3,682 Meter
- Dylan Blommaert - illustratie: Pieter Drift -
Kaisuke was niet komen opdagen bij de gymles. Dat op zich was al ongewoon—hij was het type dat nooit ziek was, nooit te laat, het soort jongen van wie je aannam dat hij gewoon altijd ergens aanwezig was, zoals de lucht, of het geluid van de klok in de gang. Maar vandaag was zijn plek leeg gebleven, een leegte die de hele middag op de een of andere manier groter leek te worden dan hij in werkelijkheid was.
De coach van ons volleybal team had er niets grappigs aan gevonden. Hij liep tien minuten heen en weer voor de rij, zijn fluitje bungelend aan zijn vingers als een klein, nutteloos wapen, en zei dingen als “verantwoordelijkheid” en “respect voor het team” en “dit was de laatste training voor het toernooi, mensen, de láátste.” Niemand keek elkaar aan. We stonden daar maar, twaalf paar sportschoenen op de gladde vloer, terwijl de zon buiten onverstoorbaar verderging met ondergaan, alsof niets van dit alles haar iets kon schelen.
Na afloop ging ik hem zoeken. Ik wist niet precies waarom ik dacht dat dat mijn taak was, maar niemand anders leek zich er druk om te maken, en dat vond ik op de een of andere manier erger dan zijn afwezigheid zelf.
Ik liep door de gangen, langs de kluisjes, langs het leslokaal waar het licht nog aanstond zonder dat er iemand was. Ik keek in de kantine, waar twee jongens van de mediaclub in stilte aan het opruimen waren, en op het schoolplein, waar een kat met één oor zich uitrekte in samenhang met de laatste zon en me aankeek alsof ik degene was die iets vreemds deed. Nergens Kaisuke.
Het dak was het enige dat overbleef. Ik had er niet meteen aan gedacht—niemand ging daar normaal gesproken naartoe, de deur zat meestal op slot en het idee bestond bijna als een soort gerucht, een plek waarvan iedereen wist dat hij bestond zonder er ooit te zijn geweest. Ik liep de laatste trap op, mijn voetstappen vreemd hard weergalmend in het trappenhuis, en duwde de deur open.
Kaisuke lag op het koude asfalt van het dak, armen wijd uitgespreid als een engel die bezig was langzaam in de hemel op te lossen. Hij moest de deur hebben gehoord toen die achter me dichtviel.
“Training is afgelopen, zeker?” vroeg hij zonder op te kijken.
Ik liep naar hem toe, langzamer dan nodig was. Ik wist niet goed wat ik hier kwam doen—controleren, of gewoon niet meteen naar huis hoeven. In de verte lag de oceaan, grijsblauw en onrustig, alsof iemand een enorm stuk natte zijde over de horizon had gedrapeerd. Het was stil, op een paar vogels na die maar bleven zingen. Schril, bijna wanhopig. Alsof ze iemand probeerden te waarschuwen die al niet meer luisterde.
"Ja, net afgelopen," zei ik en hurkte naast hem neer. "De docent was woedend dat je er niet was. Dit was de laatste training voor het toernooi."
Kaisuke staarde naar de lucht. Zijn ogen waren open, maar hij leek ergens ver voorbij de wolken te kijken, naar een andere versie van deze middag.
“Ik was hier gewoon,” zei hij. “De hele tijd al.”
Zijn stem klonk alsof hij van de bodem van een diep, stil meer kwam.
“Gewoon,” herhaalde ik zacht. Het woord viel hol tussen ons in.
"Je weet hoe belangrijk vandaag was, man," zei ik. "Jij bent de beste. Zonder jou stelt het team echt niks voor."
Kaisuke zweeg even. Toen zei hij, bijna terloops:
“Wist je dat de oceaan gemiddeld 3,682 meter diep is? Vandaag in Aardrijkskunde gehoord. Ik voel me precies zo. Leuk om te weten, maar volkomen nutteloos.”
De woorden bleven hangen in de koude lucht, alsof ze te zwaar waren om meteen te vallen.
“Je bent niet nutteloos,” zei ik. “Iedereen rekent op je, Kaisuke.”
“Juist,” zei hij alleen maar.
Ik had iets anders willen zeggen. Iets dat niet over het team ging, niet over het toernooi. Maar ik wist niet wat, en de stilte werd al langer dan comfortabel was, dus zei ik niets.
De zon zakte langzaam weg. De lucht werd killer, alsof er ergens een onzichtbare deur naar een andere kamer open was gezet en de kou binnenliet.
We zaten een tijdje zwijgend naast elkaar. Beneden was er een opwelling van gelach en geschreeuw, de uitkomst van de klok die eindelijk snel genoeg ging om een einde aan de schooldag in te luiden. Hierboven leek de tijd dikker, stroperiger, als koude honing die langzaam over de middag druppelde.
“Ik was wél naar de gymles gekomen,” ging Kaisuke ineens, alsof hij het gesprek opnieuw begon. “Maar ik kon niet blijven. Iedereen daar liep met zo’n grote glimlach rond. En toen dacht ik alleen maar… waarom lijken zij zoveel plezier te hebben?”
Ik keek hem aan, zoekend naar de juiste woorden. Ik wist niet of ik zocht naar de juiste woorden voor mezelf of voor hem, maar hoe dan ook: ik vond ze niet.
“Ik weet niet of ik dit nog wil doen,” zei Kaisuke uiteindelijk.
“Volleybal?”
Hij gaf geen antwoord. Zijn stilte was een steen die in een diepe put viel—je wachtte op de plons, maar die kwam niet.
Ik wilde doorvragen. In plaats daarvan hoorde ik mezelf zeggen:
“Ik weet niet precies wat er aan de hand is,” zei ik, “maar je kunt ons niet zo in de steek laten. Je kunt altijd later nog hier zitten. Het team rekent op je.”
“Later,” herhaalde hij, alsof het woord een vreemde smaak had.
Op dat moment draaide hij zijn hoofd naar me toe. Zijn gezicht veranderde. De afwezige blik trok weg als mist en maakte plaats voor een brede, stralende glimlach—zo perfect dat hij leek op een masker dat iemand anders zorgvuldig voor hem had opgehangen.
“Haha, ik stel me gewoon aan,” zei hij. Zijn stem was ineens weer licht. “Slecht geslapen vannacht, denk ik. Weet je wat? Ik breng koekjes mee voor het team. Die van mijn moeder, van vorige maand. Als goedmakertje.”
“Die waren echt lekker,” zei ik. Ik liet een stilte vallen waarin hij iets anders had kunnen zeggen. Maar dit gebeurde niet. “Maar, Kai. Weet je zeker dat alles goed is?”
“Ja joh, maak je niet druk.”
Zijn glimlach werd nog breder. Zijn ogen fonkelden als twee kleine munten op de bodem van een fontein. Dit was de Kaisuke die iedereen kende. En toch voelde het alsof er iemand anders achter die ogen stond en door de gaten naar buiten keek.
Ik had door kunnen zetten. Had kunnen blijven zitten tot het masker afzakte. In plaats daarvan stond ik op—opgelucht, geloof ik, dat hij me de makkelijke uitweg gaf.
De vogels waren gestopt met zingen. In plaats daarvan hoorde ik de zee—harder nu, alsof hij langzaam de trap op was gekomen terwijl wij praatten.
“Nou… dan zie ik je morgen,” zei ik zachtjes.
Kaisuke zei niets terug. Hij zat daar maar met die glimlach, als een lamp die nog brandde terwijl er niemand meer thuis was.
Ik liep naar de deur. Hoe verder ik bij hem vandaan liep, hoe luider de golven werden. Bij de deur draaide ik me nog één keer om, half in de verwachting dat hij zou opstaan en achter me aan zou komen.
Kaisuke lag weer languit op het dak, armen wijd, precies zoals ik hem had aangetroffen. De wind trok aan zijn shirt alsof hij hem zachtjes probeerde mee te nemen. De blauwe golven, die eerst nog ver waren, leken nu dichterbij dan ooit. Het geluid van de beukende golven overstemde alles—ook al wist ik dat de zee nog kilometers ver weg was.
Ik deed de deur open. Ik zei tegen mezelf dat ik morgen vroeg zou komen, voor de les, gewoon om te praten. Ik geloofde het zelf niet helemaal.
***
Mijn naam is Dylan Blommaert, geboren in Veldhoven in 1992, getogen in Eindhoven. Wilde van kinds af aan al auteur worden, maar uiteindelijk de traditionale route bewandeld en een 'veiliger' beroep gekozen. Nu mijn carriere vorm heeft gekregen, ben ik aan het bouwen aan mijn schrijfcarriere om toch die kinderwens in vervulling zien te gaan.
Pieter Drift is afgestudeerd (etsen en tekenen) aan de kunstacademie te Rotterdam. Tegenwoordig is hij woonachtig in Arnhem. Zijn werk is te vinden op http://pieterdrift.nl/ Sinds 2012 vormt hij een kunstenaarsduo met Willem Jakobs (kunstprojecten en performances) Zie http://www.jakobsdrift.nl Publicaties o.a. in Papieren Helden, Hard//hoofd, Elders Literair, Ballustrada, De Optimist en Weirdo’s.

.jpeg)

Reacties
Een reactie posten