Alles wat Olav zei
- Veerle Breemeersch - illustratie: Peter Meijer -
Toen de mist opkwam, brak Olavs sleutel af in het slot van zijn voordeur. Hij probeerde grip te krijgen op de sleutelbaard door de nagels van zijn duim en wijsvinger als een tangetje te gebruiken.
In zijn linkerhand hield hij de weekendkrant, pas gehaald in de krantenwinkel, met op de voorpagina: Meervoudige crises zetten wereld onder druk. In de keuken liep de koffie door.
Hij ging de straat weer op en belde zes huizen verder aan. Elly deed open, haar voeten in poezenslofjes gestoken, haar gezicht grauw. ‘Olav?’
‘Elly. Het spijt me dat ik stoor.’ Hij toonde haar de sleutelkop. ‘Afgebroken in het slot. Ik heb de reservesleutel nodig. En een tangetje of pincet, iets wat klein genoeg is om …’
Ze keek naar een punt achter hem, alsof dáár iemand sprak tegen haar.
‘Hebben wij een reservesleutel?’
‘Die heb ik aan Herman gegeven, ooit.’
‘Dat wist ik helemaal niet.’
Ze bleef in het deurgat staan nadenken. ‘Heb jij er ook een van ons dan?’
‘We hebben geruild.’
‘O.’
Olav klemde de krant onder zijn arm en wreef zijn handen tegen elkaar. Hij probeerde Elly’s blik te vangen, die nu van links naar rechts schoot.
‘Je bent dus voor die reservesleutel gekomen,’ zei ze.
Olav knikte en knipperde de opkomende gedachten weg.
Elly zette een stap opzij en Olav liep door naar hun woonkamer, waar de verwarming hard tikte maar het niet veel warmer was dan buiten. Het was al even geleden dat hij er geweest was. Drie, vier jaar.
Herman zag hij nog wel eens op straat, dan staken ze hun hand op als groet, meer niet.
‘Herman is niet thuis, die laat de hond even uit. Hij komt zo meteen, hij weet wel waar de sleutel ligt.’
‘Ik heb geen haast,’ zei Olav. De koffie zou hij toch opnieuw moeten opwarmen.
‘Een tangetje ook, zei je? Dat krijg ik wel voor elkaar.’ En weg was ze, een hele tijd.
Olav nam plaats aan de eettafel. Zijn blik gleed over het opgeruimde, grijshouten interieur. Een buffetkast vol gestapeld servies, een bronzen eend met de snavel half geopend, een sofa met kussens, symmetrisch geschikt.
Hij probeerde zich voor de geest te halen hoe het er vroeger had uitgezien, tijdens één van hun kaartavonden. Herman, hijzelf en twee andere mannen op hun vaste plaatsen aan de tafel, blond bier en borrelnootjes – als ze te luid werden, kwam Elly even uit de keuken; Merel slaapt. Dat die twee woorden vier mannen tot zwijgen konden brengen, of toch voor even.
Kwamen de twee anderen nog langs?
Hen zag hij zelfs op straat niet meer, ze woonden te ver.
Hij overwoog om aan de krant te beginnen toen Elly er plots weer stond, nog altijd op de poezensloffen.
‘Ik heb er een gevonden,’ zei ze en ze overhandigde hem een middelgrote kniptang.
Hij zou het Herman wel vragen, straks.
Ze ging tegenover hem zitten, de kniptang en de krant tussen hen op tafel.
‘Hoe gaat het nu met jullie?’ vroeg hij.
‘O,’ zei ze. ‘De tijd staat niet stil, natuurlijk.’
‘Het leven gaat verder,’ zei hij, zijn handen plat voor zich op tafel. ‘Daar is geen ontkomen aan.’
Aan de muur achter haar hing een zilveren wissellijst, pal in Olavs gezichtsveld. Daarin stak de originele foto, de foto die Elly en Herman hadden uitgekozen. Haar in de wind, een suikerwafel, de zee ver weg. Het kaartje had een tijdlang op Olavs dressoir gestaan, tot hij het opgeborgen had en was gestopt met langsgaan.
Hoe ging zoiets? Hij begon alles af te wegen wat hij nog kon zeggen. Niets had het juiste gewicht. Het was gauw gezegd, iets wat de balans scheeftrok, de orde in de war stuurde.
Dus bleef hij thuis en speelde voortaan spelletjes canfield bij het licht van zijn bureaulamp.
Hij zat wat te schuiven op zijn stoel.
‘En met de hond?’ vroeg hij ten slotte.
De hónd?
Maar ze antwoordde onbewogen. ‘Monty. Een bichon frisé. Een reutje. Slaapt aan onze voeten, op het dekbed. Dat is voor iedereen het beste, denk ik maar.’
‘Gezellig, ja.’
‘Hij komt zo,’ zei ze.
Het kon over Herman gaan, of over de hond.
Geen van beide kwam.
‘Ik kan beter een slotenmaker bellen,’ zei Olav. ‘Mag ik even jullie telefoon gebruiken?’
‘Driehonderd zestig euro,’ zei ze. ‘Zoveel hebben wij enkele maanden geleden betaald voor een dringende interventie. Op een dinsdag.’
‘Dat is flink doorgerekend.’
‘Herman is er zo, je hoeft helemaal geen slotenmaker te bellen.’
Na een kwartier stond ze recht.
‘Toch maar even kijken waar ze blijven. Ga gerust mee.’
Ze verdween weer uit het zicht; Olav hoorde haar boven iets zoeken, een lade die dichtviel, haar stappen op de overloop.
Ze verscheen in een donkergroene regenjas en met harde, oranje lippenstift middenin haar bleke gezicht. Ze strikte haar veters in een dubbele knoop.
Toen gingen ze de deur uit. Olav in de wollen kabeltrui die hij had aangetrokken om even naar de krantenwinkel te gaan.
Ze liepen Olavs huis voorbij waar het licht in de keuken nog brandde en gingen verder in de richting van het wandelpad langs de spoorweg. Zij aan zij liepen ze, alleen voor elkaar zichtbaar in de dichte mist.
‘Elke dag gaat hij wandelen met Monty. Dertig minuten, vijfendertig als hij traag is. Monty bedoel ik.’
Elly zette er flink de pas in.
Olav wilde iets zeggen, maar hij kwam er niet toe.
Hij kon het beter aan Herman zeggen.
Langs de sporen liepen ze nu. De vochtige kilte zette zich vast in zijn trui, zijn schoenen.
Elly floot en riep de naam van de hond, maar de mist leek alles te absorberen.
Monty stond een heel eind verder klaaglijk te piepen in het midden van het pad. Hij was klein en vuilwit en daardoor slechts moeizaam te onderscheiden van zijn omgeving.
Het uiteinde van zijn leiband was rond een jong berkenboompje gebonden.
Elly maakte de leiband los en de hond begon meteen aan Olav te snuffelen, die met zijn koude hand over de kop van het dier ging, maar het trok zich terug.
Elly liet de hond haar gezicht likken, binnensmonds mompelend, terwijl Olav verderliep.
Herman zat nog wat verder, gehurkt achter een boom, zijn handen in zijn jaszakken. Hij focuste op een punt bij de sporen. Toen Olav zijn blik volgde, zag hij hoegenaamd niets.
Omdat hij niet bewoog, dacht Olav dat Herman hem niet had horen aankomen.
Hoe lang was alles eigenlijk al zo stil? Wanneer was het laatste woord gezegd, wie had het gezegd en wat was het geweest?
‘Ik ben hier,’ zei Olav.
Herman draaide zich om, niet gehaast, en keek Olav recht aan, verrast noch betrapt.
Olav leek het geluid eerder te voelen dan te horen. Een sonoor, geladen gesuis. Boven hun hoofden knetterden kort de bovenleidingen.
Het kon nog altijd gebeuren. Over enkele ogenblikken, binnen zijn blikveld. Ondanks de schok van die gedachte schoot het Olav te binnen dat dat misschien was wat hij verdiende, dat hij alsnog te zien zou krijgen waar hij al die jaren van weggekeken had: hoe de man die ooit zijn vriend was, kapotging.
Pas toen het geraas voorbijgetrokken was en Herman nog altijd gehurkt tussen de bomen zat, zei Olav: ‘Elly is hier ook.’
Op de terugweg zei geen van hen drieën iets en ook Monty liep geluidloos voor hen uit en bleef nergens staan, keek niet om, trok hen in opperste concentratie het licht in dat ergens ver achter de mist op hen lag te wachten.
Terug in de tikkende, koude woonkamer verdween Elly uit het zicht en ging Herman in de zetel zitten. Hij zat er in een vochtige jas, natte aarde aan zijn schoenen, Monty’s kop in zijn schoot, de kniptang op de plek naast hem. Waar Olav ook stond, hij stond middenin Hermans blinde vlek.
Dat te kunnen aanvaarden, al die jaren; Olav had liever canfield met zichzelf gespeeld.
Uiteindelijk belde hij toch maar de slotenmaker.
Herman zat nog altijd in de zetel, als in een vreemde aanbouw van de realiteit.
Terwijl hij op de drempel van zijn voordeur op de slotenmaker zat te wachten, drong tot Olav door wat hem te doen stond.
Hij liep terug, belde aan en keek hoe Herman opendeed, nog altijd in zijn jas, voetsporen van aarde in de gang, Monty half verstopt achter hem.
‘Waar ik nog aan dacht,’ zei Olav.
Ze namen elkaar op en voor het eerst dacht Olav te zien waar hij zich al die tijd geen voorstelling van had kunnen maken. Een halve seconde, alsof hij keek naar een jasje aan een te smalle kapstok. Tegelijk hoorde hij dat er een zacht, zangerig gekerm uit Herman kwam, en uit Monty kwam precies hetzelfde gekerm. Ze stonden een tweestemmig lied te zingen, het baasje en zijn hond, tot Olav begreep dat hij de hoge frequentie van de stofzuiger hoorde waarmee Elly in de woonkamer bezig was.
‘Ik heb mijn krant hier laten liggen, die is voor jullie,’ was alles wat Olav zei.
Hij draaide zich om en liep terug naar huis, waar het licht in de keuken brandde en de koffie wachtte, koud.

Gefeliciteerd! Graag gelezen.
BeantwoordenVerwijderenMooi en ingetogen verhaal dat onder de huid kruipt. De sfeer is bijzonder raak en zindert nog lang na. Proficiat!
BeantwoordenVerwijderen