Tweede plaats juli 2026


Het heldere uur

- Piet Post - illustratie: Miranda Litjens -

Ik ga altijd later slapen dan mijn vrouw. Dan ben ik eindelijk alleen en kan ik nadenken. Ik zet de tv uit, breng de glazen naar de keuken en zet het kaasplankje in de koelkast. Als boven de geluiden van Magda zijn verstomd, stap ik door de keukendeur naar buiten, zo geruisloos als ik kan, en knoop tussen de phlox en de stokrozen mijn broek open en laat het avondwater de vrije loop, ontspanning op en top. Ik probeer een ster te zien of de maan dan toch, en stap tenslotte met een fris hoofd het huis weer in. Dan pas ga ik zitten, in de stoel waarin ik het liefste zit. En dan kan mijn hoofd de dag opruimen zoals even daarvoor mijn handen de keuken en de kamer.
Als ik een uur later de trap op strompel, een goed glas whisky laat op mijn leeftijd wel zijn sporen na, is het boven stil, op de ruisende ademhaling van mijn vrouw na. Een goede slaper is ze, op haar rug deint ze door dromenland, de geluiden die ze voortbrengt zijn als die van de zee, die aanrolt op het strand, aanrolt, aanrolt. Haar mond staat een beetje open, op de lippen soms wat zeeschuim dat met elke ademhaling een beetje naar binnen gaat en met de volgende weer naar buiten komt.
Maar ook dan ga ik nog niet slapen. Ik ben nog wakker als de hele dag nog niet geweest, de stilte en het donker van de nacht zijn mij altijd genadig. Zelden of nooit roept mijn lichaam me tot de orde: slapen nu! Ik krijg de tijd, ik neem de tijd, de slaap blijft op een afstand tot ik eindelijk op mijn buik ga liggen, na een half uur, een uur, twee uren soms. Ik noem dat het heldere uur, tijd waarin je eindelijk ziet hoe het zit. Ik lig op mijn rug naast de deinende Magda, naast haar warme slapende lijf, soms even pruttelend in haar eigen golfbeweging. Zelfs ‘s nachts is ze niet helemaal stil. Maar snurken doet ze gelukkig niet.

Dat we op aparte tijden naar bed gaan is niet altijd zo geweest. Het is begonnen sinds mijn pensioen geloof ik of misschien iets eerder. De gewoonte heeft zich geleidelijk ontwikkeld, er was geen concrete aanleiding. Op een zeker ogenblik was het daar, ontdekte ik dat het daar was, beter gezegd. Halverwege de avond zei Magda: “Ik geloof dat ik eens de beddemand op ga zoeken.” Ook zo iets, de beddemand, wie zegt dat nou. Zij dus. Of slaapjes doen, nog erger. Ik stoor mij aan die kleuterpraat, antwoord niet, laat mij een vage kus aanleunen, wend voor dat zij mij bij het lezen stoort ook als dat niet zo is. Gapend zegt zij dan dat zij mij de schillen en de dozen laat (walgelijk cliché) en al met haar hand aan de deur vraagt ze nog (alleen op dinsdag) of ik aan de vuilnisbak denk. Maar dan gaat ze ook werkelijk, ik hoor haar de trap opstommelen. Dat avondritueel begon mij op te vallen: het was een patroon en dat veranderde niet als ik zelf later naar boven ging.
Het duurde niet lang of ik begon me al na het journaal te verheugen op het moment dat zij afscheid nam van de dag. Zodra ze de trap op was, pakte ik de whisky en schonk eens in. Dan de klusjes van de avond, de afwasmachine uitpakken, de wijnglazen afwassen, want die mogen van Magda niet in de machine. Ik deed dat heel stilletjes om haar niet in haar eerste slaap te storen. Maar nodig is dat niet, ontdekte ik al snel. Ze is inmiddels zo doof dat ze nog niet wakker zou worden als ik het hele boerenbonte servies in een keer kapot liet vallen. Toch doe ik nog steeds heel stilletjes, gewoon voor mezelf, na al het gekakel van de dag. Als we met zijn tweeën zijn, is het al zo druk in mijn hoofd, maar als een van haar vriendinnen langs komt of meerdere tegelijk zelfs, dat wil ook nog wel eens gebeuren, dan ontspoort het in mijn hersenpan. Hoeveel vrouwenstemmen kan een mens aan? Of het hier alle dagen verjaardag is. De buurvrouwen zijn het ergste. Die komen altijd onverwacht en op de meest ongelegen momenten. “Ik blijf maar even hoor,” daar begint het altijd mee. “Even suiker lenen.” Twee sherry’s verder laat ik ze snaterend uit. Zonder suiker want ze hebben ineens bedacht waar ze zelf nog een pak hebben liggen. Ik trek me tijdens zulke bezoekjes meestal terug op de vide, maar voor die geluiden kan een mens zich niet afsluiten in dit o zo gehorige jaren zeventig huis. Het gekwetter komt de trap op gestuiterd precies naar het plekje waar ik mij van het kabaal probeer te distantiëren. Of je in een vogelkolonie woont goddomme.

Dikwijls vult het heldere uur zich met gedachten aan vroeger, mijmeringen aan hoe het ooit was. Niet over Magda maar over de anderen waar ik mijn tijd mee vulde, gestolen momenten, terwijl Magda dacht dat ik op mijn werk, op een congres, op studiereis was. Ik heb een heerlijk leven gehad. Maar pensioen betekent ook dat je altijd in beeld bent, onder voortdurende controle staat zeg maar, daar heb ik nog het meest aan moeten wennen. Nooit kan je meer zeggen dat het wel eens laat zou kunnen worden vanavond, ga maar vast slapen, ik zie je in de ochtend. In plaats daarvan moest ik met Magda de agenda doornemen, we kunnen morgen wel eens weer naar het museum in Dordrecht, daar is een nieuwe tentoonstelling over weer een andere dooie kunstenaar. En daar zit je dan met je vegetarische twaalfuurtje in een kille museumkantine, ja het is geweldig hè, zoals hij het zonlicht treft. Ik haat museum. Ik haat zonlicht van verf. Ik haat Magda, denk ik soms, denk ik steeds vaker, denk ik tegenwoordig dagelijks wel een keer. Zij heeft mijn vrijheid opgegeten. Ze legt haar handen op haar goed gevulde buik, onder haar dito boezem en kijkt mij vorsend aan, terwijl haar tanden een zongedroogd tomaatje vermalen. Een stadswandeling dan maar? Hebben we de vorige keer toch ook gedaan? Ja maar er is hier zoveel te zien, pak jij het boekje maar, kun je de weg wijzen. Magda geniet van mijn pensioen.

Meestal zit er een boosaardige knik in het heldere uur. Het begint met warme gedachten, zonlicht op het gras, fonkelend in de wijn. Maar dan, de middernacht voorbij, slaat de schaduw toe, begint in de verte een wolf te huilen naar de maan. Een kille wind steekt op, een herinnering van lager allooi dient zich aan, een pijnlijke situatie, iets waar ik na al die jaren nog altijd kwaad om worden kan. Wat ik grappig aan haar vond in een ver verleden werd stompzinnig mettertijd. Haar zogenaamd niet begrijpen als ik iets van haar gedaan wilde krijgen was ooit een prachtig spel tot ik ging beseffen dat zij echt niet begreep. Of niet wilde begrijpen omdat van haar dan iets verwacht zou worden. En als mevrouw ergens een broertje dood aan heeft, is het wel dat er iets van haar verwacht wordt. In het begin vond ik dat ontwapenend, zoals zij mij op een voetstuk plaatste, ik kon alles, was haar grote held en zij liet zich graag helpen, ondersteunen, begeleiden. Ik speelde met genoegen haar ridder. Tot voor het eerst, en daar waren anderen bij, een bitse windvlaag voorbij kwam. “Hij laat mij dat nooit doen, neemt mij alles uit handen, zo blijf ik het domme vrouwtje. Vind je het gek dat ik niet kan wat ik nooit mag proberen?”
Toen ik er later thuis op terugkwam, maakte ik kennis met het Zwijgen van de Miskende. Wat ik vroeg, zei of deed, het maakte niet uit. “Ik ben dom geboren en ik heb niets bijgeleerd”, werd haar basiszin, het motto van de aangeleerde hulpeloosheid. En daar klinken zowel boosheid en miskenning als alibi om zelf niet te hoeven in mee. Zo groeiden we uiteen, de regelaar en de geregelde, de ridder en de voetknecht. Er fonkelde niets meer in de wijn, de zon sloeg onze kamer steeds vaker over.

Maar de laatste tijd is er een tweede knik in het heldere uur. Al een paar weken slaag ik erin om die kilte weer te verlaten en gedachten te vormen over hoe het zou kunnen zijn, toekomstfantasieën dus. In gedachten kun je alles beleven wat nog nooit gebeurd is. Ze zijn gratis, nog goedkoper dan voor niks. In de heldere uren glijd ik door de tijd en verzin wat ik zou doen als ik…
Pas twee weken geleden is daar de ultieme wat-als bij gekomen. Nooit eerder heb ik die toegelaten in mijn hoofd en eerlijk zonder whisky zou ik het nog steeds niet durven, ik ben een bangerik, een lafbek, ik droom liever langs gebaande paden. De eerste keer schrok ik van mezelf.
Ineens had ik een kussen in mijn handen, een stevig kussen dat het ruisen van de zee onverhoeds en definitief dempte. En in de stilte die daarna mijn hoofd in daalde, viel ik in een putdiepe slaap. “Heb ik vlekken op mijn kleren,” zei Magda de volgende morgen “Wat kijk je naar mij.” “Nee nee nee,” stamelde ik, mij ineens van mijn staren bewust. Het zien van haar verschijning had mij danig verrast, haar te zien in het vale ochtendlicht die ik ’s nachts onder het kussen had omgebracht. Ik schrok van haar woorden, maar meer nog van mijn gedachten. Die dag was ik er bij de Tai Chi (ook al zoiets) niet helemaal bij. De leermeester betrapte mij op nooit eerder waargenomen gebaren, zei hij. Ik voelde Magda’s kritische blik op mij rusten. Maar het stoorde me niet, er was een lichtheid in mij die ik in geen jaren had ervaren, ik had door de spiegel heen gekeken. Neuriënd fietste ik naar huis.

Die avond verlangde ik intens naar mijn bed, niet om te slapen maar om het heldere uur. En dat koos hetzelfde pad: een herinnering aan hoe het ooit was, woede om wat eens verkeerd ging en dan de helderheid van hoe het alsnog zou kunnen worden. Er kwam een nieuwe fase in, die nacht nog niet misschien, maar een of twee nachten later wel zeker. Het mijmeren in het wilde weg maakte plaats voor uitdenken. Wat heb je nodig, wat moet er gebeuren, wat doe je als het gebeurd is, wat zeg je tegen de autoriteiten. Ik voerde met tranen in de ogen dialogen met kritische agenten (Had uw vrouw last van haar hart? Slikte ze medicijnen?), maakte kennis met de schouwarts die na enige tijd een formulier begon in te vullen.
Daags daarna zocht ik dingen op die ik niet wist, dingen waar je rekening mee moet houden, opbrengsten van mijn nachtelijke mijmeringen. In de heldere uren kwamen nacht aan nacht nieuwe varianten voorbij, het kussen heeft nu eenmaal nadelen. Met blote handen is helemaal niks, dat wordt allerwegen afgeraden. Maar gif dan, langzaam werkend, zodat je er lang plezier van hebt? Dat leverde me heerlijke nachten op maar ik wees het toch af om dat een plotselinge culinaire opleving na al die jaren waarin ik nooit verder ben gekomen dan het bakken van een ei toch te veel in de gaten zou lopen. In scene gezette ongelukken heb ik ook overwogen en doordacht, een plotselinge val in een ravijn na uitglijden, haar laten oppikken door een passerende trein of ander vervoermiddel, dat soort van evenementen. Brand heb ik er buiten gelaten omdat Magda heel bang is voor vuur sinds ze in haar jeugd een ongeluk met een pan olie heeft meegemaakt. De littekens zijn nog steeds zichtbaar op haar schouders.

Zo verzon ik elke nacht een nieuwe vorm van verlossing of werkte ik verder uit wat de nacht daarvoor bij mij was opgekomen maar nog niet helemaal uitgedacht. Vanaf het begin ontdekte ik echter dat de ochtenden mee begonnen te doen. Je kijkt echt anders tegen iemand aan die de afgelopen nacht is opgepikt door een hogesnelheidstrein of van een torenflat gekukeld is, merkte ik. En ik begon mij ook af te vragen in hoeverre het nog ethisch was wat ik deed. Het was allemaal gesublimeerde haat en met je gedachten alleen kan je niemand pijn doen, ik weet het, maar het voelt toch best wel gek als je bij het ontbijt iemand helpt om een pleister op een vinger te plakken die bij het snijden van een tomaat geblesseerd is geraakt terwijl je dezelfde persoon luttele uren daarvoor met een kettingzaag in mootjes hebt verdeeld of in een kuikenversnipperaar een gedetailleerd einde hebt laten vinden. Ik probeer dag en nacht te scheiden maar het valt me niet altijd mee. Waren mijn heldere uren inmiddels smoezelige uren geworden? ’s Nachts in bed ging het wel. Het is gek hoe je samen in een sportvliegtuigje kan zitten waar een van de parachutes (en jij weet welke) het niet doet terwijl je toch naast elkaar in een tweepersoons bed ligt. Dat gaat eigenlijk elke nacht weer prima, zij deinend in de zee, ik op het strand ernaast, op die ene keer na dat Magda plotseling wakker schrok uit een angstdroom en ineens rechtop ging zitten, met grote ogen de duisternis in starend. “Wat is er?,” vroeg ik. “Ik gleed uit,” mummelde ze, “op straat, over stront, heel zeer.” “Ga maar lekker weer slapen,” suste ik. “Hier zijn geen honden. Hier dreigt geen enkel gevaar.” En toen de Zee van Magda even later weer ruiste, dacht ik na over wat je daar mee zou kunnen doen, met uitglijden, met honden ook. Ik vroeg me af hoe je het moest aanpakken om zeker te zijn, want aan een gebroken heup heb je niks. Ik zeg het eerlijk: soms lig ik me te verkneukelen over hoe ze in die laatste momenten zou reageren.

Hoe dan ook, na al die varianten ben ik toch weer uitgekomen bij het kussen. Dat is zeker en geeft eigenlijk geen troep. Bovendien kun je het, als je het een beetje handig aanpakt, zonder blessures af handelen. “Ik word wakker en ze is ineens helemaal koud, zo geschrokken.” Kans dat een dokter niet eens meer onderzoek doet, is reëel aanwezig. Ook het verlies van lichaamssubstanties, wat echt bij gedwongen heengaan lijkt te horen, is niet problematisch. En dat je een nieuw bed aanschaft nadat je partner in het oude is overleden, zal niemand vreemd vinden.
Het kussen dus. Maar vandaag nog niet. Morgen is er weer een nacht.

***

Piet Post woont in Epe en laat zich bij het schrijven vooral inspireren door de natuur en door observaties van mensen. Hij had 10 jaar lang een column in het onderwijstijdschrift Van 12 tot 18. Ook publiceerde hij de romans Nabestaan (LM Publishers, 2018) en Koolzaad (Hoofd/Octopus, 2025)

Miranda Litjens
tekent en schildert al heel wat jaartjes en dit heeft zo zijn invloed op haar manier van kijken en doen. Ze wordt er vooral heel blij van!

Reacties