Manuscripten gezocht
We zoeken weer Proeflezers & Recensenten Ontvang een gratis boek!


Winnaar manuscripten september 2026

 


NB: Ondanks dat er maar één winnaar kan zijn, worden meerdere schrijvers uitgenodigd het volledige manuscript op te sturen naar de uitgeverij. Deze uitnodigingsmails worden 18 sept om 8.00 uur verstuurd. -- Maarten

Winnaar Manuscripten september 2026:

Opknapbiertjes en wachtwijntjes

- Marleen Meijers - illustratie: Cindy van Veldhoven -

DION – 2 juni
Als ik wakker word, ligt de kat op mijn lul. Ik blijf doodstil liggen, maar hij heeft verdomme toch door dat ik bij kennis ben. Ik doe mijn ogen een beetje open. Daar komt hij al. Pootje voor pootje, over mijn buik, omhoog. Met zijn kop tegen mijn kin aan wrijven. Aai mij. Ik til mijn linkerarm op om een beetje achter zijn oor te krabben. Zwaar. Mijn ademhaling wordt ook zwaarder. Ik voel mijn hart kloppen, hoog in mijn borst. Bzoew, bzoew, bzoew. Het suist in mijn oren. Mijn gedachten proberen zichzelf bij elkaar te rapen. Ik zoek mijn herinneringen van gisteravond, maar kan ze zo snel niet vinden. Zo langzaam ook niet. Welke dag is het vandaag? Moet ik ergens heen? Vast niet. Ik doe mijn ogen weer dicht. Mijn linkerarm is gezakt nu. Bonk, botst Poes weer met zijn hoofd tegen mijn kin. Bonk. Ik aai hem weer even. Nu met mijn rechterhand. Ook zwaar. Ik besluit hem te negeren. Ik negeer ook mijn schuldgevoel en draai me op mijn zij. Als ik weer wakker word, is hij nergens te bekennen.
Ik draai me naar links, naar mijn nachtkastje en til met mijn rechterhand mijn telefoon op. Ik klap het hoesje open om naar de tijd te kijken. Het is nog geen middag. Dat is een meevaller. Ik leg de telefoon terug en ga op mijn rug liggen. Even bijkomen. Ik ben misselijk en tegelijkertijd knort mijn maag. Dat knorren, daar kan ik niet tegen. Misselijk of niet. Ik schuif mijn benen naar de rand van het bed en druk mezelf omhoog. Ik steun mijn hoofd met mijn handen, wrijf dan door mijn ogen, gaap nog een keer en duw mezelf naar verticaal. Je zou het resoluut kunnen noemen, maar dat zou een leugen zijn. Het is hooguit urgent. Ik slof naar de badkamer, leun met mijn linkerhand tegen de muur voor me en haal mijn lul uit mijn slip. Er zit een remspoortje in de pot dat ik er uit wil pissen. Maar mijn straal heeft te weinig kracht. Het lubbert er maar zo’n beetje uit. Als ik klaar ben, klop ik hem uit en stop hem terug. Met een hand stevig aan de leuning ga ik de trap af.
In de keuken loop ik door naar de koelkast. Waar is de melk? Ik schuif yoghurt en mayonaise opzij. Kijk nog een keer goed. Op verdomme. Ik gooi de deur dicht en zie hem dan in het voorbijflitsen staan. In de deur. Ik doe de koelkast weer open, pak de melkfles en zet hem aan mijn lippen. Mijn vrouw is allang naar haar werk en mijn dochters zijn naar school. Uiteraard. Dus niemand die het ziet. Niemand die zogenaamd moet kokhalzen. Een man moet in zijn eigen huis toch gewoon uit een fles kunnen drinken?
Het aanrecht is een rommeltje. Er staan twee pannen op het fornuis. Die ene herken ik. Die is nog van gisteravond, toen ik tartaartjes wilde eten voor het slapen gaan. De andere is nieuw voor me. Er liggen alleen wat kruimels in. Van een tosti waarschijnlijk, maar je kan het hier nooit zeker weten. Voor hetzelfde geld heeft iemand een haverpannenkoek staan bakken. Ik schuif ze daarom allebei aan de kant en pak een schone pan uit de kast. Boter. Ham. Eitje. Ah, daar is Poes weer. Niks mis met zijn neus. Hij gaat op zijn vaste plekje naast het aanrecht zitten, waar hij geduldig wacht totdat er een stukje varken uit de lucht valt. Dat valt elke dag. Tijdstip wisselt, maar het valt.
Ik schuif mijn spiegeleieren met ham op twee witte boterhammen die ik op een vierkant wit bord heb gelegd. Er is een stukje uit. Uit dat bord. Ik pak het op, bestek erbij, koffie in mijn andere hand en ga aan tafel zitten. Waar is de krant? Jezus, ligt nog op de mat zeker. Het kan hier ook nooit eens vanzelf gaan. Als ik eindelijk rustig zit, springt Poes naast me op tafel. Weer wachten op varken. Of ei. Maar daar begin ik niet aan. Als het eenmaal op een bord ligt, is het van mij. Dion doesn’t share food. Als ik klaar ben, zet ik mijn bord op een leeg plekje van het aanrecht, dat er eigenlijk niet is. Ik schuif de rest van de vaat daarom een beetje opzij. Een kopje valt in de gootsteen. Het is hier toch al een zooitje. Ik leg een hand op mijn maag en boer. Zo. Da’s lekker. Nu even liggen.
Als ik weer wakker word is het 14 uur. Het is doodstil in huis. Godzijdank. Ik sta op, trek de spijkerbroek en het shirt aan die nog naast mijn bed liggen en loop de trap weer af. Ik blijf een tijdje naar de inhoud van de koelkast kijken. Hij piept dat het te warm wordt. Ja jezus, waarom ligt er dan ook niks lekkers in. Ik doe mijn schoenen aan, slof naar de schuur en fiets naar het winkelcentrum. Lopen kan ik op meerdere snelheden, maar fietsen kan ik maar op een manier. Hard. Ik kom compleet buiten adem weer thuis. Ik neem het bruine zakje met daarin twee kaascroissants mee naar de woonkamer en ga achterover liggen op de chaise longue met het zakje op mijn buik. Het beweegt snel op en neer. Mijn ademhaling is nog lang niet gekalmeerd. Ik vouw het zakje met een hand open en tast met de andere hand om me heen naar de afstandsbediening. Niks. Ik kijk rond. Wie heeft dat ding nou verdomme naast de televisie gelegd?! Dat schiet toch zijn hele doel voorbij! Ik hijs me overeind en hoor het zakje met de kaascroissants op de grond glijden. Tuurlijk, ondersteboven. Het hele kleed vol kruimels. De tering maar ermee. Poes komt dichterbij gewandeld.
Ik pak het zapparaat op naast de tv en race langs de 900 kanalen. Op National Geographic stuit ik op een documentaire over gazelles. Goed genoeg. Ik laat me weer horizontaal zakken, trek met mijn tanden een stuk van de eerste kaascroissant en begin eindelijk te ontspannen. Even rust.
Morgen om half zeven op. Half zeven! Ik moet om negen uur ergens in de Achterhoek zijn voor een bruiloft en ik ben een treinreiziger. Meestal is mijn werk in Amsterdam of Den Haag en dan gaat dat helemaal dikke prima, maar de Achterhoek is andere koek. Ze hebben er wel een stuk of twintig stations, dat is het punt niet, maar het zijn van die planken in een weiland. Ze liggen nooit in de buurt van waar een mens moet zijn. Dat betekent een eind lopen of een ov-fiets, wat niet meevalt met een camera, een statief en alle andere apparatuur die ik nodig heb, kan ik je vertellen. Bedelen om een lift bij de opdrachtgever dan maar weer. Werkt altijd als een zonnetje. De meeste automobilisten voelen een diep medelijden met treinreizigers. Dat laat ik me heerlijk aanleunen in de bijrijdersstoel. ‘Auto bij de garage?’ vragen ze, met zo’n snelle begrijpende blik opzij. ‘Nee hoor’, zeg ik dan blijmoedig, ‘de auto van mijn vrouw stond gewoon voor de deur. Was heel verleidelijk vanochtend, zeker met die miezer. Maar ik heb geen rijbewijs, dus ik heb hem daar toch maar laten staan.’
Echt, dat moet je ook eens proberen, vertellen dat je als witte man van middelbare leeftijd geen rijbewijs hebt. Je ziet je sociale status voor je ogen vijf etages zakken. Het zou hilarisch zijn als het niet ook zo treurig was. Al die kerels in hun mooi gepoetste autootjes die tegen elkaar opbieden over hun kleppen, spoilers en stoelverwarming. Alsof de kracht van hun injectiemotor symbool staat voor hoever ze zelf nog kunnen spuiten.
Lig ik me toch weer op te winden. Ik pak de tweede croissant en focus weer op de gazelles. Uurtje gedachteloos kijken en dan is het wel weer tijd voor een biertje.
Als ik de volgende dag uitstap op het station van Varsseveld staat mijn lift al op me te wachten. Ik herken hem meteen, al heb ik hem nog nooit gezien. Lange, slanke vent. In een lange jas die je denk ik een mantel moet noemen. Keurig nette broekspijpen eronder vandaan, met zo’n vouw erin. Geleund tegen een grote zilvergrijze auto. Als ik eromheen loop zie ik dat het een BMW is. Uiteraard.
‘Heee man, jij staat denk ik op mij te wachten. Ik ben Dion.’ Hij neemt me van top tot teen op. Natuurlijk ben ik me bewust van het contrast. Ik ben cameraman. Director of photography, zou mijn chauffeur waarschijnlijk zeggen, als ie mij was. Hoe dan ook, ik ga niet in zo’n kostuumpje rondlopen de hele dag. Ik draag mijn eigen versie van een nette outfit. Mijn vaste basis van spijkerbroek, t-shirt en sneakers en om er een beetje keurig bij te lopen een vrolijk overhemd eroverheen. Vandaag heb ik mijn roze aan. Die staat me verdomd goed. Ik zit er dus niet mee, dat verschil in kleedstijl, want ik vind mijn look stukken beter dan de zijne. Maar het irriteert me dat hij zichzelf nu waarschijnlijk de bovenliggende partij vindt. Met zijn BMW. Hij steekt zijn hand naar me uit.
‘Lode.’ Hij trekt zijn hand terug en gebaart naar de kofferbak. ‘Leg je spulletjes er lekker in, dan gaan we.’
‘Sorry, hoe heet je?’
‘Lode.’ En als ik nog steeds vragend kijk: ‘Lo-de.’
‘Geinige naam. Nooit eerder gehoord.’
‘Niet?’ Lode trekt zijn wenkbrauwen op en maakt een hoog geluidje in zijn keel van verbazing. ‘Het is kort voor Lodewijk. Familienaampje.’
Natuurlijk. De clichés vliegen me weer om de oren vandaag.
‘Wat ben jij van het bruidspaar?’ open ik het gesprek als ik eenmaal naast hem in de auto zit.
‘Familie. Job is een neef van me. Samen opgegroeid, op zondag bij opa en oma, je kent dat wel. En jij bent dus hun cameraman.’ Hij kijkt even op zij en neemt me op. Hij heeft een ingeving.
‘Ik zal dan maar niet vragen waar jij ze van kent. Wat jij allemaal van ze hebt moeten filmen.’ Hij slaat zich op zijn knieën van plezier om zijn eigen platte grap. Hondenlul. Maar ik lach gedwee mee en haat mezelf ervoor.
Als de bruiloft in volle gang is, ben ik een en al focus. Ik beweeg me geruisloos door het feestgedruis, niemand slaat acht op me, alsof ik een onzichtbaarheidsmantel om heb. Zij zien niks. Ik zie alles. Ik vang de liefdevolle blik van vaders, de traan van moeders, de stralende lach van vriendinnen, ik vang alle bruiloftsgasten op hun allermooist. Zelfs mensen als Lode.
Als ik bij het vijfde opeenvolgende dansnummer even een kleine break neem en in een hoekje een kaartje sta te verwisselen in mijn camera, komt de ‘best man’ naar me toe. Hans heet-ie geloof ik.
‘Hoe is het? Jij bent ook al lang in touw. Heb je eigenlijk wel wat gegeten?’
‘Ja gaat prima, mooi feest, mooie sfeer. Hans heet je toch? Ja. Ik heb een stukje stokbrood van het buffet gegrist, maar voor echt eten heb ik geen tijd en geen rust op zo’n dag. Er gebeuren mooie dingen tijdens zo’n diner. De bruidegom helpt de bruid om te gaan zitten met haar jurk, er wordt ingeschonken, getoast, gepraat, gelachen. En je hebt meerdere takes nodig van iedereen, omdat er ook gekauwd wordt en dat moet er straks allemaal weer uit want dat wil niemand van zichzelf terugzien.’ Ik glimlach naar hem.
‘Ik wil dat iedereen de feestvreugde weer voelt als ze naar de film kijken. Niemand mag van zichzelf wensen dat hij er uit geknipt zou zijn.’
Hans kijkt me aan met een mengeling van verwondering en enthousiasme. Leuke vent.
‘Kom’, zegt hij, ‘loop even met me mee naar de keuken. Gaan we een broodje voor je maken. En volgens mij lust je er ook wel een glaasje wijn bij. Even tien minuten pauze. Ze dansen nog wel even door voordat de toneelstukjes beginnen en je weer op je post moet staan.’
Hij zal het wel weten. Hij heeft het programma waarschijnlijk zelf in het draaiboek gezet, dus ik loop achter hem aan naar de keuken. Het zijn dit soort mensen die het allemaal de moeite waard maken. Op elk evenement loopt er wel een rond. Iemand die oog heeft voor de onzichtbaren. Die zich middenin een feest, godbetert de bruiloft van een goede vriend, kan verplaatsen in het personeel. Iemand die me even uit de anonimiteit trekt, eten en drinken geeft, een beetje aandacht, begrip voor mijn werk. Wat een lieverd. Ik hoop dat hij in een Kia Picanto rijdt. Of op een bakfiets.
Om kwart voor elf, als ik echt iedereen in alle betekenisvolle momenten heb vastgelegd, komt de taxi die me terug naar het station gaat brengen. Het feest gaat nog wel even door, maar de jaarclubs zijn inmiddels straalbezopen. Dat leggen ze maar vast met hun telefoons. Komt niet in mijn perfecte film. Als ik om een uur eindelijk thuis ben, trek ik een sixpack uit de koelkast, loop naar zolder en lees mijn kaartjes in. Terwijl de download draait, drink ik het eerste blikje in twee teugen leeg. Ik heb nog een lange nacht editen voor me.

***

Marleen Meijers geniet van ongebruikelijke woorden en prachtig geformuleerde gedachten. Met humor en milde ironie probeert ze het leven luchtiger te maken. Proza schrijft ze elke dag, ook als het niet altijd fictie is. Want ook een zakelijke e-mail ontsnapt zelden aan haar fijnslijperij.

Cindy van Veldhoven: "Creëren is de rode draad in mijn leven. Altijd al geweest! Het maakt me blij.. Al vele ideeën zijn opgeplopt en verwezenlijkt, daar is illustreren er één van. Binnenkort mijn schildering op de cover van een boek! Ik ben een gelukkig mens ;)"

Reacties