpen. Je bent zo anders dan de rest. Ik wilde dit als eerste met jou delen. Omdat ik je vertrouw.”
De woorden vielen warm op hem neer. De opbouw klopte.
“Er is iets ontstaan,” zei ze zachter. “Iets dat ik alleen met jou kan delen.”
Noah slikte. Hij boog zich iets naar haar toe, stapte voor het eerst zelf het frame in.
“Ik voel me vereerd,” zei hij. “En ik wil dat je weet dat ik precies hetzelfde voel. Al weken.”
Hij draaide zijn handpalm omhoog en spreidde zijn vingers een fractie, alsof hij alvast plaats maakte.
Ze keek op. Het licht lag zacht op haar gezicht. Ze glimlachte.
“Echt?”
“Echt.”
“God, wat fijn,” zei ze. “Want ik ben verliefd geworden, Noah. Echt vreselijk verliefd.”
Hij opende zijn mond om te antwoorden toen er een schaduw over de tafel viel.
“Hé! Daar zijn jullie!”
Noah keek op. Mark van de groenteafdeling stond naast hen met een dienblad bier en een grijns die pas net begon.
“Uh, Mark,” zei Noah. “Julia wilde me net iets persoonlijks vertellen. Vind je het erg om even…”
Mark bleef staan. Hij zette het dienblad neer en schoof zonder te vragen op het bankje naast Julia. Zo dichtbij dat hun bovenbenen elkaar raakten.
“Heb je het al verteld, Juul?”
Noah keek van hem naar haar. Haar glimlach verschoof. Niet weg. Alleen van richting.
“Net,” zei ze. “Hij reageerde heel tof.”
Mark sloeg zijn arm om haar schouder en trok haar tegen zich aan. Hij drukte een kus op haar slaap.
“Mooi man,” zei hij tegen Noah. “Wij zijn samen. Officieel. Maar sst… alleen jij mag het weten.”
In Noah viel alles stil terwijl de zweefmolen achter hen bleef draaien.
Hij keek naar Marks hand om haar schouder. Naar hoe vanzelfsprekend die daar lag.
Naar haar gezicht, half tegen Marks borst, en naar de blik waarmee ze hem aankeek.
Toen zag hij het.
Gewoon vertrouwen.
Het soort dat je hebt bij iemand die veilig is.
“Wat fantastisch,” hoorde hij zichzelf zeggen. “Jullie twee. Wie had dat gedacht.”
“Ja toch?” zei Mark. “Het hing al tijden in de lucht. Maar op de werkvloer is het lastig. Daarom zijn we zo blij dat jij onze dekmantel wil zijn.”
Dekmantel.
“Hé, wij gaan even in de zweefmolen,” zei Mark, al half overeind. “Nu het nog kan. Pas jij even op de tassen?”
Op het bankje tegenover hem lagen twee rugzakken en een spijkerjasje. Slordig neergekwakt, als rekwisieten na een draaidag.
Ze waren al weg voordat hij antwoord gaf.
Hij bleef zitten.
“Meneer?”
Een jongen in een geel Parade-shirt stond naast hem en keek hem onderzoekend aan.
“Gaat het wel?”
Noah keek naar hem op.
Hij zei niets.
Hij reikte over tafel en schoof de twee rugzakken iets dichter tegen elkaar aan. Precies in het midden van het bankje.
Zodat het beeld klopte.
***
Niels Leslie Pringle is schrijver en maker op het snijvlak van literatuur, film en muziek. In zijn werk verschuift het vanzelfsprekende naar het onvermijdelijke. Hij onderzoekt hoe mensen reageren wanneer systemen, relaties of omstandigheden onder druk komen te staan.
Jo Neels is schrijver en illustrator. Zowel in haar schrijven als in haar illustraties vind je fantasie, horror en/of existentiële angst terug. Je kunt haar vinden op Instagram (@fictionbyjo) of via www.fictionbyjo.com



Gefeliciteerd! Graag gelezen!
BeantwoordenVerwijderenProficiat, mooi hoe je de stijl consequent doorvoert.
BeantwoordenVerwijderenHeel mooi!
BeantwoordenVerwijderenGefeliciteerd! Prachtig verhaal!
BeantwoordenVerwijderenEen parel van een verhaal!
BeantwoordenVerwijderen