Winnaar juli 2026


OATLY

- Peter van Essen - illustratie: Tjade Witmaar -

Lucas was zesentwintig en had die ochtend nog niet aan de dood gedacht, wat op zichzelf niet bijzonder was, want bijna niemand van zesentwintig denkt aan de dood, tenzij in de vorm van liedje, klimaatrapporten of de kater na een avond waarop je bier, mezcal en de behoefte om gezien te worden door elkaar hebt gehaald.
Hij dacht aan Claudia.
Claudia had hem die ochtend gevraagd of hij vanmiddag langs de supermarkt wilde gaan. Vanuit de badkamer, met een tandenborstel in haar mond, met een onweerstaanbaar bloot been langs de deurstijl geslagen.
“En geen havermelk van dat rare merk,” had ze gezegd.
“Welk rare merk?”
“Dat weet je best.”
Dat wist hij niet, maar hij had geknikt, omdat samenwonen grotendeels bestaat uit knikken op momenten waarop je beter zou kunnen vragen wat iemand precies bedoelt.
Hij hield van haar. Of, nauwkeuriger, hij hield van de versie van zichzelf die naast haar bestond. Dat is minder romantisch, maar misschien eerlijker. Bij Claudia werd hij rustiger. Zij was een beter mens dan hij, dacht hij weleens. Ze zag zijn ijdelheid, zijn ruwheid, zijn achteloosheid, zijn goede bedoelingen die soms verdacht veel leken op gemakzucht, allemaal door de vingers.
Amsterdam lag die middag open als een overvolle la. Alles stak eruit: toeristen, scooters, kinderwagens, koeriers, mannen in linnen overhemden die deden alsof zij geen haast hadden, vrouwen met laptops in canvas tassen, expats die nog steeds dachten dat een fiets vooral een charmant accessoire was en geen voertuig waarmee Nederlanders elkaar op dagelijkse basis net niet vermoorden.
Lucas zette zijn oortjes in.
Muziek veranderde de stad onmiddellijk. Zonder muziek was Amsterdam een verzameling verkeerslichten, bakstenen, urinegeur in de nacht en veel te duur voor mensen zoals hij. Met muziek werd alles montage. Alles bewoog in slowmotion, het verkeer, een meisje dat een gesprek voerde met zichzelf. Een oude man die langzaam overstak en besloten had dat de wereld wel even kon wachten.
Lucas fietste snel.
Te snel, zouden sommigen zeggen.
Maar snelheid is ook een vorm van geloof. Je gelooft dat de straat zich aan je zal aanpassen. Dat andere mensen zullen remmen. Dat je lichaam, jong en betrouwbaar, op het laatste moment nog precies zal doen wat nodig is.
Hij kende deze route. Dat is gevaarlijk had zijn moeder vaak gezegd. Bekende routes maken mensen dommer. Ze geven je het gevoel dat de toekomst zich zal gedragen als gisteren. Hij passeerde links een bakfiets, rechts een stilstaande taxi, reed een stukje over de stoep omdat het fietspad geblokkeerd werd door twee toeristen die samen iets op hun telefoon bekeken met besluitvaardigheid van een gemeenteraad.
“Hallo!”
“Kijk uit, lul!”
Een vrouw trok haar kind naar zich toe.
Lucas hoorde niets. Of bijna niets. Hij ving misschien een toon op, een fragment van verontwaardiging, maar in zijn wereld klonk muziek van iemand die gelukkig was. Hij bezat een lichaam dat hem nog niet had verraden. Hij wist dat hij weer met de verkeerde havermelk thuis zou komen. Claudia zou daarover mopperen en later in bed zouden ze weer goedmaken wat nooit echt kapot was geweest.

Thuis keek Claudia op haar telefoon. Ze glimlachte en stuurde een bericht.
Only..OATLY
Een paar tellen later, alsof ze hem niet helemaal vertrouwde:
Dus géén Alpro

Bij het kruispunt stond het licht op rood.
Hij zag het.
Hij zag het rode licht niet als een gebod maar als een suggestie.
Een auto stond stil. Een scooter ook. Een moeder op een elektrische bakfiets keek naar hem met die specifieke Amsterdamse mengeling van morele superioriteit en praktische bewondering: wat een idioot, maar hij durft wel.
Lucas trapte door.
En toen was daar de bus.
Niet als straf. Niet als noodlot. Gewoon als bus. Een stadsbus, veertig kilometer per uur, vol mensen die eveneens ergens heen moesten: een Surinaamse vrouw met een tas vol boodschappen, een student die een filmpje keek zonder koptelefoon, een man in pak die zijn eigen spiegelbeeld in het raam bekeek en daar niet blij van werd.
De buschauffeur zag Lucas.
Lucas zag de bus.
Tussen die twee waarnemingen zat de hele menselijke tragedie: zien is niet hetzelfde als nog iets kunnen veranderen.
Hij remde.
Zijn fiets gehoorzaamde. De wereld niet.
De klap was korter dan angst.
Er was geen tijd voor Claudia, geen jeugd die voorbijflitste, geen verheven laatste gedachte. Alleen een lichaam dat begreep wat de geest nog niet kon formuleren.
Dit is het.
Daarna werd alles merkwaardig precies.
Zijn telefoon die over het asfalt gleed.
Zijn rechterhand die openviel.
Een wit oortje dat uit zijn oor schoot en onder een geparkeerde auto terechtkwam, waar het nog doorspeelde alsof muziek iets was wat niet van sterfelijkheid wist.
Zijn hoofd raakte de grond.
Bloed verzamelde zich naast hem in een kleine, donkere plas. Bloed is nederig. Het maakt geen onderscheid tussen een kunstenaar, een accountant, een geliefde, een fietser die door rood rijdt. Het stroomt naar beneden. Dat is alles.
Mensen kwamen dichterbij en bleven tegelijk op afstand, zoals mensen doen bij rampen: bewogen door medelijden, tegengehouden door angst dat hun eigen leven besmet raakt door het zicht op andermans einde.
“Ik heb 112 al.”
“Niet bewegen!”
“Hij beweegt niet.”
“Jezus.”
Een vrouw huilde. Niet hard. Meer uit verbazing dan verdriet. Zij kende hem niet, maar dat maakte weinig uit. Soms huilt een mens niet om wie daar ligt, maar om het feit dat een mens blijkbaar sterfelijk is.
En Lucas?
Lucas was niet weg.
Maar hij was ook niet meer Lucas op de manier waarop hij dat altijd was geweest.
Hij voelde niet dat zijn ziel uit zijn lichaam steeg, want dat zou een cliché zijn. Nee, wat hij voelde was dat het lichaam zelf ophield met doen alsof het één ding was. De grens tussen huid en wereld, die zijn hele leven zo overtuigend had geleken, bleek een beleefde afspraak. Een sociale conventie van de materie.
Hij viel uiteen.
Niet als in een explosie.
Niet als glas dat breekt.
Eerder als een gedachte die haar grammatica verliest.
Miljoenen deeltjes, cellen, vezels, moleculen en in elk daarvan zat geen ik, maar herinnering. Niet persoonlijke herinnering, niet de eerste kus, niet Claudia in zijn overhemd, niet zijn moeder die vroeger met hem pannenkoeken bakte. Geen juichende vader langs de zijlijn. Iets ouders. Iets zonder naam.
Het water in zijn bloed herinnerde zich regen.
Het calcium in zijn botten herinnerde zich schelpen, zeeën, dieren die allang geen dier meer waren maar krijt, steen, stof.
De koolstof in zijn spieren herinnerde zich bladeren, vuur, longen, aarde.
Het ijzer in zijn bloed herinnerde zich sterren.
Daar, in die vreemde ontbinding, begreep Lucas voor het eerst dat een mens nooit een bezit is geweest van zichzelf. Hij had altijd gezegd: mijn lichaam, mijn leven, mijn gedachten, mijn vriendin, mijn fiets, mijn route. Maar niets daarvan was werkelijk van hem geweest. Alles was geleend. Zelfs zijn adem was een doorgeefluik.
Je ademt de wereld in en noemt dat leven.
Je ademt uit en de wereld neemt je terug.
Het was bijna komisch, hoe groot zijn vergissing was geweest. Al die jaren had hij gedacht dat hij bestond als een vaste kern, een Lucas in Lucas, iemand die keuzes maakte, hield van Claudia, vergat de vuilnis buiten te zetten, te hard fietste, zijn moeder te weinig belde en soms dacht dat hij diepzinnig was omdat hij op zondag een boek las in een café waar anderen op hun telefoon keken.
Maar hij was geen kern.
Hij was een verband.
Een tijdelijk overleg tussen elementen.
Een coalitie.
En zoals alle coalities viel ook deze op een dag uiteen.
Alleen was uiteenvallen niet hetzelfde als verdwijnen.
Dat was het nieuwe inzicht, eenvoudig en ontstellend tegelijk: de dood vernietigt geen leven, zij beëindigt alleen een vorm. Wat Lucas was geweest, zou niet meer als Lucas terugkeren. Geen troostende leugen, geen geheime achterdeur naar hetzelfde appartement, dezelfde lakens, dezelfde appjes van Claudia. Maar de materie die hem had gedragen zou verdergaan. Zij zou zakken in aarde, oplossen in water, opgenomen worden door wortels, bacteriën, schimmels, gras, misschien door een boom in een stadspark waar later iemand tegenaan zou leunen tijdens een telefoongesprek over liefde.
Misschien zou een deel van hem ooit in een appel zitten. Misschien in een merel.
Misschien in het haar van een kind dat nog geboren moest worden.
Misschien in een wolk boven zee.
Dat was geen wedergeboorte in de zin waarin mensen graag willen blijven bestaan, met naam en karakter en voorkeur voor bepaalde muziek. Het was ruimer en minder sentimenteel. Het leven maakte geen kopieën. Het maakte verbindingen.
Alles wat leeft, sterft.
Maar niets wat sterft, verlaat werkelijk de wereld.
Zelfs verdriet, begreep hij nu, is een vorm van circulatie. Claudia zou huilen. Haar lichaam zou zout water maken uit verlies. Dat water zou opdrogen op haar wangen, verdwijnen in lakens, lucht, tijd. Later zou ze misschien opnieuw lachen en zich daar schuldig over voelen. Nog later zou ze iemand ontmoeten die niet op Lucas leek. Ze zou weer verliefd worden en havermelk kopen. Ook dat was leven: niet trouw blijven aan de vorm, maar aan de beweging.
Beneden boog de buschauffeur zich voorover, zijn handen op zijn knieën. Hij was een man van middelbare leeftijd met een buikje, vermoeide ogen en een dochter die net had besloten sociologie te studeren.
“Hij kwam uit het niets,” zei de chauffeur.
Dat was niet waar.
Lucas was ergens vandaan gekomen.
Uit een moeder, uit een stad, uit brood, melk, zonlicht, taal, liefde, arrogantie, toeval.
Maar de chauffeur bedoelde iets anders en daarin had hij gelijk. Voor hem was Lucas uit het niets gekomen. Zo verschijnen mensen voortdurend aan elkaar: plotseling, onvolledig, te laat begrepen.
De ambulance kwam.
Het verkeer werd omgeleid
Iemand dekte Lucas toe.
Een agent sprak zacht tegen een getuige.
Boven het kruispunt ging het licht van rood naar groen en weer naar rood, gehoorzaam en onbewogen. Een duif landde naast het bloed, twijfelde, pikte naar iets onzichtbaars en vloog weer op.
En ergens, niet boven de stad maar erin, niet buiten het leven maar dieper erin dan hij ooit was geweest, voelde Lucas hoe hij werd losgemaakt van zijn naam.
Hij dacht niet meer: ik ben dood.
Hij dacht, als je nog van denken mag spreken.
Ik ben niet kwijt.
Ik ben verspreid.
Aan de rand van het trottoir stond een jonge vrouw met haar telefoon in de hand. Ze had alles gezien en zou er jaren later nog soms aan denken, vooral bij rode stoplichten. Niet dagelijks. Mensen kunnen niet dagelijks aan de dood denken; daar zijn ze niet op gebouwd. Maar soms, onverwacht, als ze een bus hoorde remmen, zou zij weer dat ene oortje onder de auto zien liggen, dat kleine witte ding dat nog muziek doorgaf aan niemand.

***

Peter van Essen
, 36 jaar. Gemeenteraadslid  in een middelgrote stad. Naast het schrijven van beleidstukken  vind ik het heerlijk om verhalen te schrijven, ik beperk me daarbij niet tot één specifiek thema.

Tjade Witmaar
is beeldend kunstenaar, illustrator en grafisch ontwerper en werkte als zodanig in Nederland en Spanje.

Reacties