Derde plaats mei 2026


De wereld die terugkeek

- GJ Wood - illustratie: Peter Meijer -

Hij heette Emanuel, was vierentwintig jaar, woonde in een enkelvoudige bovenwoning aan de Tweede Helmersstraat waar de verf van de plinten bladderde in de vorm van continenten, en hij schilderde al elf jaar aan hetzelfde doek. Dat wil zeggen: hij had elf jaar geleden een doek gekocht bij Van Beekum, van Belgisch linnen van honderdtwintig bij tachtig, en hij had het gespannen op een spieraam dat hij zelf had getimmerd van vurenhout dat hij van zijn vader had gekregen, die in 1954 was overleden aan een hartverlamming tijdens het sorteren van postzegels. Sindsdien had hij geen dag overgeslagen. Elke avond, na zijn werk op het hoofdkantoor van de Gemeentelijke Energiebedrijven waar hij de klachten over na-ijling van meters registreerde, waste hij zijn kwasten in terpentijn, zette een kop koffie die hij liet trekken terwijl hij de sigarenpeuk van de vorige dag uit de asbak peuterde, en liep hij naar de eetkamer, die hij zijn atelier noemde, om verder te gaan.
Het doek was niet groot, maar de wereld die erop stond was dat wel. In de loop der jaren had hij een landschap geschapen dat zich uitstrekte van een okergele vlakte aan de onderzijde tot een hemel van loodwit en zinkwit die bovenin overging in een donkerder partij die hij ‘het firmament’ noemde als hij er met vrienden over sprak, al had hij sinds 1958 geen vrienden meer over de vloer. Er was een rivier in het doek gekomen, eerst als een enkel penseelstreepje cobalt-turquoise, maar later had hij die verbreed, had hij bochten aangebracht, had hij aan weerszijden oever begroeid met riet dat hij met een haarpenseel en vingerdruk zo fijn had gemaakt dat je de halmen kon tellen. Hij had bomen geplant, populieren en wilgen, en hij had in de verte een bergketen opgetrokken van gebroken wit en omber, met sneeuwtoppen die glommen als de emaille van een oude koelkast.
De laatste twee jaar werkte hij aan de bewoners. Ze waren begonnen als vlekjes, als aanduidingen, maar na verloop van tijd waren ze gaan leven. Er was een man met een bruine jas die langs de rivier liep, een vrouw in een blauwe jurk die stilstond bij een boom, een kind dat een stok vasthield en naar het water keek. Emanuel had ze geschilderd met de precisie van iemand die portretten maakt van mensen die hij kent, maar hij kende hen niet. Ze waren uit zijn vingers gekomen, ze waren uit de verf geboren, en naarmate hij meer aandacht aan hen besteedde, begonnen ze zich te verplaatsen. Hij kon het zien wanneer hij ‘s avonds laat in het licht van de staande lamp zijn werk inspecteerde: de man met de bruine jas was niet meer op dezelfde plek als de vorige dag. Hij was een meter verder, dichter bij de boom, of hij had zijn hand opgeheven alsof hij naar de vrouw wuifde.
Emanuel dacht eerst dat het een optische illusie was, veroorzaakt door de vermoeidheid van zijn ogen na een dag klachten registreren. Maar hij deed de lamp uit, wachtte tien minuten in het donker, deed de lamp weer aan, en de man was weer een stukje opgeschoven. Toen wist hij: hij had geen landschap geschilderd. Hij had een wereld geschapen, en die wereld was bezig zichzelf te worden.
Hij vertelde het niemand. Zijn moeder belde eenmaal per week, op zondagavond om half negen, en vroeg of hij nog at, of hij nog naar buiten ging, of hij nog wel eens een vrouw ontmoette. Hij zei ja, ja, ja, en zij zei dat het zo triest was, zo’n knappe jongen alleen in dat hok, en hij zei dat hij het niet triest vond, dat hij zijn werk had. ‘Dat schilderen,’ zei zijn moeder. ‘Je vader zei altijd: van schilderen kun je niet eten.’ Emanuel zei dat hij at, en dat klopte, want hij at elke dag hetzelfde: twee sneetjes bruin met margarine en jam om zeven uur ‘s ochtends, een bord macaroni met tomatensaus uit blik om half een op het werk, en ‘s avonds, na het schilderen, een plak gekookte worst met aardappelpuree uit een zakje. Hij woog tweeënzestig kilo, maar hij at.
Op een avond in maart, het was koud in de kamer want de kachel sloeg om acht uur af en hij had geen stuiver voor een bijzetkachel, merkte hij dat de wereld op het doek niet alleen bewoog, maar ook geluid begon te maken. Hij hoorde het eerst als een suizen, alsof er iemand met een vinger over de rand van een glas ging, maar toen hij zijn oor tegen het linnen hield, hoorde hij de rivier stromen. Het was een zacht, aanhoudend geluid, vermengd met het ruisen van bladeren en, heel in de verte, een stem. De stem zei iets wat hij niet kon verstaan, maar het klonk als een naam. Zijn naam? Hij dacht van niet, maar hij kon niet zeker zijn.
De volgende dag nam hij ontslag bij de Gemeentelijke Energiebedrijven. Zijn chef, een man met de naam Bongers die altijd een vlek in zijn das had, zei: ‘Emanuel, je bent niet goed bij je hoofd.’ Emanuel zei dat hij het druk kreeg met zijn schilderwerk. Bongers zei: ‘Schilderwerk. Je kunt beter een vak leren.’ Emanuel tekende de papieren en liep naar de Tweede Helmersstraat, waar hij de hele middag voor het doek zat zonder te schilderen. Hij keek alleen. De man met de bruine jas was nu bij de vrouw in de blauwe jurk. Ze stonden naast elkaar, dicht bij de populier, en het kind met de stok stond wat verderop, maar het kind keek niet naar het water. Het keek naar Emanuel.
Hij voelde zijn keel droog worden. Hij stond op, deed de lamp uit, deed de lamp weer aan, maar het kind bleef kijken. Het had geen ogen, hij had geen ogen geschilderd, alleen donkere stipjes in ovale vlakken, maar het keek. Emanuel dacht: ik moet stoppen. Ik moet het doek vernietigen. Hij pakte een paletmes van de tafel en liep naar het doek. Zijn hand trilde. Hij zette het mes tegen het linnen, tegen de plek waar het kind stond, maar hij kon niet doorsnijden. Het kind keek. De man en de vrouw keken nu ook. Drie wezens, geschapen uit loodwit, omber en cobalt-turquoise, keken naar hem met stipogen die geen ogen waren, en hij voelde dat hij degene was die geschapen was, niet andersom.
Hij liet het mes vallen.
In de weken daarna schilderde hij niet meer. Hij zat op de keukenstoel die hij voor het doek had gezet, dronk koffie die koud werd, en keek naar de wereld die groeide zonder zijn toedoen. De rivier was breder geworden. De bergen waren hoger. Er stonden nu huizen op de oever, kleine hutjes die hij niet had gemaakt, met rook die uit de schoorstenen kwam. De man en de vrouw waren niet meer alleen; er waren andere figuren bijgekomen, vage contouren die zichzelf leken te scheppen uit de verf die hij maanden geleden had opgebracht. Het kind was weg, maar op de plek waar het had gestaan, stond nu een jongen van een jaar of vijftien, met een gezicht dat Emanuel vaag bekend voorkwam. Het was zijn eigen gezicht, van een foto uit 1953, toen hij achttien was en op het punt stond naar Amsterdam te verhuizen.
Hij wilde wegkijken, maar zijn ogen zaten vast. Hij wilde opstaan, maar zijn benen waren zwaar. Hij hoorde de stemmen nu duidelijk, een geroezemoes van vele mensen die over de oevers liepen en naar hem wezen. Ze spraken een taal die hij niet kende, maar hij begreep hen. Ze zeiden: Hij is het. Hij die ons maakte. Hij die ons vergat.
Op de zevende dag van april, het was een zondag en zijn moeder belde zoals altijd, maar hij nam niet op, ging hij naar het doek met een tube zinkwit en een kwast die hij niet had schoongemaakt sinds zijn laatste werkdag. Hij wilde de wereld sluiten. Hij wilde een laag wit over het hele doek trekken, de rivier bedekken, de bergen, de mensen, de jongen met zijn gezicht. Maar toen hij de kwast in de verf doopte en zijn hand uitstak, gebeurde er iets dat hij niet kon verklaren: zijn hand verdween. Niet in de verf, niet in het doek, maar in de ruimte tussen zijn pols en de kwast. De kwast viel op de grond. Hij trok zijn hand terug, en die was er nog, maar hij voelde hem niet. Het was een hand van verf, van linnen, van iets dat niet leek op vlees.
Hij keek naar het doek. De wereld was niet meer op het doek. De wereld was in de kamer. De rivier stroomde over de vloer, langs de plinten, onder de tafel door. De populieren groeiden tegen de muren op, hun takken krassend tegen het behang. De mensen stonden in de deuropening, de man met de bruine jas, de vrouw in de blauwe jurk, en de jongen met zijn gezicht, en ze zeiden niets. Ze keken. Ze keken naar de schepper die zijn schepping niet langer kon beheersen.
Emanuel deed een stap achteruit, maar de rivier was koud en trok aan zijn enkels. Hij probeerde te schreeuwen, maar zijn stem kwam eruit als een verfstreek, een veeg zinkwit die in de lucht bleef hangen. Zijn lichaam begon te veranderen: zijn armen werden linnen, zijn benen werden vurenhout, zijn gezicht werd een vlekje, een aanduiding, een stipje dat in de verte verdween. De jongen met zijn gezicht kwam naar hem toe, pakte zijn hand, en zei: Nu ben jij de geschapene, en ik ben de schilder.
Toen Emanuel voor het laatst iets voelde, en het was geen gevoel meer, het was een kleur, een droge omber, een gebroken wit, zag hij dat de kamer verdween. Er was alleen het doek, honderdtwintig bij tachtig, maar op het doek stond nu een keuken, een tafel, een stoel, een koude kop koffie, en een man die naar een leeg doek zat te staren. De man was hijzelf, maar de man zat vast in de verf, en de verf droogde.
De jongen, die zijn gezicht had, hing het doek aan de muur. Hij stapte naar achteren, bekeek zijn werk, en mengde een beetje loodwit met omber voor de schaduw onder de ogen. ‘Goed,’ zei hij. ‘Zo is het goed.’
Buiten, op de Tweede Helmersstraat, liepen mensen met tassen en honden. Ze keken niet naar het raam op de eerste verdieping, waar een man in een kamerjas achter een eettafel zat, roerloos, zijn ogen geopend, zijn blik gericht op een leeg doek dat geen leeg doek was. De conciërge van het gebouw, die elke woensdag de galerij dweilde, merkte dat er uit die woning een geur van terpentijn kwam, maar dat was al jaren zo. Hij dacht er niets van.
’s Avonds, toen het donker werd, deed de jongen in de woning de lamp aan. Hij was niet meer jong, hij had de leeftijd van Emanuel, en hij droeg een bruine jas. Hij zette koffie, liet die trekken, en liep naar de eetkamer. Aan de muur hing het doek. Hij keek ernaar, en de man op het doek keek terug. De man had zijn mond een millimeter geopend, alsof hij iets wilde zeggen, maar de verf was te dik, de woorden waren al opgedroogd.

***

G. J. Wood is schrijver, filosoof en abstract expressionistisch kunstenaar. Sinds 2001 verkent hij de grenzen van het vormloze, eerst op doek, later in taal. Zijn woorden zweven tussen het tastbare en het ongrijpbare, tussen redenering en intuïtie, als gedachten die zich niet laten vastpinnen.

Peter Meijer (1953) opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.

Peter maakte nog een tweede illustratie bij dit verhaal. Omdat we niet konden kiezen, zetten we die hier ook neer:



Reacties