Dageraad
- David Voronik - illustratie: Peter Meijer -
Zjenja zet twee glazen op tafel en laat met een geoefende hand in elk glas een theezakje vallen. Groene thee, ditmaal. Het staat in elegante, gouden letters op het labeltje, dat aan een touwtje naast het glas bungelt. In drie passen snelt ze naar het mini-aanrecht, tilt de zwarte waterkoker die ik laatst bij Wildberries in de aanbieding heb gekocht uit de houder en schenkt heet water in de glazen. Een van de labeltjes wordt door het zinkende theezakje als een drenkeling in een draaikolk het glas ingetrokken, maar ze lijkt het niet te merken. Ze plaatst de waterkoker terug en neemt op de oude, houten stoel tegenover mij aan de vierkante keukentafel plaats. Dan dompelt ze het zakje een paar keer in het water, rolt het op over een theelepel om het laatste vocht eruit te wringen en zwiept het vervolgens met een boog in de wasbak.
"Ik liep over een lange weg waaraan geen einde leek te komen,” begint ze, haar stem zoekend naar de juiste woorden, "maar merkte na een tijdje dat ik niet vooruitkwam. Toen ik omlaag keek, zag ik dat ik vastzat in het zand, dat nu een soort moeras was geworden.”
Ze vertelt over haar bizarre droom van vannacht. Zoals zo vaak, wanneer ze zich de details van een droom probeert te herinneren, ontwijkt ze mijn blik en fixeert ze haar ogen op een plek achter mij. Ze neemt een slok thee en zet het glas neer. Het valt me op dat ze het glas exact op de natte ring van eerder gemorste thee zet, die op het tafelblad is achtergebleven. Ik probeer nog in te schatten wat de kans is dat ze dit in één keer flikt, maar geef het snel op. Statistiek is nooit mijn sterkste kant geweest.
"Daar stond ik dus, tot aan mijn kuiten in dat drijfzand,” gaat ze onverstoorbaar verder. “Ik probeerde uit alle macht mijn benen los te krijgen, maar hoe meer ik bewoog, hoe dieper ik wegzakte in de blubber. Toen ik om hulp probeerde te roepen, was mijn stem weg. Er kwam geen geluid uit mijn keel, hoe hard ik ook riep. Ik voelde me machteloos en raakte in paniek.”
Ze kijkt me aan.
"Ik schrok wakker, badend in het zweet. Waarschijnlijk had je niet eens door dat ik een nieuwe pyjama heb aangetrokken. Heb je gemerkt dat ik uit bed ben gegaan?"
Ik schud mijn hoofd. Ik slaap als een blok. Droomloos en saai.
Zjenja neemt een slok thee en wijst op het glas dat voor mijn neus staat. "Je moet het zakje eruit halen, Misja, zo wordt het te sterk."
Ik hengel het zakje uit het glas (ze had me het glas met de drenkeling gegeven) en wring het uit met mijn vingers. Vervolgens gooi ik het naar de gootsteen, maar mis. Het zakje komt tegen de afgeronde kant van het aanrechtblad aan en valt met een natte plof op het laminaat. Zuchtend schuif ik mijn stoel naar achteren, raap het theezakje op en deponeer het in de wasbak – naast dat van Zjenja.
Mijn thee is inderdaad veel te sterk geworden. Ik twijfel even of ik nieuwe zal zetten, maar besluit van niet. Ik heb nog tien minuten voordat ik mijn dagelijkse gang naar de kiosk en de metro maak en ik heb geen zin om me te haasten voor iets triviaals als een minder sterke kop thee. Ik drink op het werk wel koffie.
Zjenja giet het laatste restje thee naar binnen en staat op. Terwijl ze haar theeglas omspoelt, bestudeert ze de klok aan de wand.
"Wil je niet wat eten?"
Ze zet het glas in het afdruiprek en kijkt me vragend aan. "Ik heb gisteren broodjes meegenomen van de produkty hier verderop. Niet helemaal vers meer, maar prima te eten. In de koelkast staat ook wat kaas en mayonaise. Die mayo moet je eerst even proeven, want ik weet niet of het nog goed is."
Ik drink nog een paar slokken van de te sterke – en inmiddels koude – thee. "Ik haal straks een broodje bij de kiosk," antwoord ik.
Zjenja schudt haar hoofd. Haar krullen deinen golvend heen en weer. Ze heeft een prachtige, volle haardos. Reebruine krullen, die tot haar schouders reiken. Dezelfde krullen die mij als een blok voor haar lieten vallen.
"Elke dag broodjes kopen bij de kiosk is duur, Misja. Zo spaar je natuurlijk nooit iets bij elkaar. Ik durf te wedden dat je ook elke middag koffie of zoiets koopt." Ze klinkt als een moeder die haar weerbarstige kind vermanend toespreekt. Ik ben het ondertussen gewend. Mijn ervaring leert dat ze er vanzelf mee ophoudt als ik er verder geen aandacht aan besteed, en dat is dan ook precies wat ik doe.
Ik sta op, spoel mijn glas af en zet het naast het hare in het rek – net zoals mijn theezakje naast het hare lag in de wasbak. Een hinderlijke en zeer accurate gedachte vormt zich in mijn hoofd. Het ziet ernaar uit dat Zjenja in onze relatie het initiatief neemt en dat ik volg. Vermoedelijk moet ik hier lering uit trekken, maar daarvoor ontbreekt het mij nu aan tijd, zin en energie om daarover na te denken. Ik geef haar een kus op haar wang. Ze ruikt naar groene thee en Schauma-shampoo met kamille.
"Ik moet gaan." Ik vis mijn jas van de kapstok. "Vanavond praten we verder over je droom. Heb je wensen voor het avondeten?"
Zjenja staart naar haar schermpje en mompelt iets onverstaanbaars. Ik maak vanavond gewoon een lichte pasta met een salade, besluit ik ter plekke, omdat ik geen zin heb om het haar nog een keer te vragen. Pasta is altijd een veilige keuze – zeker na een drukke dag op het werk.
"Dag, lieverd." Ik open de deur van ons appartement. Zjenja is te druk met haar telefoon en reageert niet. Ik trek mijn jas aan en stap de hal van ons wooncomplex in. Het ruikt er naar bloemkool en voorbijgegane levens.
We wonen in Narvskaja Zastava, ten zuidwesten van het centrum van Sint-Petersburg. Het is een arbeiderswijk vol woonblokken en publieke gebouwen, die in de jaren 20 uit de grond is gestampt door de communisten. Toen Zjenja en ik trouwden, was het erg lastig om woonruimte te vinden. Sint-Petersburg is duur en de enige appartementen die we konden betalen lagen ver weg van het centrum, wat uren reistijd zou betekenen. Daar zaten we beiden niet op te wachten. In het begin van ons getrouwde bestaan konden we een kamer huren bij Zjenja’s ouders, die een flat hebben aan Metrostrojevtsev, vijf minuten lopen van waar we nu wonen. Het was verre van ideaal, zeker omdat het er niet ruim was en haar ouders zich met elk detail van ons leven bemoeiden, maar het was voor dat moment een praktische oplossing.
Zjenja werkt bij het Kirovski rajonny kraevedtsjeski archief; een klein streekarchief, waar ze beeldmateriaal archiveert en restaureert. Op een dag hoorde ze van een van haar collega’s dat er een klein appartement in een obsjtsjezjitie aan de Tracktornaja-straat zou vrijkomen. We hebben alles laten vallen en zijn meteen gaan kijken.
Het oudroze Sovjet-woonblok huisvestte vroeger de arbeiders die in de Krasny Poetilovets-fabriek werkten, maar het was een aantal jaren geleden overgenomen door een commerciële verhuurder, die het min of meer naar deze tijd had gebracht. Het appartement zelf was klein en doorrookt en moest daardoor in ieder geval opnieuw worden geschilderd. Er waren twee ruimtes: een woon/slaapkamer en een keuken. Dat is misschien een te optimistisch woord. Het was geen echte keuken – er stond alleen een elektrisch kookplaatje voor eenvoudige gerechten en er was een kleine gootsteen. Ook een douche ontbrak, maar we konden gebruikmaken van de gemeenschappelijke faciliteiten die verderop in ‘onze’ gang te vinden waren. Het was allesbehalve een droomappartement, maar het lag op twintig minuten afstand van ons werk, in een rustige, lommerrijke wijk en het was betaalbaar.
Terwijl ik Tracktornaja uitloop en rechtsaf sla op de Stasjeklaan, mijmer ik over ons eerste jaar in ons piepkleine optrekje. De medebewoners, die met ons het sanitair en de keuken deelden, waren allemaal jonge mensen die aan het begin van hun loopbaan stonden. We zagen elkaar alleen in de keuken of ’s ochtends in de doucheruimte en dan groetten we elkaar. Soms maakte ik een praatje met deze of gene, maar een echte vriendschappelijke band is er nooit tussen ons ontstaan en daar heb ik eerlijk gezegd ook geen behoefte aan. Ik ben van nature niet sociaal en blijf meestal aan de oppervlakte. Zjenja, daarentegen, was veel extraverter dan ik. Zij had een uitgebreide vriendinnengroep, die ze aan haar studie had overgehouden.
Aanvankelijk vroeg ze of ik meeging, borrelen met de ’meiden’, maar omdat ik dat keer op keer onder valse voorwendselen afsloeg, hield ze het voor gezien. Wanneer ze de hort op was, appte ze me dat ze nog een drankje ging doen na het werk. Ik vond dat niet erg. Als ik eerlijk ben, weet ik niet waarom Zjenja instemde om met me te trouwen. Zij is uitgaand en houdt van mensen om haar heen; ik ben een eenling die drukte mijdt en het liefst alleen is.
Toen ik het haar ooit vroeg, keek ze me lang en nadenkend aan en zei: "Ik vind het niet erg dat je het liefst alleen bent, Misja. Ik heb genoeg vrienden met wie ik wat kan drinken of naar de bioscoop kan gaan. Bij jou kan ik mezelf zijn, zonder dat ik van alles moet doen. Dat vind ik fijn."
Ik had na haar uitleg een kleine post-it met een uitroepteken aan de binnenkant van mijn hoofd moeten plakken, maar ik knikte opgelucht. Ik liet het over me heen komen, zonder erbij stil te staan wat ze nu daadwerkelijk gezegd had.
Na een minuutje of tien sta ik voor de kiosk van Ljoesja aan het Stasjekplein.
Een kiosk is een vreemd ding. Het is geen echte winkel, maar je kunt er van alles kopen: kranten, sigaretten, ijsjes en paraplu’s. De meeste kiosken die ik ken zien eruit als een koker met een raam, een toog, waarop kleinigheden liggen als aanstekers, vloeitjes en snoep. Ervoor staat vaak een metalen rek met de ochtendbladen en achter de toog zit doorgaans een oudere man of vrouw. Die van Ljoesja was daarop geen uitzondering – alleen is zij geen oude vrouw, maar schat ik haar even oud als ikzelf. Het is een gok, want ik heb het haar nooit gevraagd, maar ik ben ervan overtuigd dat ik er niet veel naast zit.
Ljoesja had me al gezien en had alvast een krant, een broodje en een snoepje op de toog gelegd. "Goeiemorgen, Misja.” Ze glimlacht naar me vanachter het raampje. Wanneer ze lacht, dan doet ze dat met haar hele gezicht en krijgt ze van die guitige kuiltjes in haar wangen.
"Je ziet eruit alsof je over alle problematiek in de wereld aan het piekeren bent. Misschien moet je de krant van vandaag maar laten liggen, want het is er niet veel beter op geworden, kan ik je verklappen."
Ik leg wat roebels op de toog en blijf even dralen. Ljoesja geeft me het gevoel dat ze blij is me te zien. Ze is niet aardig tegen me op een professionele manier, zoals zoveel verkopers hier in Sint-Petersburg. Ze is aardig, omdat ze dat wil zijn. Het geeft mijn ochtenden een extra shot energie.
Ze draagt een crèmekleurige jurk, met daarover een gebreid, blauw vestje met knopen. Nee, dat klopt niet. Het is geen vest, want een vest is langer. Het is een vrouwenkledingstuk waarvan ik nooit de naam heb geleerd en naar de functie waarvan ik alleen maar kan gissen. Een vest is een fijn kledingstuk dat je aantrekt bij koud weer. Maar een kort gehaakt topje, zoals dat wat Ljoesja draagt, houdt geen warmte vast. Het maakt me niet uit, want het staat haar uitstekend. Ik had haar ook leuk gevonden als ze in een hobbezak was gekleed, of in een trevira-bloemetjesjurk.
"Is het echt zo erg in de wereld?" Ik vraag het op een zo nonchalant mogelijke manier, maar mijn hart klopt een slag sneller. Ze houdt mijn blik met haar ogen vast. Die zijn van een prachtige, heldere kleur blauw, met groene ondertonen. Het wit van haar ogen is onnatuurlijk wit; geen enkel bloedvaatje ontsiert het oppervlak ervan. Ik durf niet te denken aan die ogen waarin ze nu kijkt. Die zijn van een onbestemde kleur bruin en vast niet zo helder als die van haar.
Door al dat gestaar ben ik de tijd vergeten en moet ik opschieten om de metro nog te halen. Ik graai haastig mijn gekochte spullen bij elkaar. "Sorry, Ljoesja, ik moet rennen. Ik had hier graag nog wat langer met je willen praten, maar ik heb het sterke vermoeden dat mijn baas daar anders over denkt"
"Geen probleem, Misja, ik zie je morgenvroeg wel weer. Fijne dag en pas goed op jezelf."
Ik loop zo snel als ik kan naar het Narvskaja-metrostation en neem de trap met twee treden tegelijk. Al rennende pak ik de metrokaart uit mijn broekzak, houd hem tegen de automaat en stuif het perron op. Net op tijd. De metro rijdt binnen wanneer ik tot stilstand kom.
***
Mijn naam is David Voronik. Ik woon met mijn gezin in een gehucht, over de Rijn bij Wageningen. In het dagelijks leven ben ik typograaf en heb ik mijn eigen bedrijf. Daarnaast begeleid ik twee of drie reizen per jaar voor Koning Aap. Ik schrijf sinds een jaar verhalen en mijn eerste (kinder)boek wordt binnenkort gepubliceerd.
Peter Meijer (1953) opleiding: Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem (1974–1979). Van 1980 tot 1985 was hij werkzaam als docent tekenen en kunstgeschiedenis. Maakte illustraties en tijdschrift omslagen voor uitgeverij Wolters-Noordhoff. Sinds 1985 fulltime actief als beeldend kunstenaar. Zijn werk werd geëxposeerd in binnen- en buitenland, en is opgenomen in talrijke bedrijfscollecties en particuliere verzamelingen. Elk jaar is zijn nieuwste werk te zien bij verschillende galerieën en op internationale kunstbeurzen in steden als Amsterdam, Brussel, Stockholm en Wenen.


%20(1).jpg)
Reacties
Een reactie posten