Nepenthes
- Pauline De Pelsmacker - illustratie: Cindy van Veldhoven -
Gebouw M. Eerste verdieping, derde deur rechts. Hier moet hij zijn. Hij is op tijd, zoals altijd, zelfs enkele minuten te vroeg. Hij had zich voorbereid, maar hoe voorbereid kan men zijn op een verhoor van de universitaire tuchtraad? Voorzichtig haalt hij zijn notitieboekje uit de binnenzak van zijn jas. Data, tijdstippen en korte omschrijvingen staan netjes onder elkaar genoteerd in zwarte pen. Dan ook enkele vragen waar hij het antwoord niet op weet. Had ze het op voorhand gepland? Had hij het moeten zien aankomen? Waar was hij voor het eerst in fout gegaan? Hij neemt zijn bril in zijn handen en veegt met een doekje in rustige en regelmatige cirkels over het glas. Hij wacht en luistert. Binnen in de kamer hoort hij zachte gedempte stemmen, verschillende mannenstemmen en een vrouwenstem. Hij herkent haar stem en een gevoel van weemoed bekruipt hem uit het niets. Haar zachte stem. Haar valse stem. Haar stem van verleiding en verraad. Dan worden de stemmen luider en komen voetstappen dichterbij. Plots gaat de deur open.
“Bedankt voor uw komst, juffrouw Liedts", hoort hij iemand zeggen, gevolgd door het tikken van hakken. Hij ziet eerst haar benen, dan haar taille en haar lang bruin haar dat losjes over haar schouders valt. Hun ogen kruisen. Het is de eerste keer dat hij haar terugziet sinds het voorval. Hij voelt een steek in zijn maag. Als hij haar wilt aanspreken maar de juiste woorden niet vindt, wendt ze vluchtig haar blik af en loopt ze met snelle passen de gang uit. Het snel, tikkend geluid van haar hakken dooft langzaam uit. In de schaduw van haar prille schoonheid, laat ze een wolk van zoete parfum achter. Voor een man van begin de vijftig, sportief en fris, voelt hij zich oud en stoffig in haar bijzijn. Een bejaard mannetje dat enkel nog onverstaanbaar gestamel kan uitbrengen.
“Professor Demarcke” zegt plots de stem in het deurgat, “komt u binnen”. Hij staat op en volgt de man naar binnen, waar hij een eenzame stoel ziet dat gericht is op een rij van vier raadsleden. In de vergaderzaal hangen twaalf portretten van de voorgaande rectoren. Hij voelt hoe hun ogen hem oordelend volgen wanneer hij plaatsneemt op de stoel. In zijn hand heeft hij nog steeds het notitieboekje vast, als een kind dat zijn beer vastgrijpt bij het zoeken naar troost. De man, de voorzitter van de raad, neemt plaats in het midden van de leden en legt enkele papieren voor zich uit. De andere raadsleden, twee vrouwen en een oudere man, kijken de professor met een strenge blik aan, maar niemand zegt een woord. Onwennig strijkt hij met zijn handen onzichtbare plooien in zijn broek glad. Hij voelt zich als weerloos prooi te midden van cirkelende aasgieren, klaar voor de aanval.
“Professor Demarcke, u bent hier vandaag uitgenodigd op deze hoorzitting met betrekking tot een klacht dat de raad ontving van een studente van u, mevrouw Melissa Liedts.” De voorzitter kijkt even zwijgend op, alsof hij wacht op bevestiging, maar als die enkel beantwoord wordt door stilte, gaat hij verder.
“Het gaat om een melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag dat plaatsvond tijdens een excursie met uw groep studenten Biologie in de nacht van donderdag 20 mei op vrijdag 21 mei in de hotelkamer waar mevrouw Liedts overnachtte. In deze tuchtraad onderzoeken we de feiten en geven we u, de beschuldigde, de kans om uw kant van het verhaal te vertellen. Wij luisteren.”
Hij had het antwoord op deze vraag op voorhand ingestudeerd. Hij had zijn verhaal minutieus genoteerd door tijdstippen en plaatsen in kaart te brengen, en antwoorden uit te schrijven op vragen die hij verwachtte te horen. Hij had zijn onschuld willen bepleiten maar in de bladzijden van zijn notitieboekje ziet hij enkel een wirwar van cijfers en naamplaatsen. Vage en slordige omschrijvingen in kortschrift die hij niet meer begrijpt. Wat was er die nacht gebeurd? Het had niet mogen lopen zoals het gelopen is, maar hij draagt geen schuld. Hij klapt het boekje dicht, steekt het weg in zijn binnenzak, en richt zich naar de raadsleden.
“Waarde voorzitter van de universitaire tuchtraad, waarde collega’s, in de eerste plaats wens ik jullie te bedanken om mij uit te nodigen om mijn kant van het verhaal te brengen. Ik pleit onschuldig en wil benadrukken dat de feiten waarvan ik beschuldigd ben niet staven met de realiteit.” Hij pauzeert even en denkt na. ‘Is dit hoe je een verdediging tijdens een hoorzitting moet beginnen?’ Innocent until proven guilty. ‘Begin bij de feiten’, beveelt hij zichzelf.
“Op 20 mei had ik een vrijwillige excursie gepland naar een botanische tuin waar op dat moment een uiterst zeldzame plant in bloei stond, de Agave Americana. We zouden samen een bezoek brengen aan de tuin, daarna zou ik een deel van mijn les wijden over deze zeldzame bloei. Mijn laatstejaarsstudenten waren enthousiast over deze unieke kans. Omdat het enkele uren rijden was, stelden ze zelf voor om die avond in het dorp te overnachten en de volgende dag samen terug te rijden naar de campus. Ik had er geen bezwaar tegen. Integendeel, er is niemand die thuis op mij wacht."
Waarom had hij het nodig gevonden om die laatste opmerking te maken? Om medelijden op te wekken? Of beschouwen ze hem nu als een eenzame, oude man verlangend naar het gezelschap van jong bloed? Hij probeert de gezichten van de raadsleden af te lezen, maar ze blijven hem uitdrukkingsloos aankijken.
“Tijdens het bezoek aan de plantentuin, zag ik hoe mevrouw Liedts schetsen maakte in houtskool van de bloem. Ik was onder de indruk van haar tekeningen, maar nog meer van haar concrentratie en fascinatie voor haar onderwerp. Ze trok als het ware mijn aandacht naar haar toe omwille van haar focus. Ik zei dat ze goed kon tekenen en dat ze dat moest blijven doen. Ik gaf haar die opmerking zonder andere bedoelingen, net zoals ik een compliment zou geven aan iedere andere student.”. Dat laatste is gelogen. Hij was uiterst zuinig met complimenten geven en gaf ze enkel aan studenten die hij graag had, bij wie hij zich goed voelde, studenten met oprecht talent, meestal vrouwelijke studenten, maar dat vertelt hij niet aan de tuchtraad. Ze was hem al opgevallen tijdens zijn lessen. Ze zat altijd in stilte op de achterste rij, nam notities, stelde nooit een vraag, ging nooit met iemand in gesprek. Ze fascineerde hem door haar onopvallende schoonheid gehuld in een zeker mystiek. Hij had haar nog nooit aangesproken en zij niet hem, maar toch had hij een taal met haar ontwikkeld. Een taal van stilte, van oogcontact, onzichtbare knikken en verborgen glimlachen. Tot die bewuste namiddag in de plantentuin waar de Agave Americana hen samenbracht.
“Ze leek wat geschrokken door mijn opmerking, maar glimlachte verlegen terug en zei dat ze elke dag schetsen maakt. Dat maakte me nieuwsgierig om meer van haar werk te zien. Na het bezoek, vroegen mijn studenten of ik mee wou gaan eten. We aten iets, dronken een glaasje wijn, voerden interessante gesprekken. Ik heb daarna mijn deel betaald, heb het restaurant verlaten en ben naar het hotel gewandeld.”, besluit hij droog. Hij weet dat hij veel meer zou moeten uitbreiden over de gesprekken die hij met haar had in het restaurant, over wat er gebeurd was in het hotel, maar hij voelt plots een vermoeidheid over hem neerdalen. Wat voor zin heeft het? Ze zullen hem toch niet geloven.
De voorzitter schuift één van de pagina’s voor zich uit en schrijft iets neer. Hij laat daarna de pen van zijn ene in zijn andere hand rollen.
“Laten we even teruggaan naar het restaurant”, zegt de voorzitter terwijl iets onderstrepend op zijn blad. “Volgens mevrouw Liedts koos u erg bewust om naast haar te zitten. Ze voelde zich als het ware geviseerd door u. Klopt die stelling?”. De voorzitter kijkt hem aan met een doordringende blik.
“Het klopt dat ik naast haar zat in het restaurant, ja, maar ik zou niet zeggen dat ik haar geviseerd heb. Dat vind ik geen correct woord. Ik nam gewoon plaats waar nog een stoel vrij was. Dat het de stoel naast die van haar was, is puur toeval. Al zal ik niet ontkennen dat ik een fijn gesprek met haar had die avond. Maar een gesprek voeren met een student is op zich geen misdaad, of is dat het wel?” vraagt hij cynisch met een opgetrokken wenkbrauw. Onbewust denkt hij terug aan het gesprek dat ze hadden. Hij herinnert zich hoe het hem opviel dat ze alleen op het einde van de tafel zat. Met haar vingers speelde ze met haar lang haar, ze leek op hem te wachten. In hun geheime taal, nodigde ze hem uit om naast haar te komen zitten. Ze nam haar opvallend kleurrijke handtas van de lege stoel en keek van de stoel naar hem en terug naar de stoel. Was het een signaal dat hij verkeerd had geïnterpreteerd? Ze had alleszins geen bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij naast haar kwam zitten, ook al waren er nog andere plaatsen vrij.
“Waarover ging uw gesprek met haar?” vraagt één van de vrouwelijke raadsleden, wat hem plots uit zijn gedachten terugbrengt naar het hier en het nu: de karakterloze vergaderzaal met daarin al even karakterloze raadsleden.
“We hadden een gesprek over verschillende onderwerpen. Het ging eerst nog over het bezoek aan de plantentuin, vervolgens over haar passie voor het tekenen van planten. Ze vroeg me welke passies ik had. Ik vertelde haar over mijn fotografie, over mijn vele jaren ervaring in het vak. Ik sprak over mijn studentenjaren, toen ik foto’s van modellen hielp ontwikkelen voor een modemagazine, en zo zelf als fotograaf begonnen ben. Maar ik vertelde haar ook dat ik uiteindelijk voor mijn studies in Biologie koos, omdat mijn passie voor fotografie niet meer te combineren viel met mijn doctoraatsstudies. Nu fotografeer ik enkel nog bloemen, planten, insecten, soms vogels als ik voldoende geduld heb. Onderwerpen die passen bij mijn leeftijd.” voegt hij er met een fijn lachje aan toe, maar aan de uitdrukkingen van de raadsleden te zien, wordt zijn zelfspot niet gewaardeerd. Hij gaat verder.
“Ze toonde erg veel interesse in mijn verleden als fotograaf. Zoals ik al zei, we hadden een fijn gesprek.” besluit hij kordaat. Zijn keel is droog. Hij neemt een slok water van het glas dat hij nog onaangeroerd heeft laten staan. Hij weet welke vraag nu zal volgen, maar hij weet niet of hij zich klaar voelt om erop te antwoorden.
“Volgens mevrouw Liedts heeft u haar in dat gesprek gevraagd om voor uw lens te poseren. Kunt u dat bevestigen?” vraagt de voorzitter.
Opnieuw een steek in zijn maag. Hoe kan hij deze vraag eerlijk beantwoorden zonder dat het in zijn nadeel speelt? De cirkelende aasgieren hebben hun aanval ingezet. Het zwakke dier, dat ze weldra in stukken uiteen zullen scheuren, kan geen kant meer op.
“Ik kan bevestigen dat dit onderwerp ter sprake is gekomen, ja. Melissa ...” Bij het uitspreken van haar naam, pauzeert hij even, gaat rechter zitten en herneemt zijn zin. “Mevrouw Liedts gaf te kennen dat ze al eerder modellenwerk had gedaan en dat ze op zoek was naar een fotograaf voor haar portfolio. Ze hoopte namelijk door te breken als model, maar zei dat ze de juiste fotograaf ontbrak die haar schoonheid op een artistieke manier kon vastleggen op beeld. Ik heb haar niet gevraagd om voor mijn lens te poseren. Ik heb enkel geantwoord dat ik jaren ervaring heb in het vak, en ja, ik heb voorgesteld dat ik met haar portfolio kon helpen als ze dat graag wou. Maar laat het duidelijk zijn dat ik daarmee niet bedoelde dat het om foto’s ging die ik zelf zou nemen. Zoiets zou ik nooit suggereren aan een student van mij. Ik denk dat mevrouw Liedts mij verkeerd begrepen heeft.” antwoordt hij zelfzeker, maar hij voelt dat het een zwak argument is. Is het genoeg? Zal deze bijna belachelijk simpele verklaring deze raad overtuigen dat het allemaal om een misverstand gaat? Heel even durft hij zijn gedachten laten afdwalen naar het moment waarop hij haar het aanbod had gedaan. Ze reageerde eerst met een verlegen lachje, sloeg haar ogen neer, streek haar haar achter haar oor, goed beseffend dat zijn blik nog steeds op haar gericht was. Toen keek ze hem met diezelfde grote donkere ogen aan met een mystieke glimlach. Ook zonder woorden had hij haar begrepen. Hij had niet verwacht dat ze zijn aanbod serieus zou nemen. Hij had een afwijzing verwacht, een zucht of een afkeurende blik. Een afgrijzen van wat hij is: oud, saai, verleden tijd. De herinnering aan haar antwoord, aan haar blik en het kort maar sterk contact dat ze hadden, brengt hem opnieuw een gevoel van weemoed. Hij had er nog vaak aan teruggedacht, maar nu voelt de herinnering intens dichtbij.
“Professor Demarcke, u lijkt even afgeleid. Laat mij nog eens de vraag herhalen. U stelde daarnet dat u, nadat u het restaurant had verlaten, naar uw hotel bent gegaan. Kunt u ons vertellen waarom u zich dan later op de avond bevindt in de kamer van Mevrouw Liedts?” vraagt de voorzitter, terwijl hij zijn duim aflikt en laat glijden over een pagina die hij omslaat.
Hij herinnert zich nog precies wat er gebeurd is, maar harde bewijzen heeft hij niet. Innocent until proven guilty.
“Ik was nog wakker toen ze op mijn deur klopte, ik geloof iets na middernacht. Ze leek in paniek, en vertelde me dat haar handtas gestolen werd op terugweg naar het hotel waardoor ze haar kamer niet meer binnen kon. De receptionist wou haar geen sleutel geven omdat de reservatie op mijn naam stond. Ze vroeg me of ik mee kon gaan naar de receptie. Toen ze een nieuwe sleutel kreeg, wou ze graag dat ik nog even meeliep om zeker te zijn dat ze toegang had tot haar kamer. Het slot klikte open, en ik wou terug naar mijn kamer gaan, toen ik haar schetsboek op tafel zag liggen. Na ons gesprek eerder die dag, waar ze zo vol passie had verteld over haar tekeningen, leek het me onbeleefd om geen interesse te tonen. Ze vroeg me binnen te komen, gaf me het boek, en liep daarna naar de badkamer. Terwijl ik door de schetsen bladerde, ging ik op haar bed zitten en herkende ik plots, tussen alle kleren op de grond, dezelfde opvallende kleuren van haar handtas. Net toen ik de handtas wilde opnemen, kwam ze uit de badkamer, nam ze me vast en kuste ze me.” Hij heeft het moeilijk om zo’n intiem moment te delen met vier onbekenden. Een intieme herinnering die hij nog talloze keren had afgespeeld. Haar lippen hadden zo zoet gesmaakt, alsof ze met nectar bedekt waren. Hij had niet aan de verleiding kunnen weerstaan om maar heel even te proeven. In die enkele seconden, had hij zich helemaal aan haar macht overgelaten. Nu voelt hij zich even machteloos als toen.
“De kus kwam als een volledige verrassing. In een impulsieve reactie, heb ik haar van me afgeduwd, en ben ik onmiddellijk haar kamer uitgelopen. Ik heb haar de volgende ochtend niet meer gezien. Ze zat de week erna ook niet in mijn les. Ik heb dan ook de kans niet meer gehad om haar hierover te spreken. Kort daarna kreeg ik de uitnodiging van de tuchtraad om me te komen verantwoorden. En nu zijn we hier.” Hij haalt diep adem. Het is eruit, hij heeft zijn kant van het verhaal verteld, hoe vreemd het ook lijkt. Meer kan hij niet doen. Is het voldoende? Dat weet hij niet. Hij weet alleen dat hij moe is, naar huis wil gaan, en deze vergaderzaal met zijn twaalf kille rectoren wil verlaten. Hij heeft tot nu toe geen oogcontact durven maken met de voorzitter uit schaamte omdat hij zich opstelt als een slachtoffer terwijl het belachelijk klinkt. Nu kijkt hij toch even de voorzitter aan. De man stapelt zijn papieren netjes op elkaar en vouwt dan zijn handen, alsof hij wil zeggen dat hij genoeg gehoord heeft. Ze kijken elkaar in de ogen aan. Hij begrijpt dat het niet nodig is om nog iets toe te voegen. Dan zegt hij: “Dat is alles wat ik jullie kon vertellen.”
Hij bedankt de raadsleden, staat op, loopt de vergaderzaal uit en sluit de deur in stilte achter zich.
Twee maanden later ontvangt hij thuis een aangetekend schrijven. De afzender: zijn universiteit. De brief weegt zwaar in zijn handen. Hij twijfelt even maar scheurt dan de enveloppe open. Zijn ogen schieten over de woorden en blijven dan steken op het woord ‘geschorst’. Hij had niet anders verwacht, en toch schrikt hij van het woord. Moedeloos gooit hij de brief in de papiermand, en rijdt impulsief naar de plantentuin. Hij dwaalt rond in de botanische tuin, schipperend tussen woestijngebied, de savanne en het tropisch regenwoud. Had hij nog maar de kans gehad haar één keer te zien, haar één keer te spreken in hun geheime taal. Haar uit te leggen dat hij zijn gevoelens voor haar nooit had willen laten tonen, dat het allemaal niet zo ver had mogen komen. Dat vier anonieme raadsleden het recht niet hadden om de unieke verbondenheid die zij hadden te beoordelen, te berechten. De stroom aan gedachten en de drukkende, vochtige hitte overvallen hem plots. Bedwelmd gaat hij zitten op een muurtje en kijkt opzij. Aan de voet van een grote tropische boom, herkent hij het plantje Nepenthes. Het bordje ernaast leest: de Nepenthes lokt prooien met felle kleuren, nectar en een speciale geur. Insecten vallen in een met vloeistof gevulde koker en kunnen er niet meer uitkruipen. Hij leest het nog eens en lacht dan hardop: hij, een nietig insect, in de val gelokt door de schoonheid van een jonge bloem. Vol weemoed mijmert hij naar haar. Kon hij maar in haar vallen en er nooit meer uitkruipen.
Pauline De Pelsmacker woont in Brussel en werkt als beleidsmedewerker in het hoger onderwijs. Twee keer per week leest ze voor aan jonge kinderen om hen warm te maken voor taal en literatuur.
.jpeg)

%20(1).jpeg)
Gefeliciteerd! Met veel plezier gelezen.
BeantwoordenVerwijderenIk vond het verhaal psychologisch sterk doordat de lezer voortdurend twijfelt of de professor de waarheid spreekt of zichzelf voor de gek houdt. De symboliek en de beklemmende sfeer werken goed. Het laat ook mooi de strijd zien die je als man van middelbare leeftijd, tussen droom en daad en praktische bezwaren, moet voeren.
Gefeliciteerd!
BeantwoordenVerwijderengraag gelezen echt heel mooi verwoord.
BeantwoordenVerwijderenBlijkbaar toch niet altijd dezelfde schrijvers die winnen. Leuk! ❤️
BeantwoordenVerwijderenBedankt voor jullie reacties. Fijn om te lezen, en bedankt aan Cindy voor de illustratie!
BeantwoordenVerwijderen