Winnaar Manuscripten maart 2026


Kutzke

- Hans Lucien Roosen - illustratie: Peter Meijer -


1920

Dit gezegd zijnde en de feiten dat ik genie, mulat noch lijk ben, kwam ik ter wereld in de nok van een stadspaleis vol blinkend marmer, naast één der fraaiste Art Nouveau lichtkoepels van Brussel. Dat is van horen zeggen. En niet eens van mijn moeder. Je ontstaan is het resultaat van enige momenten van siddering tussen twee vreemden. Vervolgens heb je een leven om uit te vissen wat nu eigenlijk de bedoeling was. Maar in de eerste fase van het kampioenschap - er zijn lieden die het leven zien als een wedstrijd; ook zij vergissen zich schromelijk, er is geen eindmeet, er zijn geen medailles, alle deelnemers zijn hetzelfde lot beschoren - had ik geen boodschap aan kleurrijke glasramen en frivool krullend staal. Ook mijn moeder niet, zij was dienstmeid en ze beet op een houtje. Ze blies speeksel door op elkaar geklemde tanden, hurkte hijgend over de enige stoel van haar chambre de bonne. Vier verdiepingen lager luisterden mannen in rok en vrouwen in charlestons naar de koperen toeter van een pathéphone, een bakelieten schijf aangezwengeld door een palfrenier. De bediende in frak met het uiterlijk van een stalknecht draaide de slinger van de platenspeler met het elan waarmee hij ook de motor van het Delahaye automobiel aan de praat kreeg. Een jongedame in een strass jurk gaf minuscule gilletjes. De Livery Stable Blues blies uit een fraai met bloemen geciseleerde hoorn. Bevederde boa’s wapperden. Lange paarlen kransen slingerden. De dixieland band produceerde ritmische stalgeluiden. Dames van stand gniffelden bij het herkennen van hinnikende merries en prottende koebeesten. Als pinguïns uitgedoste heren wreven glimlachend hun snorpuntjes op bij de muzikale beestenboel. Jongedames knikten fluks hun fijne hieltjes naar voor en naar achter, molenwiekten met blote armen. Tot groot jolijt van de jongelui en het gedistingeerde gesnuif van de heren van stand. Lalique lampen en lusters met vergulde libellen beschenen all that jazz. Tot de pasgeborene vanuit het torenkamertje met de kracht van een misthoorn alle onbezonnenheid wegblies uit het feestje. Maandenlang had de dienstmaagd haar gezegende toestand weggemoffeld. Maar mijn eerste levenskreet gutste uit het kleine lijfje met een kracht die meedogenloos weerkaatste op florale glasramen, glanzend gekrulde mahonie, chinoiserieën, pauwenogen, vazen met lelies. Toast met kaviaar viel op de mozaïekvloer, iemand verslikte zich in z’n champagne, sigarenrook werd opgehoest. Een grote man met drie gladgeschoren kinnen die als worstjes op zijn hoge boord lagen, wenkte een bediende. De tot hofmeier gepromoveerde koetsier gaf een ijdele hijs aan het muziekje in de hoop dat his masters voice de schreeuwlelijk zou overstemmen. De vrouw des huizes veinsde een migraineaanval. Ze liep in tranen de kamer uit. Haar driedubbel geknoopte paarlen snoer sloeg luidruchtig tegen een Chinese vaas. Een ouder koppel; hij had de bakkebaarden van een bankier, zij het wiebelende volume van Catharina de Grote; maakte zich zonder veel plichtplegingen uit de voeten. Ook een jongeman die zonet nog lachend was opgedoken van achter een wuivende bos struisvogelveren schuifelde schoorvoetend naar de trap. Hij droeg een driedelig grijs pak verlucht met een paarse zijden das die op z’n plek werd gehouden door een speld in de vorm van een wellustige Sylphe. Het gouden vlindervrouwtje spreidde de vleugels maar hield de benen gekruist. Nerveus pulkte de jongeman aan zijn delicate moustache. Hij leek te staren naar de vloer. In werkelijkheid keek hij gebiologeerd naar het spiegelbeeld van zijn gepommadeerde coupe in het glimmen van de eigen schoenen. Heel de traphal resoneerde als een klankkast. Het krijsen overstemde elk overhaast afscheid. De mansarde was niet te bedaren. Een huisbediende liep de trappen op alsof er brand was uitgebroken. Een timide kerel met een hoornen bril en een hazenlip, stelde voor zijn diensten als laatstejaars geneeskunde ten dienste te stellen. Op het palier van de derde verdieping kruiste de geneesheer in spe de student met de lascieve lavallière en opgeblonken schoenen. De gedoctoreerde hazenlip verwrong tot een nog schevere grijns. ‘Dit kan niet!' Ik kan dit niet aan!’ huilde de jongeman met het gepommadeerde haar. ‘Abel,’ antwoordde de arts in wording, ‘ga uit de weg. Het aanhoudend gekrijs doet complicaties bij de bevalling vermoeden. Ik leg binnenkort mijn eed van Hippocrates af!’ ‘Maar je begrijpt het niet, William. Dat kan niet. Snap je. 'Die slet kan niet zomaar ...dit is onaanvaardbaar.’ ‘Het lijkt het erop, Abel dat jij je te laat hebt teruggetrokken en het is een heel andere kwestie of je je nu nog verder wil terugtrekken.’ Een bediende kreeg van de student opdracht een kom kokend water en propere doeken te brengen. Mijn moeder lag languit op de vloer van het zolderkamertje. Ze had de navelstreng zelf doorgesneden. De pasgeborene lag zijn longen uit het lijf te schreeuwen in een plas bloed. De arts bukte zich eerst naar de baby maar richtte zich dan toch naar de moeder die weliswaar ademende maar nauwelijks reageerde. De kokkin duwde met een kom kokend water en een stapel witte doeken het samengeklitte personeel uit het deurgat. Ze besloot na één oogopslag: ‘Leg de kleine aan, ze zal bijkomen.’ De arts bond de navelstreng af. De kokkin wikkelde het kind in een doek en drukte het mondje van de huilende baby tegen de tepel van de voor pampus liggende moeder. Verward kwam ze bij zinnen. ‘Proficiat mevrouw,’ zei de arts, ‘u hebt een flinke zoon.’ De komende dagen bracht de kokkin kippensoep. Telkens werd de hulpvaardige matrone aangesproken door de gewezen chauffeur die steeds dwingender liet merken dat er in deze wereld van gracieuze diners en sierlijke elegantie geen plaats was voor bezwangerde wezen. ‘Luister niet naar die bruut, Lena. Die gevoelloze omhooggevallen stalknecht’ probeerde de kokkin mijn moeder te troosten. Toch had de majordomus gelijk. De kokkin wist dat. Lena wist dat. Ze slurpte kippensoep. In de eerste uren na de onverwacht luidruchtige ademtochten die het feestje verstoorden, pleegde de zoon des huizes, Abel junior, ei zo na zelfmoord en de ondernemende vader, Abel senior, een paar telefoontjes. In een bijzonder droog gesprek met zijn nazaat stuurde hij de jongeman daarop prompt naar een bedrijfsfiliaal in Argentinië. De jongeman mompelde, ‘Merci papa'. Zijn moeder was ontroostbaar. Eerst was ze kwaad op haar zoon - hoe kon hij zo onvoorzichtig zijn? Hij had haar toch alles kunnen vertellen? In gevallen van groeiend ongeluk bestaan er middeltjes. Maatregelen die je voor en tijdens maar niet meer na het gekrijs kan nemen. En dan was ze nog bozer op haar echtgenoot omdat hij haar zoon zo ver weg stuurde. Buenos Aires? Waarom niet Berlijn of Parijs? Tenslotte kwam er een afkeer opborrelen tegen de lichtekooi die haar enige kind in het verderf had gestort. ‘De slet! Dat komt zomaar uit één of andere shtetl gevallen om hier op mijn kosten kippensoep te drinken. Terwijl ik moet afscheid nemen van mijn Abeltje. Dat ze vooral uit mijn ogen blijft. Ik denk dat ik ze iets doe.’ Maar ze deed haar niets. Toch wist Lena dat ze niet kon blijven. Stille dagen gingen roerloos voorbij. Nauwelijks aangesterkt vertrok ze uit het fraaie stadspaleis. Net zoals ze er een paar jaar eerder was komen aanwaaien, zonder een woord. Ze kwam uit het niets en ze ging naar nergens. Dat ze vertrok zonder een woord moet zowat het enige zijn waar ik zeker van ben. De rest van het verhaal, van elk verhaal ooit, is een samenraapsel, een mikmak van stukken en brokken die je links en rechts opvangt, bij elkaar gehouden door de twijfelachtige gelatine van de verbeelding. Mijn moeder sprak nooit over zichzelf. Ze zei sowieso bijna nooit een woord en als er al iets uitkwam was het gepiep met een raar accent, enkel hoorbaar voor wie zich ophield een paar centimeter van haar lippen. Ik herinner me vaag het gevoel van een woordeloos geneuried wiegelied. Haar stem is weg. Opgevlogen. In haar dienstkledij, een zwarte jurk met witte voorschoot, moet mijn jonge moeder geleken hebben op een verward vogeltje. Zo wipte ze een paar weken na de bevalling over de straten. Op zoek naar wat kruimels. In het Brussel van 1920 vielen die te rapen bij bakkers, beenhouwers en tavernes. Slapen deed ze voornamelijk in stations. Vermagerd, verward, verfomfaaid werd ze gevonden in het portaal van La Grande Poste. Met haar scherpe neus en haar zwart met witte soubrette was ze niet meer dan een verwaarloosde ekster. Met angstige kraaienoogjes hield ze een kuiken tegen zich aangedrukt. Een reus tilde moeder en kind van de koude stenen.

Anno domini 1220

Ook dan was het onverminderd moeilijk te begrijpen wat het betekent in Vlaanderen geboren te worden als het u niet is overkomen. De hemel drukt er op de aarde als een deksel op een pot. De wolken vallen er als een deken over de ziel. Hoezeer die ook smacht naar het azuur, verlangt naar het eindeloze blauw dat slechts komt piepen op klare winters of wolkeloze hondsdagen. Hier versmacht het grijs van de luchten de boreling in de wieg, bedrukt elkeen die met vleugels is geboren, duwt hem neer in nevelen van nattigheid. Grauw overleven vult de neus met beestenmest, overstemt het jeugdig krijsen met dat van de zeugen. Het huilen tegen de hemelen verstomde bij het kelen van de zwijnen. Met de hun uit de buik gutsende darmen stortte ook de drang zich te verheffen neer in het stro. Het tedere trillen van ‘t gemoed verging in het gesnater van de ganzen, het gekakel van de hoenders, het loeien van de koeien, het blaffen der honden. Het gekrakeel ging immer door. De naar harmonie smachtende geest moest het doen met klokkengelui. In Rubrouck woonden mens en dier in één huis. Iedereen was er boer, iedereen had er beesten, iedereen bewerkte er het land. De buiken waren gevuld. De kruiken stonden op barsten. Kuikens en kinderen vetten er goed. Ieder kende zijn plaats. Wie deed wat God en heer Rubrouck beval kende kommer noch kwel. De ban was hier geen verknechting. Het heerschap was bron van veiligheid, reden tot vrolijkheid. Wie hier ter wereld kwam werd geboren met wortels aan de voeten en een glimlach op de lippen. Hier leefde men vrolijk verzonken in Vlaamse klei. Hier knakten knechten een kruik en graaiden gezellen in het gras waar preuts de pronte meiden bloosden. Meisjes zongen er uit volle borst. Freules dansten in de ronde. Hier cultiveerde elk gehucht een accent dat ze drie dorpen verder als een vreemde taal beschouwden. Vanop de kerktoren van Rubrouck waren op klare dagen zes andere torens te zien. Vaak hoger dan die stal met aanbouw die ze in Rubrouck het huis van God noemden. Hij mocht van zijn vader - de heer van Rubrouck - oneindig veel vrijer bewegen dan de horigen die het gros van de parochie uitmaakten en bij het beklimmen van de kerktoren, uitkijkend over het platte land benoemde hij er de torens van de omliggende dorpen. Er heerste al zolang vrede dat de dwarsbalk niet meer in de poort paste. De gracht stond vol water. Zwaluwen maakten nestjes in de schietgaten. Moedeloos dweilde de waakhond zijn koertje af. Als het regende of de zon te hard scheen kroop hij in zijn lege ton. Als een oude filosoof. In huis blonk het koperwerk. Weelderige wandtapijten beschermden de kamers tegen de kou. De linnenkasten puilden uit. Tonnetjes wijn en patersbier stapelden zich op. Eikenhouten schatkisten kraakten onder hun gulden last. In de wapenzaal weerkaatsen flambouwen hun licht op lansen en hellebaarden. Er schitterde een arsenaal van alle tijden. Er hingen Saraceense kromzwaarden, inheems puntige ponjaarden, Keltische kortzwaarden en een maliënkolder der Noormannen. De grote spies in de keuken kon een heel everzwijn braden. De bidkapel was verguld als het oratorium van een vorst. Achter het tabernakel school een voorChristelijke offersteen van wiens gebruik de goede heer van Rubrouck zich onthield er van uitgaande dat in zijn huis geen plaats was voor afgoderij. Steeds gehuld in een hermelijnen mantel liep hij door het huis, sprak recht over zijn vazallen en bedaarde burenruzies. Als ridder Rubrouck ‘s winters thuis was kende men zijn melancholie. Stille dagen gingen roerloos voorbij. Schuilend voor de kou liet hij zich verhalen voorlezen. Stil keek hij naar de neerdwarrelende sneeuw over de bevroren velden, blank als de huid van zijn eega. Vrouw Rubrouck was fier en ingetogen. Naar afkomst was zij zeker niet de mindere van haar echtgenoot. Haar elegantie kon ze niet verbergen. De sleep van haar kleed hing onveranderlijk drie passen achter haar aan. Haar huishouden liep gesmeerd als een kloosterorde. ‘s Morgens kreeg elk van haar dienaressen persoonlijk haar taken voor de dag. Ze zag eigenhandig toe op het maken van de confituren, blonk uit in fijne broderie. Ze maakte zelf de altaarstukken. God verhoorde haar gebeden, Hij schonk haar vele zonen. Bij elke geboorte was het feest in Rubrouck. Zang en dans voor drie dagen waarbij ‘s nachts het feest doorging bij het licht van de fakkels. De hoge genodigden aten er de meest exotische kruiden. De gebraden hoenders waren groot als lammeren. Een zotskap liep rond op zijn handen. Er sprong een dwerg uit de pastei. Er kwam zoveel volk zuipen op kosten van de heren van Rubrouck dat bekers ontbraken om alle dorstigen te laven, men moest mede drinken uit olifanten.

***

Over de schrijver
Naam : Lucien Roosen
Woont in:  Brussel - België
Is geboren in: Antwerpen - België
Ambitie: schrijven, schrijven, schrijven , lezen, lezen en af en toe ook eens iets wat normale mensen plegen te doen zoals daar zijn: eten, drinken, slapen en zich voortplanten.

Over de illustrator
Peter Meijer (1953) opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.

Reacties

  1. Gefeliciteerd Lucien! Een terechte winnaar. Heel goed geschreven.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat een mooie illustratie! ❤️

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Een dijk van een tekst, ik kan niet anders zeggen. Gefeliciteerd!

    BeantwoordenVerwijderen
  4. @ Peter Meijer Dankuwel voor de illustratie die erin slaagt een dramatische laag te leggen over het eerder tragische beeld van de Lena in mijn hoofd.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Wow ik vind de illustratie bijna nog mooier dan het verhaal. Een echt kunstwerk!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik vind allebei ontzettend mooi. Het past ook goed. Al vraag ik me af hoe een pasgeboren baby zo goed zijn hoofd recht kan houden. 😜

      Verwijderen

Een reactie posten