Manuscripten gezocht
We zoeken weer Proeflezers & Recensenten Ontvang een gratis boek!


Winnaar september 2026


Rode aansteker

- Tony Coppo - illustratie: Miranda Litjens -

We staan stil omdat er iets brandt. Lore en ik, in de Volvo die ze drie jaar geleden kocht zonder mij te vragen welke kleur. Ze koos antraciet, alsof antraciet een kleur is.
Voor ons staan twintig, misschien vijfentwintig wagens, remlichten die aan- en uitgaan zonder dat er iemand vooruitkomt. Ik tel ze niet. Ik schat. Schatten is iets wat ik altijd ben blijven doen: hoeveel minuten voor Lore thuiskomt van de balie, hoeveel zinnen ik nog kan schrijven voor ze de deur opendoet, hoeveel kilo ze is bijgekomen sinds de zomer. Zulke dingen.
'Opstopping,' zegt Lore.
'Ja,' zeg ik.
Mijn handen liggen in mijn schoot, op de plooi van mijn goede broek. Ik heb ze daar gelegd toen we instapten en sindsdien niet meer verplaatst. Ze ruiken naar petroleum. Ik heb ze nochtans gewassen, twee keer, met haar dure zeep van de apotheek, en het zit nog altijd in de nagels.
Lore snuift een keer, een korte rimpel bij haar neusvleugels, en kijkt naar de vrachtwagen naast ons. Ze draagt de groene jurk, die van het huwelijk van haar zus, en het parfum dat ik haar elk jaar met Kerstmis geef. ‘Straks ben ik te laat,’ zegt ze. We zijn onderweg naar de receptie bij Meester Claes, dertig jaar aan de balie, en Lore heeft een toespraak in haar handtas. Drie minuten, over volharding en toewijding. Ze oefende ze voor de spiegel in de badkamer, met de deur open, terwijl ik in de garage bezig was de ramen van mijn treinen zwart te verven.
Ze zette de radio niet aan. Normaal draait ze de knop nog voor ze haar gordel vastklikt. Radio 1, de files, het weer. Vanavond houdt ze het stuur vast met twee handen.
Rechtbankachtig.
Ik was zesentwintig toen ze voor het eerst zei: 'Je hebt rust nodig, Dietertje.' Vriendelijk, zoals ze alles zei.
'Ik wil weg uit Gent,' zei ik. 'Reisverhalen schrijven.'
'Later,' zei ze.
We zijn nu zeventien jaar later. Ze heeft me al die tijd onderhouden. Dat moet gezegd.
De jerrycan stond al een week in de garage, naast haar parkeerplaats. Ze heeft er niets over gezegd. Ik goot petroleum op drie plekken. Eerst over de gordijnen in de keuken, haar koffiezetapparaat, haar kranten op de stoel naast het raam. Daarna in de slaapkamer over haar kant van het bed. Mijn kant heb ik overgeslagen. Ik had alle lakens verschoond die ochtend. Dat vond ik grappig. Als derde trok ik de lade met de reisgidsen open. Die van Lissabon lag bovenaan, met een hoekje omgevouwen bij een barista die zijn eigen bonen brandde, en in de marge haar handschrift: Die gaan we proeven! Lore gebruikt nooit uitroeptekens.
Mijn bureau heb ik overgeslagen. Er lag toch niets op. Een schrift met de eerste twaalf bladzijden van iets over Porto. Dat zit in mijn binnenzak.
De aansteker stak ik in het handschoenenkastje, bij de parkeerschijf, terwijl Lore de garagepoort dichttrok.
Lore kucht. Boven de daken knippert blauw licht. En oranje.
Achter ons een sirene. De file schuift naar rechts, wagen na wagen, en Lore zet twee wielen in de berm. De brandweerwagen schuurt langs ons, zo dicht dat de blauwe lichten de binnenkant van de Volvo vullen, en in de cabine zit een man die gaapt. Dan is hij voorbij en schuift de file weer naar het midden.
Een vrouw stapt uit een groene Polo twee wagens voor ons. Twintig jaar oud misschien. Schoon figuur. Ze filmt met haar telefoon boven haar hoofd. Een man is naast haar komen staan, bruine krulletjes tot in zijn kraag, en hij houdt haar handtas tegen zijn buik alsof iemand hem die zonet in de armen heeft geduwd.
'Je moet dichter, Jolien,' zegt de man. 'Je ziet alleen rook.'
'Het is hier ergens. Gentsebaan of daarboven.'
'Dat moeten serieuze vlammen zijn.'
'Amai,' zegt de vrouw. Ze filmt nog. 'Serieuze vlammen. Hopelijk zijn ze goed verzekerd.'
De man antwoordt niet.
De polis lag onder de reisgidsen.
Lore beweegt naast me, haar bovenlichaam iets naar links en dan terug. Die beweging maakt ze al sinds de Overpoort.
'Uw kraag,' zegt ze.
Ik kijk.
'Uw kraag zit verkeerd.' Ze steekt haar hand uit, over de versnellingspook, en haalt mijn kraag over mijn colbert, snel, met twee vingers, zonder te kijken. Haar vingers raken mijn nek. Ze zijn koud. Dan legt ze haar hand terug op het stuur.
Ik ruik haar parfum.
Haar telefoon licht op in de bekerhouder.
Ze neemt op. Speakerphone, automatisch, zoals altijd in de auto.
'Papa,' zegt ze.
'Lore. Kind. Ben je in orde?'
'Ja papa, ik sta in de file, wat…'
'Die vent van u, Lore, ik zweer het u, als die sukkel iets te maken heeft met…'
'Papa.' Scherper nu. 'Papa, wacht…'
'Die kerel heeft ze niet allemaal op een …'
'Dieter zit erbij.'
Stilte.
Ik ken die stilte. Ik heb ze zelf uitgevonden. Aan de keukentafel meestal. Soms in de badkamer.
Ik hoor hem ademen, met de piep erin die er al zit sinds ik hem ken, veertig jaar Bastos. Hij heeft het huis voor de helft betaald. Hij komt op zondag de goten controleren. Die goten waren dik in orde.
'Dag Karel,' zeg ik.
Niets.
'Karel is er nog,' zeg ik tegen Lore.
'Papa,' zegt Lore. 'Dieter is heel de namiddag bij mij geweest.'
Om drie uur pleitte ze in Dendermonde.
Ze kijkt me aan.
Twintig jaar ken ik dit gezicht.
In de Overpoort keek ze ook zo. Zij derde jaar rechten, ik al twee jaar gestopt met alles. Ik schreef haar een verhaal over een man die een sleutel inslikt. Ze las het op de trap van de Blandijn, met haar rug tegen de leuning en een boterham in haar andere hand, en zei dat ze het niet snapte maar dat ze het mooi vond dat ik het had geschreven.
Er trekt iets aan mijn mond. Ik weet niet of ze het ziet.
Ze drukt de telefoon uit zonder haar vader gedag te zeggen.
Het oranje boven de daken heeft zich uitgebreid, twee daken verder nu, tot aan de kerktoren. Ze zullen het water uit het zwembad gebruiken. Alles leegpompen. Karel heeft het laten leggen voor de kleinkinderen die er niet gekomen zijn.
Lore schikt haar handen terug op het stuur, duimen bovenaan, het kleine witte spoor op haar rechterduim, van het glas dat ze eens stukgooide en waarover ze een grap maakte en ik lachte. Het was niet eens een goede grap.
Dan opent ze het handschoenenkastje. Ze neemt de aansteker eruit, zonder te kijken, en steekt hem in haar handtas. Naast de toespraak. Ze klikt de handtas dicht.
Ik zie haar graag. Ik heb het nooit opgeschreven. Ik zou mijn hand op de hare willen leggen, op het stuur, op het witte streepje.
Mijn handen liggen in mijn schoot. Ik heb ze nog altijd niet verplaatst.
De file schuift op.
'Godverdomme,' zegt ze.
Ze rijdt. We naderen de omleiding. Een agente staat met gespreide benen in de berm, kortgeknipt haar, een oranje vest rond een lang, vormloos lichaam, en wuift wagens naar links met een lichtstaaf die het niet doet. Lore draait haar raampje naar beneden. De koude lucht valt de auto binnen en brengt de rook mee. Het ruikt naar onze gordijnen.
'Ik woon in de Gentsebaan,' zegt ze. 'Is het daar dat het brandt?'
De agente kijkt haar aan. 'Welk nummer?'
'Vijfenvijftig.'
De agente zegt niets. Dan buigt ze zich voorover en kijkt langs haar heen, naar mij. Ik kijk terug. Onder haar oor loopt een litteken, klein, bijna niks.
'Is er iemand in huis?'
'Nee,' zegt Lore. 'Enfin, jawel. Boris.'
'Boris?' vraagt de agente.
'Onze kat,' zeg ik. Boris zette ik om drie uur bij de buren. 'Hij moet binnenblijven,' zei ik. De buurvrouw vroeg niet waarom.
De schouders van de agente zakken. 'Doorrijden mevrouwtje. We moeten de weg vrijhouden voor de hulpdiensten. Links aanhouden.'
Ze wuift al naar de volgende wagen.
Lore slaat links af.
'We gaan naar Claes,' zegt ze. 'Ik heb een toespraak. Vannacht slapen we bij papa. Morgen bel ik de verzekering.'
'Boris zit bij Chantal,' zeg ik. ‘Mijn treinen ook. De polis lag onder de reisgidsen.'
'Ik heb een kopie op kantoor.'
Ik kijk naar mijn handen in mijn schoot. Ze ruiken naar petroleum.
'Je hebt rust nodig, Dietertje,' zegt ze en zet de radio aan.
'De brand in de Gentsebaan is nog niet onder controle,' zegt de radio. 'Over de oorzaak is nog niets bekend.'
Een rode aansteker, denk ik. Ik koos de goedkoopste uit de nachtwinkel.

***

Tony Coppo
(44) kitesurft, en wanneer hij niet op het water vertoeft, schrijft hij, of schilt hij primeur-aardappelen tot frietjes, of gaat naar de slager, of zit gewoon op de bank. Hij heeft diploma’s en andere verwezenlijkingen, toch lijken die weinig relevant.

Miranda Litjens
tekent en schildert al heel wat jaartjes en dit heeft zo zijn invloed op haar manier van kijken en doen. Ze wordt er vooral heel blij van!

Reacties

Een reactie posten