Winnaar Manuscripten juli 2026


Hoedster van wraak

- Claudia Leutscher - illustratie: Jo Neels -

1.

De smaak van modder vult mijn mond. De lauwe druppels uit de plas lessen mijn dorst amper. Toch druk ik mijn mond opnieuw tegen de vochtige aarde. Na zo lang in de kerker opgesloten te zitten kokhals ik niet eens meer van de aardse smaak.

Mijn maag rommelt woest en de kettingen aan mijn polsen rinkelen wanneer ik rechtop ga zitten. Ik laat mijn hoofd tegen de bakstenen muur rusten.
Vier dagen lang tuurde ik naar de soldaten die met dienbladen passeerden. Geen kruimel beschimmeld brood of beker regenwater werd mijn cel binnen geschoven. Waarschijnlijk hebben ze bevel gekregen om heksen uit te hongeren. Niets breekt een mens sneller dan honger, dorst en de angst voor de dood.
Maar ze beseffen niet dat ik mijn hele leven al met één voet in het hiernamaals sta.
Laat ze me uithongeren zoveel ze willen. Dat kan ik wel aan.
Er zijn ergere dingen.
De zwaarste marteling hierbinnen zijn… zij.
Ze staan in de hoeken, lurken in de schaduwen en glijden door mijn cel als rook die nooit oplost. Hun stemmen fluisteren in mijn oor en hun lege ogen staren me verwijtend aan. Omdat ik het overleefd heb. Omdat ik ontsnapte en zij niet.
‘Je had me kunnen redden,’ fluistert de oude tuinman. Ooit kweekte hij rozen die hij met een glimlach in mijn haar schoof. Nu schilfert zijn huid van zijn schedel terwijl hij naar me toe buigt, zijn holle ogen gevuld met haat. ‘Waarom ging je naar buiten?’
‘Etheria was jouw thuis,’ sist een jonge vrouw met een half verbrand gezicht. Haar zwartgeblakerde vinger gaat dwars door mijn hart. ‘Jij liet het vergaan.’
Dieper in mijn cel ligt een jonge man op de vloer. Zijn rug en gezicht zijn bloederig. Bot steekt uit zijn rechterbeen. Zijn hand reikt naar mij en een fluisterende stem vult mijn hoofd: ‘Red me.’
Soms herken ik de geesten. Sommigen zijn eeuwen geleden gestorven, anderen tijdens mijn leven en weer anderen tussen dezelfde muren die mij gevangen houden. Ze volgen me als motten een vlam, omdat ik de enige ben die hen ziet, die ze kan horen.
Omdat ik leef.
Had ik mijn armband maar. Zonder de jade is er geen bescherming, geen filter. Alleen het eindeloze gefluister van hen die nooit rust vonden — en mij als schuldige aanwijzen.
Tot vandaag was het gejammer van de doden mijn enige gezelschap.
Het was nog donker achter de tralies toen het getimmer me wekte. Het ritmische gebonk rolde van boven langs de muur omlaag naar mijn strobed. Elke klap was als een nagel die in mijn doodskist werd geslagen.
Koel daglicht bracht het geluid van tientallen voetstappen met zich mee, samen met onbekende stemmen. Hun woede golft over mijn huid als een ontembare energie die niet kan wachten om me te verzwelgen.
De geur van as vult mijn neus terwijl de vrouw in mijn oor fluistert: ‘Ze komen voor jou.’
Voor me blijft haar flikkering stil hangen. Haar intacte oog heeft de kleur van troebel water wanneer ze me een hand met zwartgeblakerde vingertoppen aanbiedt.
‘We kunnen helpen. Geef je—’
‘Nee,’ snauw ik. Mijn lichaam reageert voordat ik kan nadenken en kou bijt in mijn vingers wanneer ze door de geest heen schieten in een poging haar weg te duwen.
Haar tanden knarsen dreigend voordat ze zich in de schaduwen terugtrekt. Mijn huid tintelt nog na terwijl de cel weer opwarmt. Ik weet wat ze wil, waar ze me al sinds haar eerste verschijning toe probeert te verleiden. Maar wie weet wat voor schade ze aanricht als ik haar binnenlaat.
Verderop in de kerkers slaat een deur dicht, gevolgd door zware voetstappen die een trap afdalen. Fakkellicht trilt over de stenen muren.
De geesten deinzen terug, de duistere hoeken van mijn cel in. De gekwelde man piept angstig wanneer er twee soldaten achter de tralies verschijnen, waarna hij zich slepend over de vloer bij de andere geesten voegt.
De celdeur zwaait open en de mannen stappen naar binnen. De oudste van de twee heeft een ketting in zijn hand. De ander draagt een wrede glimlach alsof hij in gedachten geniet van wat er komt.
‘Tijd om te branden, heks,’ zegt hij smalend.
Een wrange glimlach dwingt mijn mondhoeken omhoog. Was ik maar een heks. Dan zou hij niet staan te grijnzen.
Ik klem mijn kaken op elkaar wanneer ze me overeind trekken. Mijn knieën klappen direct onder me vandaan. Voor ik in elkaar kan zakken grijpt de jonge soldaat mijn schouder beet. Zijn vingers drukken pijnlijk in mijn huid terwijl hij me overeind houdt.
Fronsend klikt de oudere man boeien om mijn polsen waarna hij de ketting eraan haakt.
Ze leiden me door de kerker. De stenen zijn koud en glibberig van het mos en vocht. Mijn tenen glijden weg en snijden open, maar ik kreun niet. Elke keer dat ik struikel dwingt een ruk aan de ketting me terug omhoog. Dat ik verzwakt ben door dagenlange uithongering interesseert hen niets. Voor de soldaten ben ik enkel een last om te verplaatsen.
We klimmen een trap op.
De tuinman zweeft achter ons aan. Zijn half verbrande gezicht bevindt zich net boven mijn schouder. Zijn kaken kraken wanneer hij spreekt.
‘Je zult je snel bij ons in de as voegen.’
Ik focus mijn aandacht op de versleten treden. Mijn knieën bonken tegen het steen terwijl ik omhoog word getrokken. Elke trede snijdt als een mes in mijn zolen.
Schaduwen vormen zich aan de randen van mijn zicht. Ik haal diep adem en dwing mijn ogen open te blijven. Als ik gedoemd ben te branden zal ik dat met open ogen doen.
Boven me opent een metalen deur. Dezelfde deur waardoor ik vier dagen geleden naar binnen werd gesleurd.
Zonlicht verblindt me en rumoerige stemmen overspoelen me als een vuistslag. De zoete geur van vochtige stenen die in het zonlicht opwarmen komt me tegemoet. Ik grijp me eraan vast.
Herinneringen aan een warm balkon en liefdevolle armen dringen de onrust naar de achtergrond. In het geestesbeeld zijn mijn vingers bedekt met groene en blauwe verf terwijl zachte handen ze naar een canvas optillen.
De soldaten sleuren me de houten constructie op. Het is alsof een beroemde actrice het podium opstapt. Het gejuich en geschreeuw zwelt aan. Sommige mensen klappen zelfs. Voor hen is mijn aankomende dood net zo vermakelijk als het theater.
Splinters boren in mijn voeten terwijl ze me tegen de paal zetten. Het metaal van de boeien is warm van de zon en bijt in mijn huid wanneer ze rond mijn polsen sluiten alsof de hitte het vuur voor wil zijn.
Een man klimt het verhoogde podium naast de brandstapel op. Zijn blonde haar is netjes gekamd en hij draagt een sober grijs pak. Zonder me een blik waardig te gunnen rolt hij een perkament uit.
Hij leest op kalme, onverschillige toon:
‘Talia Imscher. U bent gezien bij het opwekken van de doden. In de wet staat, “Geen heks is toegestaan dezelfde lucht te ademen als een aan de goden gewijd persoon. Zij die hekserij beoefent wordt aan het vuur geschonken, opdat het kwaad uit de ziel gebrand moge worden.” Vandaag wordt dit vonnis voltrokken en uw ziel gezuiverd.’
Als het zin had om te schreeuwen, deed ik dat, maar de mensen van Solara geloven werkelijk dat de goden hun neus ophalen voor mijn krachten. Ze hebben er geen idee van dat mijn gaven bestaan dankzij de goden. Een van hun afstammelingen doden zal zeker geen gunstige reacties oproepen.
Een man roept dat ze me moeten ontbloten.
Een vrouw schreeuwt dat ze mijn bruine haar moeten afscheren.
Niemand hier kent me, maar stuk voor stuk willen ze me zien branden, met als enige reden dat ik over gaven beschik die zij nooit zullen begrijpen. Sommigen van hen hebben zonden begaan die nooit in mij zullen opkomen.
Zij zouden hier moeten staan.
Een keer adem ik diep in en uit. De stemmen blijven zich aan me opdringen. En niet alleen van de menigte. De geesten cirkelen als aasgieren rond de brandstapel.
‘Laat me binnen,’ fluistert de vrouw.
‘Je zult boeten voor het vergaan van Etheria,’ sist de tuinman.
Een man in een zwart gewaad stapt het podium op. Een kap van dezelfde kleur bedekt zijn gezicht en in zijn gehandschoende hand houdt hij een brandende fakkel. De vlammen likken hongerig aan het hout, klaar om mij te verslinden.
Het publiek zwijgt en de lucht zindert van verwachting.
‘Laat het snel gaan,’ fluister ik tegen niemand behalve mezelf.
‘Je verdient het om te lijden,’ fluistert de tuinman.
Hitte golft van de fakkel terwijl de beul hem traag naar de brandstapel laat zakken. Hij rekt het moment uit. Voor het publiek. Om mijn lijdensweg te vergroten. De hitte likt aan mijn enkels en mijn hart bonkt in mijn keel.
‘Halt!’ De stem snijdt door de stilte. Kalm, beheerst, hard als staal op steen.

2.

Het publiek protesteert hevig tegen de onderbreking. Er wordt gefloten en geroepen dat de beul door moet gaan. Maar die heeft zich omgedraaid en staart als bevroren naar iets of iemand achter in de menigte.
Paardenhoeven tikken op keien. Toeschouwers duiken opzij, terwijl een groep ruiters zich door de mensenmassa dringt. Een man, gekleed in donker leer, leidt de groep. Er is geen vaandel, geen aankondiging die onthult wie hij is. Zijn rug is recht en zijn uitdrukking kalm, zelfs verveeld, alsof hij overal liever is dan hier. Hij neemt alles in zich op: de mensen, het podium, mij. Vastgeketend, vuil, een adem verwijderd van de vergetelheid.
Op mij blijft zijn blik hangen. Hij is zo dichtbij dat ik recht in een paar ijsblauwe ogen kijk. Ze lijken diep, onnatuurlijk, alsof ze het diepste van mijn ziel zien. Een rilling glijdt over mijn rug, maar zijn blik houdt de mijne gevangen.
De verbrande vrouw vloekt, waarna ze verdwijnt. De tuinman buigt diep voor ook hij in mistflarden uit elkaar valt.
De donkerharige man richt zijn aandacht op de magistraat. ‘In naam van Zijne Majesteit Roderick is deze executie opgeschort. Bevrijd de heks.’ Hij spreekt kalm, maar zijn woorden snijden als een mes door de stilte.
Iemand schreeuwt dat de beul de stapel moet aansteken. Weer een ander beweert dat ik de man betoverd heb. De beul gebaart naar de oudere soldaat. Fronsend beent hij het podium op en ontsluit mijn boeien.
Mijn knieën begeven het onder mijn eigen gewicht en ik klap tegen stevig hout. Verdwaasd blijf ik op het podium zitten. Een gevoel van gemis overvalt me. De boeien boden zekerheid, een belofte voor een einde aan mijn lijden. Een ontsnapping aan de fluisteringen van de doden.
Is deze man de redder die hij lijkt te zijn, of is hij gestuurd om me te kwellen? Hij beweert in naam van koning Roderick te handelen, maar naar mijn weten is die te ziek om te spreken. Eén stap van de onderwereld verwijderd, gaat het gerucht. En waarom zou hij míj sparen? Het is zijn wet die mensen als ik laat branden.
De brandstapel bood me een uitweg. Enkel door de blik van de man kan ik voorspellen dat hij mijn vervloekte leven zwaarder gaat maken.
Stijgbeugels rammelen terwijl mijn “redder” afstijgt. Soepel klimt hij het podium op en slentert op me af. Hij biedt me een gehandschoende hand aan. Het leer is net zo ruw als zijn toon. ‘Sta op.’
Achter hem biedt de oude soldaat hem de ketenen aan. Hij wuift ze weg, wat hem een afkeurende blik oplevert.
‘Heer Drystan, ze is gevaarlijk,’ waarschuwt de soldaat. Zijn enige antwoord is een vernietigende blik die zowel ‘hou je mond’ als ‘rot op’ lijkt te zeggen.
Geërgerd kijkt Drystan me aan. ‘Schiet op. Ik heb niet de hele dag.’
Ik staar naar de hand alsof die me elk moment kan bijten, voor ik hem onwillig beetpak. Met een ruk van zijn arm sleurt Drystan me omhoog, waarna hij een arm om me heen slaat. De arm voorkomt dat ik meteen weer in elkaar zak, maar het schaamrood brandt op mijn wangen. Hij leidt me naar de rand van het podium. Zijn handen verplaatsen zich naar mijn heupen.
Een schok gaat door me heen en de schaamte maakt plaats voor verhitte woede. Ik mep naar zijn handen wanneer hij me naar zich omdraait. Hij laat niet los. In plaats daarvan vouwt hij zijn vingers rond mijn kin en dwingt me in die kille blauwe ogen te kijken.
‘Probeer dat nog eens en ik keten je aan mijn paard.’
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes, maar laat mijn armen langs mijn zij hangen. Voor ik kan protesteren tilt hij me op zijn paard, waarna hij achter mij in het zadel schuift.
Met één hand houdt hij mij op mijn plek en met de andere pakt hij de teugels beet. Hij kijkt achterom naar zijn mannen. ‘We gaan.’ Met een klik van zijn tong komt het paard in beweging. Mijn rug komt telkens in contact met zijn borstkas, terwijl we tussen de menigte door rijden.
Overal om ons heen klinkt verontwaardigd gefluister. Een jonge man spuugt naar me… of dat probeert hij; de speekselkwak slaat kapot tegen Drystans broek. Hij krimpt in elkaar wanneer Drystan hem vernietigend aankijkt. Dan gebaart mijn “redder” naar een man achter hem. ‘Twintig moet voldoende zijn.’
Hij kijkt niet om wanneer de soldaat afstijgt en zich tussen de mensen door een weg naar de man baant. De jonge man probeert te vluchten, maar de mensenmassa is te dicht. Hij schreeuwt dat het een vergissing was en smeekt om vergeving wanneer de soldaat hem tegen de grond werkt en zijn polsen aan elkaar bindt. Terwijl hij de man naar het podium duwt, wikkelt hij de zweep af die aan zijn riem hing.
Ik wend mijn blik af.
Het enthousiasme van de menigte zwelt weer aan. Het maakt hen niet uit wie er lijdt, zolang ze maar bloed zien.
‘Wat wil je van me?’ vraag ik. Mijn stem kraakt zwak.
We passeren de laatste mensen en hij geeft zijn paard de sporen. We schieten vooruit.
Net wanneer ik denk dat hij geen antwoord zal geven, bromt hij: ‘Je diensten.’

***



Claudia Leutscher (1996)
schrijft fantasy, psychologische korte verhalen en gedichten. Schrijven is voor haar een manier om haar ervaringen met mentale gezondheid te verwerken en te vertalen naar verhalen waarin hoop, verlies en veerkracht centraal staan.

Jo Neels
is schrijver en illustrator. Zowel in haar schrijven als in haar illustraties vind je fantasie, horror en/of existentiële angst terug. Je kunt haar vinden op Instagram (@fictionbyjo) of via www.fictionbyjo.com

Reacties

Een reactie posten