Ik fantaseer soms dat je doodgaat
- Heidi Mesman - illustratie: Tjade Witmaar -
De eerste stem noemde ze Morgan. De tweede had geen naam. Die kwam later, in de weken na haar veertigste verjaardag. Ze hoorde ze op de bank, als ze 's middags een boek las en haar ogen over dezelfde alinea bleven glijden. Onder de douche, bij de spiegel, met haar tandenborstel in haar mond. Soms keek ze op. Soms wist ze even niet wie ze zag. De vrouw in de spiegel had grijze haren bij haar slapen. Die had zij niet. Die had zij nog niet.
'Je moet eerlijker tegen de mensen zijn,' zei Morgan.
'Ik ben eerlijk,' zei ze. Haar stem klonk vreemd in de lege badkamer.
'Nog eerlijker.'
Ze zaten aan tafel. Buiten was het nog donker. Het nieuws stond aan. Een man sprak over cijfers, over percentages, over economische verwachtingen voor het komende kwartaal. Haar man at zijn boterham in vier happen. Ze hoorde zijn kaken malen.
'Ik vind het vervelend dat je het nieuws kijkt tijdens het ontbijt,' zei ze.
Hij keek op. Zijn mes bleef boven de boter hangen. Er zat jam in zijn mondhoek.
'O.'
'Het maakt me nerveus. Die stem. Die getallen.'
Hij pakte de afstandsbediening. Het scherm werd zwart.
Hij at verder.
Vier happen.
Ze werkte die week aan haar vertaling. Een Deens kinderboek over een vos die vrienden zocht. De vos heette Mikkel. Hij woonde in een bos waar niemand hem begreep en elke dag liep hij langs dezelfde paden, over dezelfde heuvels, langs dezelfde beek, op zoek naar iemand die hem wilde kennen. 's Avonds sliep hij alleen in zijn hol en luisterde naar de wind.
De zinnen waren simpel, kinderboeken waren altijd simpel, maar ze moest nadenken over elk woord. Ven of vijver? Vriend of makker? Het maakte verschil, ook al zou geen kind het merken.
De zon scheen door het raam. Ze beantwoordde e-mails, korte berichten waarin ze schreef dat alles goed ging, dat het boek op schema lag. Ze belde met de redacteur, een vrouw die altijd vrolijk klonk en haar naam verkeerd uitsprak.
Maar de hele dag, tussen de zinnen door, bleven de woorden terugkomen: nog eerlijker.
Een week later zaten ze weer aan tafel. Haar man sneed zijn vlees in vier stukken, precies even groot, en prikte ze één voor één aan zijn vork. Het vlees was te gaar, ze had niet opgelet, maar hij zei er niets over.
'Ik mag je moeder niet,' zei ze.
Hij kauwde. Hij keek niet op. Buiten reed een auto voorbij, de koplampen gleden over de muur.
'Ze is altijd beleefd. Ze vraagt hoe het met mijn werk gaat. Ze onthoudt de titels van de boeken die ik vertaal. Ik heb nooit ruzie met haar gehad. Maar ik mag haar niet.'
'Hm,' zei hij. Hij prikte een stuk vlees aan zijn vork. Het vierde stuk.
Ze wachtte. Ze keek naar zijn gezicht, naar de manier waarop hij kauwde, naar de beweging van zijn kaken. Maar er was niets. Alleen het kauwen. Het slikken. Het spoelen met een slok wijn.
Die avond keken ze televisie, een Scandinavische serie waarin iedereen ongelukkig was en de lucht altijd grijs. Ze lagen tegen elkaar aan op de bank, haar hoofd op zijn schouder, zijn arm om haar heen. Ze rook zijn geur, zweet en wasverzachter en iets dat alleen hij was, iets dat ze niet kon benoemen maar meteen zou herkennen in een volle kamer.
'Toen ik drie was,' zei ze, 'ben ik op mijn driewieler de hele stad door gefietst. Helemaal alleen. Mijn ouders waren me urenlang kwijt.'
Hij keek op. Zijn hand lag stil op haar schouder.
'Ik werd meegenomen door een vrouw. Ik weet niet meer hoe ze eruit zag, alleen dat ze heel lang was. Ze noemde me "mijn kindje" en aaide me over mijn hoofd. Zo hard dat het pijn deed. Haar nagels krasten over mijn hoofdhuid.'
'Je herinnert je dat?'
'Mijn vader vertelde het jarenlang op verjaardagen. Hij vond het geweldig. Zo'n zelfstandig kind. Drie jaar oud en al de wereld in. Die redt zich wel, zeiden ze altijd. Die redt zich wel.'
Haar man pakte haar hand. Zijn vingers waren warm en droog, een beetje ruw.
'Er had van alles kunnen gebeuren,' zei hij.
'Ja,' zei ze. 'Er had van alles kunnen gebeuren.'
Later, in de badkamer, zei Morgan: 'Bijna.'
Ze keek naar haar gezicht in de spiegel. Haar huid was droog. Ze moest crème smeren, ze vergat het altijd. Onder haar ogen lagen schaduwen.
'Hij kent je niet,' zei Morgan.
Ze deed het licht uit. De gang was donker. Ze liep naar de slaapkamer op haar tenen, ook al was hij nog wakker, ook al hoefde ze niet stil te zijn.
In bed draaide ze zich naar hem toe. Hij lag op zijn rug, zijn handen op zijn buik, en staarde naar het plafond. Het licht van de straatlantaarn sijpelde door de gordijnen.
'Soms doe ik alsof ik luister als je over je werk praat.'
Hij keek haar aan. Zijn ogen glansden in het halfdonker.
'Ik hoor de woorden wel. Projecten en deadlines en mensen met namen die ik niet onthoud. Je stem klinkt als iemand die een handleiding voorleest.'
'Dat is niet aardig,' zei hij.
'Ik probeer eerlijk te zijn.'
Hij draaide zich om. Zijn rug naar haar toe. 'Sommige dingen hoef je niet te zeggen.'
Ze staarde naar zijn rug, naar de vorm van zijn schouderbladen onder het katoenen shirt en ze dacht aan de eerste jaren, aan hoe ze die rug had gestreeld, had gekust, had bemind. Hoe ze haar wang ertegen had gelegd en naar zijn hartslag had geluisterd. Het lichaam was hetzelfde. Dezelfde schouderbladen. Dezelfde huid.
Ze lag lang wakker. Hij sliep al. Zijn ademhaling was diep en regelmatig.
Een week later. Ze hadden net gevreeën. Zijn hand lag op haar heup, een gewoonte van vroeger. Het laken plakte aan haar huid. De kamer rook naar hen samen.
'Ik heb nog nooit een orgasme gehad,' zei ze. 'Ik heb altijd gedaan alsof.'
Hij bewoog niet. Alleen zijn hand verstijfde, heel even.
'Waarom?'
'Omdat het makkelijker was.'
Hij ging rechtop zitten. Hij keek naar het plafond, naar de lamp die ze allebei lelijk vonden en nooit hadden vervangen. Toen stond hij op, liep naar de badkamer. De deur ging dicht. Water stroomde. Ze hoorde hem zijn gezicht wassen, lang, veel langer dan nodig was.
Toen hij terugkwam trok hij zijn jas aan.
'Het is zondag,' zei ze. 'Waar ga je heen?'
Hij gaf geen antwoord. Ze hoorde zijn voetstappen op de trap. De voordeur die openging, dichtging. De auto die startte.
Ze wachtte de hele middag op de bank. Ze telde de tegels in de keuken. Zevenendertig.
De stemmen waren stil.
Hij kwam pas laat thuis. Het was al donker. Ze lag in bed en keek naar de schaduwen op het plafond. Ze hoorde de sleutel in het slot. Zijn voetstappen. De koelkast die open ging en weer dicht ging.
Hij rook naar buitenlucht en bier. Op de rand van het bed maakte hij zijn veters los. Zijn bewegingen waren traag, onhandig. Hij morrelde met de knopen.
'Slaap je beter als je eerlijk bent?' vroeg hij.
'Wat bedoel je?'
'Al die rare dingen die je zegt. Die bekentenissen.' Hij trok aan zijn veter. 'Die dingen die ik niet wil horen. Die niemand wil horen. Helpt het? Slaap je daar beter van?'
'Ik wil eerlijk tegen je zijn.'
Hij snoof. Het klonk bijna als een lach.
'Mijn moeder belde. Ze vroeg of alles goed met je was.'
Hij trok zijn schoenen uit. Liet ze vallen op de grond. Twee bonken.
'Wat zei je?'
'Dat ik het niet wist.'
Ze sliepen ver uit elkaar die nacht, elk aan hun eigen kant van het bed. Hij raakte haar niet meer aan.
De herfst kwam. De bladeren in de tuin werden bruin. Ze vielen op het gras en bleven liggen. Niemand harkte ze aan.
Ze werkte aan Mikkel. De vos had een egel ontmoet die hem niet vertrouwde. Ze vertaalde de passage drie keer, en elke keer klonk het anders. Het boek was bijna af. Nog één hoofdstuk.
's Nachts lag ze wakker. Het huis was stil.
Morgan zei niets. De ander ook niet.
'Wat willen jullie?' fluisterde ze. Haar stem was nauwelijks hoorbaar.
Niets.
'Ik heb alles gezegd. Alles.'
Maar dat was niet waar. Er was nog iets. Iets dat ze niet hardop kon denken. Een fantasie die elke nacht terugkeerde.
Ik fantaseer soms dat je doodgaat. Gewoon, weg. Stil. Een ongeluk op de weg. Een hartaanval. Iets wat niemand had zien aankomen. En dan de stilte. De lege helft van het bed. De koelkast met alleen haar spullen erin.
Ze draaide zich om, maar de gedachte bleef hangen.
De volgende ochtend zat haar man aan tafel, de krant halfopen. De koppen gingen over politiek. Er stond een foto van een man die ze niet kende. Haar man keek niet op toen ze binnenkwam.
Ze schonk koffie. Ze ging zitten. De stoel kraakte, zoals altijd. Ze keek naar zijn handen. Naar de manier waarop hij de krant vasthield, de pagina's een beetje gekreukeld. Hij sloeg de pagina om.
'Wil je even luisteren?' zei ze.
Hij keek op. Zijn ogen waren moe. Er zat een scheersneetje op zijn kin, een dun rood lijntje.
'Moet dit nu weer?'
'Het is belangrijk.'
Hij vouwde de krant dicht. Legde hem opzij, naast zijn kopje. Wachtte.
Ze opende haar mond. Ze wilde iets zeggen over haar werk. Over de vertaling. Over Mikkel, de vos die vrienden zocht en ze niet kon vinden. Over de egel die hem niet vertrouwde. Iets onschuldigs.
'Ik…' begon ze.
'Zeg het,' zei Morgan. Heel zacht.
Ze slikte.
'Zeg het,' zei de ander.
Haar man keek naar haar. Hij zei niets. Hij wachtte.
'Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen.'
'Probeer het maar,' zei hij. Zijn stem was vlak. Hij had die stem de laatste weken, een stem zonder kleur.
Ze wilde het echt zeggen. De woorden zaten in haar mond. Ze opende hem. Sloot hem. Ze keek naar hem; zijn droge ellebogen die schilferden in de winter, zijn vermoeide ogen, het scheersneetje op zijn kin en zei in plaats daarvan: 'Ik had vroeger een hamster.'
'Een hamster.'
'Ze heette Petra. Ze was bruin met kleine witte vlekken.'
Hij knikte langzaam.
'Ik kreeg haar toen mijn moeder de eerste keer werd opgenomen. Ik was negen. Mijn vader dacht dat het zou helpen. Een levend ding om voor te zorgen. Iets dat van mij afhankelijk was.'
'Oké,' zei hij.
Ze zweeg. De woorden zaten vast ergens in haar keel.
'Sieg,' zei hij. 'Wat is er met die hamster?'
'Soms was ik boos op haar,' zei ze. Haar stem was zachter nu. Ze hoorde zichzelf praten alsof ze iemand anders was, iemand die ze van een afstand bekeek. 'Zo boos dat ik haar in het molentje stopte en het zo hard liet draaien dat ze er piepend uit viel. Ze tuimelde tegen de tralies. Ze bleef even liggen, versuft.'
Hij fronste. Zijn wenkbrauwen trokken naar elkaar toe.
'Ik was een kind,' zei ze snel. 'Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat het een spelletje was. Ik dacht dat ze het leuk vond.'
'Oké.'
'Maar ik hield ook van haar. Ik keek urenlang naar haar buikje als ze sliep. Ze lag dan op haar rug, heel kwetsbaar, met haar pootjes in de lucht. Ik vond het mooi hoe het op en neer ging. Dat kleine buikje. Die kleine ademhaling.'
Ze keek naar hem. Hij zei niets. Hij wachtte, zijn koffie onaangeroerd.
'Zeg het,' zei Morgan.
'En op een dag,' zei ze. Haar handen trilden. Ze legde ze op tafel, plat, om ze stil te houden. 'Op een dag had ik haar vast. Te stevig. Ik wilde haar alleen maar vasthouden. Ik wilde haar voelen.'
Haar man keek haar aan. Zijn gezicht was leeg.
'Ik voelde iets knappen,' zei ze. 'Iets kleins. Iets dat niet terug kon. En toen bewoog ze niet meer.'
'Waarom vertel je me dit?'
Ze keek naar de krant naast hem. Naar de koffie. Naar zijn handen op tafel.
Ze zei niets.
Haar man stond op. Langzaam. Hij schoof zijn stoel niet aan. Hij liep naar de gang. Ze hoorde hem zijn jas pakken. De voordeur die openging, dichtging. De auto die startte.
Ze bleef zitten. De koffie dampte nog. Op tafel lag de krant, opgeslagen bij de pagina met politiek, de foto van de man die ze niet kende. Ze legde haar hand op de keurige letters, voelde het papier onder haar vingers.
'Is dit genoeg?' vroeg ze. Haar stem was schor.
Ze wachtte. Op Morgan. Op de ander. Op iets dat zou verklaren wat er was gebeurd.
Ze wachtte.
Maar er kwam niets.
Op haar bureau lag de vertaling, de laatste pagina nog open. En Mikkel liep verder, want dat was wat hij deed. Alleen verder. Elke dag. Langs dezelfde paden. Op zoek naar iemand die hem zou willen leren kennen.
Ze zou die zin vandaag niet veranderen.
***
Heidi Mesman is speeddate-organisator. Cupido met een stopwatch. De rest van de tijd loopt ze hard, wandelt ze traag en schrapt zinnen tot er iets overblijft.


Reacties
Een reactie posten