Het bougainvillea perspectief
- Joos Gommans - illustratie: Tjade Witmaar -
“Ik heb je eerdere werk gezien,” zei de hoofdredacteur van het gerenommeerde weekblad. Ze leunde tegen de rug van haar stoel en keek naar de metronoom die tussen ons op het massief houten bureau stond. De kamer was klein, met afgebladderd grijs behang en geen ramen. “Ik vind het wisselend in kwaliteit.”
Ik knikte. Ze pakte mijn bruine dossiermap en bladerde door mijn foto’s terwijl ze een trek van haar sigaret nam. De hoge kraag van haar donkergroene mantelpak was half omgeslagen en haar knopen waren asymmetrisch bevestigd. Haar mascara was opvallend dik zwart boven haar lichtgroene ogen.
“Zoya de Groot. Geboren in Tabriz, woonachtig in Rotterdam,” zei ze tegen zichzelf. “Dus je vader is Nederlands en je moeder is Perzisch?”
“Mijn moeder is overleden,” zei ik.
Ze tuitte haar lippen even en keek weer naar de foto’s. De metronoom tikte.
“Vind je het moeilijk om hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden?”
“Wat bedoelt u daarmee?”
“Kun je een inschatting maken van wat het algemene publiek interessant vindt?”
Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Wat vindt het algemene publiek interessant?”
“Ik kan je dat niet uitleggen,” zei ze. Ik hoorde frustratie in haar stem. “Ik had je gevraagd ons weekblad te lezen, zodat je kan zien welke verhalen mensen interessant vinden.”
De metronoom bleef tikken in onze stilte. Ik keek naar een uitgave van het weekblad, dat uit mijn tas stak.
“In de laatste editie stond een stuk over de echtscheiding van een Hongaarse acteur, een column over het belang van sport voor groepsmoraal en een interview met een diplomaat over de economische implicaties van het loslaten van de gouden standaard. Wat is daarin de rode lijn?”
Toen glimlachte ze. Ze blies een wolk rook uit haar mond.
“Misschien is een rode lijn ook wat vergezocht. Hou je van lezen?”
Ik knikte. Ze tikte op een encyclopedisch naslagwerk.
“Ik hou ervan willekeurige lemma’s op te zoeken. Je weet nooit waar de reis eindigt.”
Ik keek naar haar krullende mondhoeken en ik voelde me veilig bij haar.
“Ik weet dat ook niet,” zei ik.
Ze bladerde nog een keer door mijn portfolio.
“Het is een gevaarlijke opdracht. Je hebt nog niet eerder oorlogsfotografie gedaan,” zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen mij. “Probeer je niet af te laten leiden. Alles moet worden vastgelegd. Precies zoals het gebeurt. Kun je die opdracht aan?”
“Ja,” zei ik.
Toen lachte ze breder en bood me een hand aan. “Ik heb veel vertrouwen in jou, Zoya. Hopelijk krijg ik daar geen spijt van.”
DE WIJDE BLIK VAN HET PLEIN
Het vroege zonlicht weerkaatst in de ruiten van de gele en roze pastelkleurige gevels en in de spiegel van een geparkeerde automobiel. Ik knijp mijn ogen samen en zet de houten camera op een statief dat moeilijk balanceert op het putdeksel tussen de kasseien. Ergens klinkt het zachte geluid van een bezem op de kasseien, gevolgd door een stem die kort iets roept, waarna het weer stil wordt.
Na de klim ben ik uitgekomen bij een hooggelegen plein dat uitkijkt over een glinsterende baai. Meeuwen cirkelen boven het azuurblauwe water. Ik zie visserboten bij de overzijde, bij de rotshellingen. Aan de top van de heuvels staan cipressen als donkere naalden tegen de lucht. Ik zie groepen mannen in de schaduwen staan.
Rechts van mij ligt een grote villa met een bordes onder een Palladio-entree. Palmen wiegen traag over een balkon waar niemand zit. In het midden van het plein staat een oude plataan. Tot anderhalve meter hoogte is de boom witgeverfd. En links van mij op de hoek ligt een kleine boekwinkel waar bougainvilleas in felpaars voor de ramen hangen.
“Ei!” schreeuwt een jongen. Hij staat bij het hek halverwege de villa en de boekwinkel, naast een muntautomaat-verrekijker en een stapel juten zakken met koffiebonen. Hij is mager en draagt een visserstrui. Hij houdt een geit vast aan een riem. Ik groet hem niet terug.
Door de lens zie ik mijzelf in spiegelbeeld: mijn gezicht is kalm, lang en smal, met een lichte vrouwelijke kromming in de kaaklijn en zeven moedervlekken in de vorm van Ursa Major. Ik heb de perskaart op mijn borstzak gespeld. Ik ben hier in opdracht. Alles moet worden vastgelegd zoals het is afgesproken. Precies zoals het gebeurt.
Ik kijk door de camera naar de baai. Klik. Het mechaniek van de camera knarst zacht en de sluiter reageert traag.
Ik berg mijn camera en statief op in mijn tas en loop naar de boekwinkel op de hoek. In het kastje dat tegen de gele buitenmuur is geplaatst bevinden zich niet meer dan tien boeken. Op de vensterbank van het open raam staat een grammofoonspeler. Een man van middelbare leeftijd stoft het kastje schoon, kijkt naar mij en glimlacht. Hij draagt een groen fluwelen gilet en achter zijn oor steekt een Montblanc-pen. Hij geeft mij een groet die ik niet herken, maar die mogelijk gebruikelijk is in deze streek.
Naast het kastje leunt een jonge vrouw tegen de gele muur. Ze is lang, draagt bretels en een wijd wit shirt. Ze heeft een paarse baret waarin een speldje in de vorm van een aardbei is geprikt. Haar linkervoet houdt ze tegen de muur en ze leest een bundel. Ik neem mijn Baedeker-reisgids uit mijn zak en vertaal de titel. De bundel heet “Koffie, As en Sterrenstof: Een Anthologie over Passie, Hoop & Gelijkheid”
Ik zet mijn camerastatief klaar en haal een nieuwe plaat uit de koffer. Ze klapt het boek dicht, loopt naar mij toe en schudt mijn hand.
“Isolde V.,” zegt ze.
Ze praat verder, maar ik kan haar niet verstaan. Ze houdt een paar foto’s omhoog van ondervoede mensen met kortgeschoren haren. Ik reageer niet en ze kijkt feller. Ik zie dat er tranen uit haar ogen komen.
Ik wil haar omhelzen, maar ik weet niet of dat mag. Ze doet een stap terug en wijst naar mijn camera. Dan steekt ze een sigaret aan en houdt ze de laatste foto omhoog. Ze steekt haar kin omhoog en neemt een trek.
Klik. Ik maak een foto van haar, precies zoals het gebeurt.
Isolde V. knikt naar mij, maar ik groet haar niet. Ze loopt terug de winkel in en ik zie dat ze haar wenkbrauwen fronst. Ik pak mijn camera en ik kijk naar de grammofoonspeler op de vensterbank en dan naar de ruiten.
Ik zat onder de gietijzeren tafel in de hoek van de tropische serre. Ik had mijn handen op de natte stenen gelegd. Die waren aangenaam klam, met een fijn reliëf. De lucht in de kas voelde fijn en bleef in mijn keel spelen. Ik keek naar de schaduwen van bewegende bladeren door het tafelkleed en luisterde naar de vogels.
“Salam Zoya!” zei mama plotseling en ze trok het kleed opzij. Ik schrok en kroop verder terug onder de tafel. Mama schrok niet als ik schrok, zoals ik schrok als anderen bang leken door mij. Ze kroop voorzichtig naast me onder de tafel. “Azizam,” zei ze. “Lieverd.” Ze legde haar hoofd in mijn schoot en kuste mijn hand. “Mag ik even bij jou liggen?”
“Ja,” zei ik. Mama had lange haren die roken naar iets dat niemand anders had. En het was fijn en warm als ze naast mij lag. Haar handen roken lekker. Ik wreef door haar haren en ik hoopte dat ze dat fijn vond. Ze liet me haar encyclopedie van Ibn Sina zien. Ze zei dat ze die al heel vaak had gelezen. “Waarom?” vroeg ik. Ze dacht daar even over na en ik maakte een vlecht in haar haren. “Ik denk dat ik hou van dingen die terugkeren,” zei ze toen. “Van boeken die je opnieuw kunt lezen, van vaste tijden om thee te zetten of jou te laten schrikken. Daarin gebeurt niets onverwachts, en toch groei ik langzaam.”
Ik was het oneens met haar opmerking over mij laten schrikken. Maar een paar maanden later overleed ze bij een auto-ongeluk en dacht ik daar niet meer aan.
Ik trek de tas over mijn schouder en loop naar het grote huis. De jongen in de visserstrui kijkt naar mij en volgt met een intense blik mijn stappen. Achter hem, in de verte, zie ik hoe kanonnen worden opgesteld door kleine groepjes mannen.
“Ei,” roept hij.
Ik trek een gezicht om duidelijk te maken dat ik zijn blik onprettig vind als iemand hard lacht vanuit het grote huis. Ik kijk om, maar kan niemand zien.
HET INSTINCT VAN CLAUDIO ISRAR
Op het fronton boven de zuilen staat “Villa Praznina”, een sierlijke pauw en een spreuk in de lokale taal. Ik zoek het idioom op in mijn Baedeker en het vertaalt als:
“U KUNT ZICH NIET AANPASSEN ALS U GEBOREN BENT OM OP TE VALLEN”
Ik loop voorzichtig de trap van het bordes op. Voor de ingang staat een pergola begroeid met klimop en druiven. Tussen weelderige bloemen staat een tafel met een wit tafelkleed en daarop lege borden en glazen. Het kleed ademt zachtjes door de warme wind.
Ik loop om de tafel heen naar de dubbele voordeur en laat mijn hand over het kleed glijden om de structuur van het linnen te voelen. De deur staat op een kier. De bronzen deurklink is dof, maar glanst waar talloze vingers haar hebben aangeraakt. Ik hoor het gelach, nu luider, vanachter de deur.
“Ei,” hoor ik iemand zeggen.
Achter mij staat de jongen in de visserstrui. Zijn blauwe ogen kijken door dunne sledes onder zijn donkerkrullend haar. Is dit angst of bemoeizucht of compassie?
“You speak English?” vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd en zeg “No. I’m from Rotterdam.”
“Claudio,” zegt hij. Hij wijst naar zijn borst alsof hij daar zit. “Claudio Israr.”
Ik knik opnieuw en kijk over zijn schouder. Op de heuvels zie ik rijen soldaten in uniform. Mannen te paard bewegen langzaam over de helling richting het dorp.
“Ik ga naar binnen,” zeg ik. Ik leg mijn hand op de knop van de deur en draai, maar ik krijg geen beweging in de deur. Ik klop en staar naar het hout. Ik denk dat Claudio naar mij kijkt.
“Ze heeft moeite om te voelen zoals normale mensen voelen,” zei de dokter. Ik hoorde haar fluisteren vanuit mijn schuilplaats onder de tafel. Ik zag haar naaldhakken op en neer lopen naast mijn vaders oxfordschoenen. “Diagnose is flegmatiek en schizoïde. Huilde ze om haar moeder?”
“Nee,” zei mijn vader. “Toch denk ik dat ze wel pijn voelde. Ik denk dat het haar alleen aan woorden ontbreekt om die pijn te uiten.”
“Tja,” zei de dokter. “Maar ze is veertien, dat is geen goed teken in haar ontwikkeling.”
Een gouldamadine begint te zingen en haar geluid klinkt als een echo in de kas. Ik probeer focus te houden.
“Het is nog niet zozeer haar gevoelens dat me zorgen baart,” zegt mijn vader. “Ze voelt soms zoveel dat het haar bijna verlamd doet raken. En dan, lijkt het, volgt ze patronen om zichzelf staande te houden. En ik weet niet of ze de implicaties daarvan kan inschatten.”
De dokter haalde even adem. “We kennen elkaar al lang, Richard, je weet dat ik het goed bedoel. Ik denk dat die elektroshock-therapie die ze nu hebben een goede oplossing kan zijn. Het kan haar helpen. Ik zou het zonde vinden als ze haar hele leven een buitenbeentje blijft.”
Mijn vader twijfelde geen moment. “Nee,” zei hij. “Ze begrijpt perfect wanneer iets goed voelt en wanneer niet. Ze vindt haar weg wel.”
Ik zie een schaduw over de deur glijden.
“Bukken!” roept Claudio. Ik draai me om en dan gebeurt alles heel snel. In de lucht boven mij zie ik rode vliegtuigen.
DE KEUZES VAN ZOYA DE GROOT
De ruiten van de villa barsten als de bom inslaat. Ik zie stofwolken. Een deel van een muur stort in. Ik hoor geweerschoten van dichtbij. Ik sluit mijn ogen en zak op grond. Ik hoor het geluid van een vliegtuig en mijn knieën raken de stenen. Ik hoor meer mensen, mensen die schreeuwen.
Claudio grijpt mij bij de hand en trekt mij het bordes af en het plein over. Ik zie stof en hoor nog meer geweerschoten. Ik hoor het allesoverheersende geluid van een vliegtuig dat laag overvliegt. “Laat me los,” roep ik luid. Ik probeer mij los te wringen, maar Claudio’s greep is stevig. Hij kijkt in het rond. Isolde V. zit gehurkt onder het open raam van de boekwinkel.
Hij duwt mij naast haar en kijkt voorzichtig om de hoek van het gebouw.
Ik denk eraan weg te rennen, maar ik weet niet waarheen. Voor nu is het stil. Het vlieggeluid is verdwenen over de heuvels. Door het open raam klinkt muziek. Ik zie de grammofoonspeler op de vensterbank, die zachtjes krakend een plaat afspeelt. Ernaast ligt een albumhoes. The Cole Porter Songbook.
“My story is much too sad to be told
But practically everything leaves me totally cold”
“Ik heb veel vertrouwen in jou. Hopelijk krijg ik er geen spijt van.” zei mijn redacteur rustig.
De metronoom op haar bureau tikte.
Isolde V. en Claudio houden elkaar handen stevig vast en maken aanstalten om de straat uit te rennen, en met een slingerend pad het dorp uit.
Ik kijk naar het plein. Er is niemand te zien. Ik sta op en loop naar de plataan in het centrum.
“No,” fluistert Isolde V. Claudio probeert mij vast te pakken en terug te trekken, maar ik duw hem van mij af.
Ik kijk naar de modderige voetafdrukken die de vluchtende mensen hebben achtergelaten op de kasseien. Ik kijk naar de bougainvillea’s boven de boekwinkel en het stof en de brokstukken rondom de villa. Een vissersboot met een uitgeworpen net ligt stil in de baai. De soldaten komen in kleine groepen op het dorp af. Ik draai me om en zie dat Claudio en Isolde V. samen wegrennen.
Ik zet de camera op het statief. Mijn handen trillen als ik de plaat in de camera wil schuiven. Hij glijdt uit mijn handen. Het geluid van vliegtuigen klinkt weer in de hemel.
Ik kijk door de lege lens. Alles moet worden vastgelegd zoals het is afgesproken. Precies zoals het gebeurt.

Reacties
Een reactie posten