Derde plaats april 2026


De alverteller

- Piet Post - illustratie: Peter Meijer -

Ik deed dit werk bijna veertig jaar toen ik John O’Doherty leerde kennen, de man die mijn laatste client zou worden, niet omdat ik met pensioen ging, maar omdat hij stierf. In ons eerste gesprek, op een regenachtige dag in april, vertelde hij mij het verhaal van zijn veelbewogen leven. Dat probeerde hij althans, verder dan zijn peuterjaren zou hij niet gekomen zijn zonder mijn hulp: samenvatten, doorvragen en verder maar weer. Wijdlopiger dan O’Doherty had ik ze zelden meegemaakt. Maar goed, laat ik nu zelf zijn valkuil maar proberen te vermijden.
Zoals altijd had ik mij zorgvuldig voorbereid door het klinisch dossier te lezen. Daarin had een collega jaren geleden al een samenvatting van zijn levensloop opgeschreven. Geboren in Ierland, enig kind van een ruziënd ondernemersechtpaar dat na het zoveelste faillissement had besloten hun geluk elders te beproeven. In de jaren vijftig waren ze naar Rotterdam vertrokken. John was toen drie. In ons gesprek vertelde hij mij dat hij zich die verhuizing nog precies herinnerde en beschreef elk detail van het zolderkamertje waar hij sliep, de trap ernaartoe waarlangs zijn moeder hem elke avond naar zijn bedje droeg, de kleuren van het behang en de gordijnen, de liedjes die zij zong om hem naar dromenland te leiden, de manier waarop het zonlicht door het dakraampje viel als hij ’s morgens wakker werd. De eerste keer dat ik een stapje maakte om verder te gaan (“Vertel eens over je schooltijd”) reageerde hij zichtbaar geïrriteerd. Hij had een onbedwingbare behoefte om het schamele speelgoed waarmee hij destijds de dagen sleet te beschrijven. Die irritatie kwam steeds weer naar boven tijdens het gesprek, elke keer als ik hem met een gegeven uit het dossier probeerde te verleiden om door te gaan met zijn levensvertelling. We moesten immers bijna driekwart eeuw, de vroege dood van zijn moeder, de noodlottige neergang van zijn vader met dito einde, Johns problemen op school, meerdere afgebroken studies, een zelfgekozen loopbaan in de computerbranche, tussendoor een klein dozijn mislukte relaties en last but not least natuurlijk het misdrijf dat hem in het zicht van de psychiatrie had gebracht omdat de rechter dat zo had bevolen.
Na een uur sloot ik het gesprek af en veegde het zweet van mijn voorhoofd, voor mij volstrekt ongebruikelijk. Zoals gezegd, ik deed mijn werk op dat moment al bijna veertig jaar en was wel wat gewend. Maar een client die zich zo weinig liet leiden, dat was ook voor mij uitzonderlijk. Uitgeput zat ik achter mijn bureau en bladerde nog eens door mijn aantekeningen. Wat was mij overkomen?
De dagen daarna merkte ik dat John O’Doherty steeds weer in mijn gedachten kwam. Wat was het dat alles verteld moest worden, met een bijna ziekelijke gedetailleerdheid? Dat iemand geïrriteerd raakt als hij juist bezig is een belangrijk levensfeit te vertellen is begrijpelijk, maar waarom wilde deze man per se de vorm van de achteruitkijkspiegel van zijn vaders eerste auto beschrijven, waarom de hele ronde die zijn moeder maakte als zij de eenvoudige woonkamer stofzuigde, zijn uitzicht vanuit het zolderkamertje als hij op zijn bedje klom en het kantelraampje opende, bijna zeven jaar toen, drie dagen later werd hij zeven en kreeg rode sokken met eendjes die zijn moeder zelf gebreid had? Waarom? Ik probeerde me eerdere gevallen voor de geest te halen van andere cliënten maar kon geen vergelijkbare casus bedenken. Breedsprakig zijn er genoeg en als het gaat om een belangrijke levensgebeurtenis dan kan het eindeloos duren voor men alles heeft gezegd wat gezegd moet worden. Maar dan hebben we het ook over life changing events waarbij je je kunt voorstellen dat iemand het schilderij moet beschrijven waar zij tijdens het misbruik naar keek, de geur van de schuur waarin hij keer op keer mishandeld werd. De jeugd van O’Doherty was, de armoede daargelaten, mooi en onbezorgd. Aan het ruziën van zijn ouders, dat ik uit het dossier kende, had hij nog geen woord gewijd, de dranklust van zijn vader was nog onbenoemd gebleven. Door hem tenminste, ik had het omzichtig aangeroerd. Ik besloot een oud-collega te consulteren die hem goed moest kennen, inmiddels al een tijdje met pensioen.
Bijna twintig jaar geleden was John O’Doherty bij ons aangemeld. Toen hij zijn gevangenisstraf bijna had uitgezeten, was de collega begonnen met zijn behandeling. Het dossier dat ik bestudeerd had was grotendeels door hem gevuld, eerst wekelijkse gesprekken maar allengs met grotere intervallen, het ging goed met O’Doherty; al snel was eens per maand genoeg, later ging het interval zelfs naar 2 of 3 maanden. Tegen het eind van zijn detentie was ook de reclassering ingehaakt.
Mijn collega krabde zich achter de oren toen ik vertelde over de pijnlijke nauwkeurigheid waarmee het levensverhaal verteld moest worden, hij herinnerde zich dat niet zo. John O’Doherty was een zeer intelligente man, vertelde hij, die door de reclassering al snel aan een baan als magazijnbediende was geholpen, werk dat hij met overgave deed. Ik zag in gedachten een onmetelijke ruimte vol rekken, schemerig licht door met spinnenwebben overdekte ruiten hoog boven mijn client. En O’Doherty zittend achter een ouderwetse computer waarin hij op een spreadsheet de werkelijkheid van het magazijn bijhield, zijn magazijn, indringers duldde hij er niet. In zijn vrije tijd was hij veel op zichzelf, vertelde mijn confrater, las veel, spelde de krant, keek soms televisie en ging heel af en toe naar een concert. Voor het overige leek het wat grijze bestaan dat hij leidde John O’Doherty genoeg. Van neiging tot recidive was absoluut geen sprake geweest, hij had uiteindelijk ook maar één vader natuurlijk.
Tijdens zijn behandeling liet hij zich al kennen als een uitermate precies persoon. Op elke afspraak verscheen hij stipt op tijd en op alle vragen gaf hij zonder aarzeling exacte antwoorden alsof hij van te voren had geweten wat de psychiater hem zou vragen. Mijn collega was de gesprekken gaandeweg gaan ervaren als periodiek onderhoud zoals dat bij machines ook verplicht is, zelfs als er geen mankementen zijn. Ik zag hem graven in zijn geheugen maar er kwam niets meer boven. Tot ik aanstalten maakte om te vertrekken. Toen zag ik in zijn gezicht de tekenen van een plotselinge herinnering. Er was iets geweest waarover O’Doherty volledig overstuur geweest was, wat was het ook al weer? Een jaar of tien geleden, iets met een televisieprogramma, een documentaire serie, zoiets. De verslagen waren er toch nog, had ik daarin niet zoiets gelezen? Op mijn beurt groef ik in mijn geheugen, maar ik had niet alles doorgeworsteld, het dossier telde meerdere ordners.
Thuis ging ik daar nog eens doorheen, het geval intrigeerde me. Als een mol groef ik gangen door de lijvige verslagen, op zoek naar de worm die ik had gemist. En juist toen ik de moed op wilde geven, aangekomen bij de laatste gespreksverslagen, werd ik getroffen door een passage die licht op de zaak zou kunnen werpen, een paar zinnetjes waren het maar, de collega had het zich goed herinnerd. O’Doherty had melding gemaakt van een documentaire die hij had gezien op televisie, een indringende reportage over de holocaust. Met name had hij de beelden genoemd van de stapels naakte lijken die de geallieerden hadden aangetroffen toen zij de concentratiekampen bevrijdden. Hij had er niet over uit gekund, had steeds maar weer de uitgemergelde lichamen beschreven alsof hij ze nog steeds precies voor zich zag, een voor een. Van samenvatten had hij niet willen weten, voor het eerst had mijn collega hem geïrriteerd meegemaakt.
*
In het tweede gesprek deed ik zelf een poging om zijn levensloop kort weer te geven maar O’Doherty reageerde zo geprikkeld dat we al snel weer samen in het zolderkamertje zaten, naast zijn ledikantje, twaalf spijltjes aan elke kant. Weer toonde hij een onstuitbare behoefte om alles over zijn leven te vertellen. Pas toen ik hem daar op wees en vroeg of er meer levens waren waar hij zoveel van wist, viel er een lange stilte in het gesprek. Ik zag hem aarzelen of hij mij deelgenoot zou maken van wat er nu door hem heen ging. Ondertussen liep er een lieveheersbeestje over het tafeltje, waar wij op zeker ogenblik allebei naar keken, een gespikkeld diertje op het eikenhout van het tafelblad. “Hij heeft ook een leven,” zei John O’Doherty plotseling. “En wie vertelt dat? Wie schrijft dat nauwkeurig op?” Toen ik vroeg of hij dat nodig vond, begon hij heftig te knikken. Natuurlijk, alle levens moesten verteld worden, van mensen, van dieren, van planten ook. “En nauwkeurig opgeschreven?”, informeerde ik voorzichtig. Hij begon weer heftig te knikken. Zeker! En niet alleen de huidige levens, maar ook die van alle organismen die ons waren voorgegaan. Ik gaf voorbeelden om te onderzoeken of ik hem goed begreep: de slaven van Nero, de bomen uit de Hof van Getsemane, het lievelingspaard van Napoleon? Bij elk voorbeeld begon hij te knikken. Tenslotte omvatte hij mijn handen en begon te schreien. “U begrijpt mij,” snikte hij.
Het is mijn werk als psychiater om het onbegrijpelijke te begrijpen en onder woorden te brengen, maar zijn reactie trof mij. Kort daarna beëindigde ik het gesprek en bleef in verwarring achter, erger nog dan na de eerste ontmoeting. Ik probeerde mij voor te stellen wat zijn project inhield. Het was de oneindigheid van de oneindigheid. Nog niet in alle eeuwen was het mogelijk om dit te doen, zeker niet met de nauwkeurigheid van mijn client. Hoeveel eencelligen waren er in de loop van de tijd niet geweest, om maar eens een kleinigheid te noemen. Moesten al die levens beschreven worden? In de dagen daarna bleef hij opnieuw in mijn gedachten, net als na de eerste keer. Hoe was iemand bij zo’n idee gekomen? Maar ook: hoe kwam hij er weer van af? Dit moest een ongelofelijke druk op zijn leven leggen. Ik hoopte dat het eenmalig was, deze gedachtegang, zoals bij de man die mij op een dag vertelde dat hij een vlucht regenwulpen was maar de volgende keer weer als vanouds aangaf Christus zelf te zijn. Ik vreesde echter dat het deze keer niet zo eenvoudig zou wezen.
*
Bij de derde ontmoeting werd ik getroffen door hoe O’Doherty eruit zag. Zijn gezicht was ingevallen alsof hij niet meer geslapen had sinds ons vorige gesprek.
“Alle dagen, alle nachten, waar iedereen was en in welke toestand, dronken, nuchter, iets daartussenin. De gezichten bij zonsopgang na een doordronken nacht, de silhouetten bij het vallen van de avond, alles”, begon hij, om mij mee te nemen in de Sisyfusarbeid waar hij mee bezig was.
“Voor ieder mens apart?”, informeerde ik. Hij knikte en begon over schriftjes en aantekenboekjes.
“Dat worden er dus miljoenen,” opperde ik voorzichtig.
“Miljarden miljarden,” zei hij ernstig. “De wereld is al zo oud. En de dieren en de planten moeten ook.”
“Ik heb wel eens gelezen dat God alle namen in de palm van Zijn hand schrijft,” zei ik. “Maar u gaat nog veel verder.” Ik hield het voor mogelijk dat hij zich tot een collega van de Allerhoogste zou verklaren, God zelf desnoods, hoe vaak heb ik zoiets niet meegemaakt, maar hij ging er niet op in.
“Alle levens beschrijven tot de tijden samenvloeien,” ging hij verder. “Tot kinderen volwassen zijn, volwassenen weer kind, en dat allebei tegelijk. Tot alle oorlogen zijn gestreden, beëindigd en opnieuw aangekondigd. Massa’s hossen door de straten, vieren feest, wapperen met vlaggen. Polonaises van neukende mensen, de kleren slobberend om wijdlopige lijven.”
“En de doden?”
“Stapels lijken die een voor een worden begraven, een eindeloos massagraf met daarnaast krijsende mensen, huilend, schreeuwend. Alles moet beschreven, het leed misschien voorop.”
“Maar ook de levens van de insecten die door de dansers en de dragers worden…?” Ik wilde weten of het project nog steeds dezelfde omvang had. Hij knikte hartstochtelijk. Net als de vorige keer greep hij mijn handen maar anders dan toen begon hij niet te schreien maar ging met een koortsachtig enthousiasme verder, de ogen brandend in zijn bleke gelaat.
“En dan weer de gezichten, hun gezichten bij zonsopgang, bleek van de slaap. De dag is rond, de dagen zijn rond. En ondertussen de dieren en de planten, op afstand in vrede alles waarnemend, wat er is gebeurd, hoe alle slagen zijn gestreden, hoe de lijken worden geruimd. Heden wordt verleden, de toekomst wordt niet meer aangekondigd, is allang voorbij, alle tijden vallen samen. De cirkel is gesloten, alles is gedaan, gezegd en beschreven. Alles is verteld. De wereld slaakt een zucht. Iedereen valt in slaap terwijl de opkomende zon ondergaat. Dan ben ik eindelijk klaar.”
We zwegen even.
“Het lijkt me een heel werk,” zei ik toen. “Uw alvertelling doet mij denken aan een artikel dat ik pas las over de eindeloze mogelijkheden van het schaakspel. Het aantal denkbare partijen is grenzeloos, zeker als je gaat variëren met de beginopstelling. Je zou de eeuwigheid nodig hebben om ze allemaal te spelen. De eeuwigheid der eeuwigheden.”
Ik meende een ergernis over zijn gelaat te zien trekken. Maar niets daarvan klonk mee toen hij verder ging.
“De lift met spiegels op bodem, plafond en alle vier de wanden, bedoelt u. De weerkaatsing van het spiegelbeeld tot in de eeuwen der eeuwen. Dat is echt heel wat anders. Mij gaat het om de realiteit, de werkelijke levens.”
“En wat leven had kunnen worden? De afgestoten eicellen, het tevergeefs gestorte zaad, dat zult u niet beschrijven?”
“Nee,” zei hij beslist. “Ik beperk me tot de werkelijke levens, slechts dat wat tot aanzijn is gekomen.”
Toen hij de deur uit was, ging ik zelf even op de bank liggen. Weer duizelde het mij. En in een droombeeld – was ik even weggedommeld? – zag ik hoe alle wegen ter wereld zich aaneenregen tot een onafzienbare boekenplank gevuld met schriftjes. Op elk etiketje stond een naam. Toen ik de mijne las, opende ik verschrikt de ogen. Hoe moest ik mijn client bevrijden van dit verstikkende drogbeeld, van deze giftige dwang?
De dag daarna werd ik ziek. Meer dan een week moest ik het bed houden, in koortsdromen zag ik beelden van stapels naakte lijken, stranden vol aangespoelde dode vogels, rivieren wit van vergiftigde vissen. En boekenplanken vol schriftjes natuurlijk.
Toen ik mijzelf dwong weer aan het werk te gaan, het klamme zweet op mijn voorhoofd, kwam de secretaresse mijn kamer binnen nog voor ik mijn werkzaamheden had kunnen ordenen. “Meneer O’Doherty heeft meermaals naar u gevraagd,” zei ze. “Er is een afspraak uitgevallen,” antwoordde ik. “Plan maar snel een nieuwe.” “Dat zal niet gaan,” zei ze zachtjes.
*
In de deuropening van het rijtjeshuis stond een agent die mij zwijgend aankeek. Ik dacht dat hij heel lang was tot ik zag dat hij hoger stond dan ik, op stapels boekjes en schriftjes namelijk die als een papieren rivier naar buiten waren gestroomd zodra de politie met geweld de huisdeur uit de sponningen had genomen. Nadat ik mij geïdentificeerd had, stapte ik langs hem heen naar binnen en liep stroomopwaarts door de gang naar de kamer waar de paperassen een meter hoog lagen. Er overheen lopen kon alleen maar als men zich bukte. In het midden, op zijn rug, bovenop de heuvel van papier, zag ik mijn client, de alverteller. Op zijn buik lag een papiertje met mijn naam.
’s Middags belde mij de dienstdoende patholoog anatoom, om informatie uit te wisselen. Ik vertelde hem wat ik wist over John O’Doherty. “Ja ja”, klonk het aan de andere kant van de lijn, niet een of twee keer, maar vele malen. Tot ik tenslotte vroeg of hij iets over de doodsoorzaak kon melden. “Ik vrees dat hij gestikt is in het wereldleed,” zei de arts. “We veronderstellen dat hij op enig moment is begonnen zijn schrijfsels op te eten. Zijn spijsverteringskanaal was er volledig mee gevuld. Laten we het papierverstopping noemen.”
Na dat gesprek heb ik mij opnieuw ziek gemeld om tenslotte, toen ik weer koortsvrij was, te besluiten om na deze gebeurtenissen te stoppen met mijn werk. Was ik in de war, was het me genoeg of zelfs teveel, laat het maar zijn. Ik heb mijn zaken afgerond en trachtte stil te gaan leven. Dat gaat me redelijk goed af. Slechts af en toe schrik ik op uit mijn verstilling, zoals onlangs toen een kleinkind mij vroeg wanneer ik mijn autobiografie zou gaan schrijven. Op mijn afwerende reactie zei ze teleurgesteld: “Maar opa, uw levensverhaal moet toch in detail verteld worden!”

***
Piet Post woont in Epe en laat zich bij het schrijven vooral inspireren door de natuur en door observaties van mensen. Hij had 10 jaar lang een column in het onderwijstijdschrift Van 12 tot 18. Ook publiceerde hij de romans Nabestaan (LM Publishers, 2018) en Koolzaad (Hoofd/Octopus, 2025)

Peter Meijer (1953)
opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.



Reacties

Een reactie posten