Winnaar manuscripten april 2026


72 uur

- Dieuwke Lauwers - illustratie: Cindy van Veldhoven -

De eerste keer dat Elias het briefje zag, dacht hij oprecht dat hij het zelf had geschreven. Het lag achteloos op de keukentafel, half onder zijn koffiekop geschoven, alsof hij het daar gedachteloos had neergelegd tijdens een vermoeide ochtend. Het handschrift was onmiskenbaar het zijne: licht schuin, net iets te gehaast, met de typische scherpe halen aan het einde van elke letter. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij het had geschreven, maar dat gebeurde wel vaker. Kleine gaten in zijn geheugen, stukjes tijd die oplosten zonder duidelijke reden. Hij stond er nooit lang bij stil. Tot nu. Hij schoof de kop opzij en las de zin nog eens. Je hebt nog 72 uur. Er stond niets anders. Geen datum, geen uitleg, geen ondertekening. Alleen die ene zin, alsof het genoeg was. Elias snoof zacht en schudde zijn hoofd. “Vast een reminder,” mompelde hij tegen zichzelf, al wist hij niet waarvoor dan precies. Hij draaide het briefje om, hoopvol dat de achterkant meer duidelijkheid zou geven, maar het papier bleef leeg. Even overwoog hij het te bewaren, voor het geval het later betekenis zou krijgen, maar iets in hem verzette zich daartegen. In plaats daarvan propte hij het op en gooide het in de vuilnisbak. Het zachte geluid van papier dat landde tussen ander afval stelde hem vreemd genoeg gerust. Alsof hij daarmee het probleem zelf had weggegooid. Hij dacht er niet meer aan, niet echt, maar het bleef ergens achter in zijn hoofd hangen, als een melodie die je niet helemaal kunt vergeten.

Diezelfde dag merkte hij dat er kleine dingen niet klopten. Eerst waren het details die je gemakkelijk kon wegredeneren. Zijn sleutels lagen niet op de plek waar hij ze normaal neerlegde, maar op de vensterbank. Zijn schoenen stonden scheef tegen de muur, alsof hij ze haastig had uitgetrokken. De vuilnisbak, die hij die ochtend nog had geleegd daar was hij bijna zeker van,zat ineens weer halfvol. Hij fronste, maar haalde zijn schouders op. Vermoeidheid, dacht hij. Misschien sliep hij slechter dan hij doorhad. Misschien deed hij dingen op automatische piloot en vergat hij ze gewoon. Dat gebeurde. Mensen waren daar vatbaar voor. Toch bleef er een licht ongemak hangen, een gevoel dat hij niet helemaal grip had op wat er gebeurde in zijn eigen leven. Toen hij later die avond zijn handen waste, viel het hem pas echt op. Onder zijn nagels zat iets donkers, iets dat niet hoorde. Het was geen gewone vuiligheid; het had een stroperige, bijna opgedroogde textuur, alsof het daar al langer zat. Hij fronste en pakte een nagelborstel. Hij begon te schrobben, eerst voorzichtig, toen harder, tot zijn huid rood werd en begon te prikken. Het spul kwam maar gedeeltelijk los. Wat overbleef, leek dieper te zitten dan vuil normaal zou doen. Hij voelde een lichte rilling langs zijn rug trekken, maar negeerde die. “Overdrijven,” mompelde hij tegen zijn spiegelbeeld. “Je bent gewoon moe.”

Die nacht sliep hij onrustig. Zijn dromen waren fragmentarisch, onsamenhangend, maar geladen met een vreemde intensiteit. Hij zag flarden van ruimtes die hij niet herkende, hoorde stemmen die net buiten bereik bleven, voelde een constante spanning in zijn lichaam, alsof hij iets belangrijks moest doen maar niet wist wat. Op een bepaald moment werd hij wakker, rechtop in bed, zijn hart bonzend in zijn borst. Hij wist niet waarom. Er was geen duidelijk beeld dat hem had doen opschrikken, geen nachtmerrie die hij kon navertellen. Alleen een gevoel. Iets dat bleef hangen, zelfs toen hij weer ging liggen en probeerde zijn ademhaling te kalmeren. Uiteindelijk viel hij weer in slaap, maar het voelde oppervlakkig, alsof hij nooit echt weg was geweest.

De volgende ochtend begon vreemd nog vóór hij goed en wel wakker was. Hij merkte dat zijn lichaam niet lag waar hij het verwachtte. De matras onder hem voelde anders. Zijn nek deed pijn. Toen hij zijn ogen opende, besefte hij dat hij op de bank lag, in de woonkamer, met de televisie nog zachtjes aan. Het scherm toonde een ruisend beeld, het volume laag genoeg om niet storend te zijn, maar hoog genoeg om hem een ongemakkelijk gevoel te geven. Hij ging langzaam rechtop zitten en wreef over zijn gezicht. “Hoe ben ik hier beland…” mompelde hij. Hij had geen herinnering aan het moment waarop hij uit bed was gekomen, laat staan dat hij naar de woonkamer was gegaan. Hij keek naar de klok: 06:12. Veel te vroeg om al op te zijn, en toch voelde hij zich niet uitgeslapen, eerder uitgewrongen. Hij stond op en liep naar de keuken, nog half in een waas, en bleef abrupt staan toen hij de tafel zag. Het briefje lag er weer. Gladgestreken. Onbeschadigd. Alsof het nooit was weggegooid. Hij voelde hoe zijn maag zich samenkneep. Langzaam liep hij dichterbij, alsof het papier hem kon aanvallen als hij te snel bewoog. Zijn blik gleed over de woorden. Je hebt nog 48 uur. “Nee,” fluisterde hij. “Nee, dat kan niet.” Zijn ogen schoten naar de vuilnisbak. Die stond open. Leeg. Volledig leeg. Geen spoor van het opgerolde papier, geen ander afval. Alsof hij hem nooit had gebruikt. Zijn hart begon sneller te kloppen, een doffe dreun in zijn borst. Hij keek opnieuw naar het briefje, alsof de woorden zouden veranderen als hij maar lang genoeg bleef staren. Maar ze bleven hetzelfde. Onwrikbaar.

Hij voelde een drang om iets te doen, iets concreets, iets dat hem het gevoel zou geven dat hij controle had. Hij liep naar de badkamer en draaide de kraan open. Zijn handen trilden licht terwijl hij ze onder het stromende water hield. Het was toen dat hij het opnieuw zag. Onder zijn nagels zat weer dat donkere residu, dikker dan gisteren, alsof het zich had opgehoopt terwijl hij sliep. Hij begon opnieuw te schrobben, harder deze keer, agressiever. Zijn ademhaling versnelde, zijn schouders spanden zich op. Het water in de wastafel kreeg een licht roze tint. Hij wist niet of dat kwam door zijn geïrriteerde huid of door iets anders. Hij wilde er niet over nadenken. Hij wilde alleen dat het verdween. Maar hoe hard hij ook schrobde, het leek nooit volledig weg te gaan. Uiteindelijk stopte hij, uitgeput, en keek naar zijn spiegelbeeld. Zijn ogen leken dieper te liggen dan normaal, donkerder. Hij zag er… anders uit. Niet drastisch, maar genoeg om hem ongemakkelijk te maken. “Je verliest jezelf,” fluisterde hij. Hij wist alleen niet precies wat dat betekende.

De uren daarna probeerde hij zich vast te klampen aan logica. Hij zette de televisie aan, op zoek naar afleiding, naar iets normaals. Het nieuws stond aan. Aanvankelijk luisterde hij nauwelijks, de stemmen vormden een achtergrondruis terwijl zijn gedachten bleven draaien rond het briefje, rond zijn geheugen, rond die vreemde leegtes. Tot een specifiek woord zijn aandacht trok. “Verdwijning.” Hij keek op. Het beeld schakelde over naar een verslaggever die voor een huis stond, omringd door politie. De ondertitel vermeldde dat een vrouw vermist was, dat er geen tekenen van inbraak waren, geen getuigen, niets dat wees op een worsteling behalve één ding. Er was bloed gevonden. Veel bloed. Elias voelde hoe zijn keel droog werd. Hij leunde naar voren, alsof hij het scherm beter moest zien om het te begrijpen. De verslaggever sprak verder, maar de woorden bereikten hem slechts fragmentarisch. “Onverklaarbaar… geen sporen… onderzoek loopt…” Hij slikte moeizaam en leunde weer achterover. “Dat heeft niets met mij te maken,” zei hij hardop, alsof hij zichzelf moest overtuigen. “Dat is gewoon… toeval.” Het woord klonk hol.

Die nacht waren zijn dromen intenser. Niet langer losse flarden, maar samenhangende beelden die zich vastzetten in zijn hoofd. Hij zag een kamer die hij niet herkende, donker, met slechts één lichtbron die zwak flikkerde. Hij zag een silhouet op de grond, bewegingloos. Hij voelde zichzelf bewegen, maar niet als een bewuste keuze ,eerder als een toeschouwer in zijn eigen lichaam. Zijn handen waren in beeld, zijn vingers gespannen, zijn ademhaling zwaar. Hij hoorde een geluid dat hij eerst niet kon plaatsen, tot hij besefte dat het iemand was die probeerde te ademen, maar daar niet in slaagde. Toen werd hij wakker, abrupt, alsof hij uit het water werd getrokken. Zijn borst ging snel op en neer, zijn handen klam. Hij keek ernaar en voelde een koude rilling langs zijn ruggengraat lopen. Ze deden pijn. Niet oppervlakkig, maar diep, alsof hij ze intens had gebruikt. Hij wilde het licht aandoen, maar bleef zitten in het donker, te bang om te zien wat hij misschien zou aantreffen.

De volgende ochtend lag het briefje opnieuw op tafel. Hij wist het nog vóór hij de keuken binnenliep. Hij voelde het, als een zekerheid die zich in zijn borst had genesteld. Toch liep hij ernaartoe, langzaam, alsof hij de tijd kon rekken door zijn bewegingen te vertragen. Hij keek naar het papier. Je hebt nog 24 uur. Hij sloot even zijn ogen, haalde diep adem, en opende ze weer. De woorden waren niet verdwenen. Zijn blik gleed naar zijn telefoon, die naast het briefje lag. Het scherm lichtte op toen hij het oppakte. Er was een nieuwe video. Geen melding, geen tijdstip, gewoon aanwezig. Zijn vingers trilden toen hij het bestand opende. Het beeld was schokkerig, donker, maar duidelijk genoeg. Hij zag een ruimte die hij niet kende, en toen,zijn hand. Onmiskenbaar. Hetzelfde litteken op de knokkel, dezelfde vorm. Zijn hand die zich langzaam om iemands keel sloot. De persoon in beeld spartelde, probeerde zich los te wrikken, maar de greep verstevigde alleen maar. Elias voelde hoe zijn maag zich omdraaide. Hij hoorde een stem op de achtergrond, zacht, bijna fluisterend. Het duurde een moment voor hij besefte dat het zijn eigen stem was. Hij liet de telefoon vallen, alsof die hem had gebrand. Het toestel kletterde op de grond, maar hij reageerde niet. Hij zat verstijfd, zijn blik leeg, zijn gedachten in chaos. “Dat ben ik niet,” fluisterde hij. “Dat ben ik niet…” Maar de woorden klonken zwak, overtuigden hem niet.

Vanaf dat moment werd alles een race tegen iets wat hij niet begreep. Hij probeerde zichzelf te beperken, fysiek, alsof hij zijn lichaam kon tegenhouden waar zijn geest faalde. Hij sloot de deuren, duwde meubels ervoor, verstopte alles wat ook maar enigszins gevaarlijk kon zijn. Uiteindelijk ging hij nog verder. Hij nam een riem en bond zijn polsen vast aan de radiator. Het was oncomfortabel, pijnlijk zelfs, maar dat gaf hem een vreemd gevoel van geruststelling. Als hij zich niet kon bewegen, kon hij niemand pijn doen. Dat was de logica. Hij zakte tegen de muur en bleef daar zitten, zijn ademhaling langzaam kalmerend. Voor het eerst sinds lange tijd voelde hij zich een beetje in controle. De vermoeidheid overviel hem snel. Zijn ogen vielen dicht, zijn hoofd zakte naar voren. Hij viel in een diepe, droomloze slaap.

Toen hij wakker werd, lag hij op de vloer. De riem lag naast hem, netjes opgerold, alsof iemand hem zorgvuldig had losgemaakt. Zijn hart sloeg een slag over. Hij kwam overeind, zijn bewegingen abrupt, paniekerig. Zijn handen waren nat. Hij hoefde niet te kijken om te weten wat het was, maar hij deed het toch. Donker. Vers. Hij voelde hoe zijn adem stokte. “Nee…” Het briefje lag al op tafel, alsof het hem opwachtte. Je hebt nog 1 uur. Hij begon te lachen. Het geluid kwam diep uit zijn borst, rauw en ongecontroleerd. Het was geen echte lach, eerder een breuk. “Oké,” zei hij schor. “Oké… als dit dan moet…” Hij wist niet meer wanneer hij de deur had geopend. Niet wanneer hij naar buiten was gegaan. De wereld leek vervormd, alsof hij er doorheen bewoog zonder er echt deel van uit te maken. Toch voelde hij alles: de koude lucht op zijn huid, de spanning in zijn spieren, de constante drang die hem vooruit duwde.

***

Dieuwke Lauwers
leest het liefst horror, al schrikt ze zelf nog steeds van een deur die onverwacht dichtvalt. Ze schrijft gedichten en boeken waarin mooie en donkere dingen elkaar afwisselen, net als in het echte leven. Soms duikt er een vleugje humor op tussen de regels, soms juist iets wat je liever niet in het donker wilt tegenkomen. Schrijven is voor haar een manier om de wereld een beetje magischer, spannender en vreemder te maken.

Cindy van Veldhoven:
"Creëren is de rode draad in mijn leven. Altijd al geweest! Het maakt me blij.. Al vele ideeën zijn opgeplopt en verwezenlijkt, daar is illustreren er één van. Binnenkort mijn schildering op de cover van een boek! Ik ben een gelukkig mens ;)"

Reacties

Een reactie posten