Manuscripten gezocht
We zoeken weer Proeflezers & Recensenten Ontvang een gratis boek!


Winnaar oktober 2026


We maakten altijd al deel uit van de grot

- Nena de Keersmaecker - illustratie: Miranda Litjens -

Helena’s gezicht ving nog net de zon. We zaten naast elkaar en onze geblondeerde haren hingen futloos over onze ruggen. Het was de laatste dag van een veel te warme zomer. Helena schraapte met haar vingernagels over de kalksteen, ik keek uit over het kleine dal. We hadden weer rondgedoold door het dorp, op zoek naar verkoeling. Langzaamaan waren we de heuvel op geklommen en voor de ingang van de grot beland. De lucht die uit de mergelgroeve kwam was koel en dik. We namen er happen van en probeerden zij aan zij onze verhitte lichamen te stillen.
Helena was groot, mooi en een beetje blind. Als kind had ze tijdens de zonsverduistering haar papieren brilletje afgezet en vanuit een hoek op het terras stilletjes naar de zon gestaard. Toen haar moeder zich omdraaide was het al te laat. De zon had haar beide netvliezen verbrand en voor altijd een zwarte ronde vlek achtergelaten in het midden van haar zicht.
Wanneer Helena enkele jaren later naar de vallei verhuisde, had ze zich meteen tot mij gericht en dwars door me heen gekeken. Ik voelde me goed in haar blinde vlek. Ik liep met haar mee over de speelplaats, zat naast haar in de bus en lag ‘s weekends in haar bed. Ik observeerde de gezichten van de mensen met wie ze sprak. Die van haar ouders die haar verwenden en de leerkrachten die haar vereerden, die van de meisjes die over haar roddelden en de jongens die haar wilden. Ze vroeg me of ze in haar ogen of naar haar borsten keken. Ze wilde weten welke blikken ze uitwisselden en of die overeenstemden met de woorden die uit hun monden kwamen. Tijdens hun gesprekken concentreerde ik me op hun gelaatsuitdrukkingen en registreerde ik nauwgezet de kleinste bewegingen op hun gezichten. Na afloop fluisterde ik als een bezetene de waarheid in Helena’s oor.

De koelte van de grot had ons opnieuw wat fut gegeven en de verveling sloeg nog harder toe. Altijd als Helena de tijd wilde vullen, begon ze spottend over de jongens uit het dal. Ze praatte dan traag en imiteerde onze Zuid-Limburgse accenten. Die dag had ze het over haar laatste vriendje, Daan. Tijdens een bezoek aan een hogeschool had hij haar toevertrouwd hoe cool hij het vond dat alle vrouwen ter wereld tegelijkertijd menstrueerden tijdens volle maan. Plechtig had Helena zijn hand vastgepakt en gezegd dat de wereld inderdaad een wonderbaarlijke plek was.
Ze begon luid te lachen en wierp haar hoofd in haar nek. De wanden van de grot weerkaatsten haar lach. Ik dacht aan Daans gezicht. Vlak na hun eerste ontmoeting had ik haar mijn oordeel gegeven: knap maar achterlijk.
Helena wendde zich tot mij en vroeg me of ik intussen al een keer ongesteld was geweest. Ik negeerde haar vraag en zei dat ik de grot in wilde, dat het nu of nooit was.
In de buurt van ons dorp waren er verschillende mergelgrotten. Op een dag waren de bewoners van de Maasvallei de kalksteen beetje bij beetje uit de grond beginnen te halen. Mannen hadden haar heuvels uitgegraven en zich steeds dieper een weg gebaand door het vochtige gesteente. Na de sluiting van de kalksteengroeven bleven er in onze streek verborgen gangenstelsels achter van honderden kilometers lang.
Helena aarzelde, maar ik drong aan. Ze was me dit verschuldigd. Ik trok haar recht en duwde haar richting de ingang. Ze zei dat ze binnenkort toch voorgoed van deze plek verlost was, dus wat maakte het nog uit. Een voor een klommen we over het hek.
Ooit had een dorpsbestuur besloten om de grot te verzegelen, maar op een dag waren de opvolgers vergeten waarom. Ze herstelden de verrotte panelen niet langer en plaatsten voor de ingang een hek waar iedereen al snel overheen klom. Via een korte gang kwam je in de eerste kamer. Waar de grot jarenlang slechts vleermuizen en versteende zeeorganismen in haar kalksteen herbergde, bood ze nu ook een onderdak aan verliefde tieners. In het weekend trokken ze vol verwachting naar de grot en maandag op school deden ze nog harder hun best om volwassen te zijn.
Ik dacht vaak aan de grot. Ik beeldde me in hoe haar wanden de geheimen van mijn klasgenoten zacht weerkaatsten, hoe de mergel verkleurde door de rook van sigaretten en vuur, hoe het poreus gesteente hun zweet absorbeerde en hoe de fossielen van ammonieten, zeeslakken en andere ooit glibberige weekdieren te midden van hun opgewonden lichamen nieuw leven werden ingeblazen.
Helena had nooit interesse getoond voor de grot. Wanneer we op school over de grot spraken, was ik de enige die zag dat ze ongemakkelijk werd. Dan tekende de blauwe ader op haar hals zich nog harder af dan gewoonlijk en bonkte hij sneller en dieper en harder.

Toen we de eerste kamer in gingen stond de zon nog hoog. Haar licht viel binnen door enkele grote scheuren en klaarde de ruimte op. Bierblikjes bedekten de bodem en in de wanden waren woorden gekerfd. Ik raakte ze aan en voelde mijn hart kloppen in mijn kruis.
Terwijl ik mijn zaklamp pakte, merkte ik dat Helena’s ogen de mijne zochten. Ze was boos. Ze hield dan altijd haar hoofd schuin en probeerde me vanuit haar ooghoeken aan te kijken. Maar in welke bochten ze zich ook wrong, de vlek verborg altijd datgene wat ze recht aan wilde kijken.
Van heel dichtbij zag je pas echt hoe mooi ze was. Elk weekend maakte ik haar op. Een taak waarbij ik voorzichtig probeerde om het evenwicht te bewaren tussen haar schoonheid en de dingen waarvan we dachten dat de jongens ze graag zagen. Ik had uren doorgebracht bij de drogist in het dorp verderop, op zoek naar de juiste kleuren en texturen voor haar krijtwitte huid. De dochter van de uitbaatster vertelde over huidtinten en ondertonen en de zeven soorten gezichtsvormen. Ik wist exact hoeveel blos ik moest gebruiken. Te veel van de zachte perziktint gaf haar iets kluchtigs, te weinig maakte haar kil. Op haar mond bracht ik een vette pruimkleur aan en haar ogen maakte ik groter met een wit potlood. De lijnen op de randen van haar oogleden waren zo subtiel dat alleen wij wisten dat ze er zaten. Helena’s oogspieren ontspanden zich beter als ik haar mond lichtjes opentrok. Haar adem rook naar warme melk.
Op zaterdagen bleef ik bij Helena slapen. Haar ouders werden nooit wakker als we laat thuiskwamen. Ze sliepen vast en diep want ze waren gelukkig. Helena had haar weg gevonden. Als ik bij hen was kookten ze voedzame maaltijden en op zondag namen ze ons mee naar een museum of het drielandenpunt. Haar moeder was de liefste vrouw die ik gekend heb en haar vader schepte heel secuur de drollen uit het grijze zand wanneer hij de kattenbak proper maakte, alsof hij dinosaurusbotten opgroef. Ik wilde alleen maar daar zijn.

Helena gaf me haar hand. De zaklamp was zwak en scheen niet ver. Ik kon maar net de wanden van de gang onderscheiden. Voor me was het volkomen donker en achter me plakte Helena tegen me aan. Ik zei haar dat we gewoon rechtdoor zouden wandelen. Dat we de hoofdgang zouden volgen en dat we niet van het pad af zouden wijken.
Terwijl ik met mijn rechterhand de zaklamp naar de grond richtte, raakte Helena met haar linkerhand de muur aan. Om er zeker van te zijn dat we niet per ongeluk een andere gang in zouden gaan, scheen ik om de drie stappen op de rechterwand. De koude lucht hield ons waakzaam.
Later las ik dat mergelgrotten hun eigen microklimaat hebben. Terwijl de vallei telkens weer van gedaante verandert als de aarde opschuift op haar baan rond de zon, blijven haar grotten onveranderd. De temperatuur is er stabiel en schommelt het hele jaar tussen elf en twaalf graden. De droge luchtstroom verplaatst zich dag na dag aan een constante snelheid door de gangen. Het gesteente kreunt onder haar eigen gewicht, maar houdt stand zoals het dat al honderden jaren doet. Zelfs de dieren die ooit beschutting hebben gevonden in een van de gangen en er zijn gestorven, blijven zoals ze waren. In plaats van traag te ontbinden drogen de dode dassen, vossen en vogels in ijltempo uit. De tocht onttrekt het vocht haastig uit hun karkassen zodat ze niet eens de kans krijgen om te rotten. Ook na hun dood blijven ze nog lang deel uitmaken van de grot.
In ons vijfde jaar had de biologieleerkracht op een verloren vrijdagnamiddag plots een gemummificeerd mergellijkje van een steenmarter op haar lessenaar geplaatst. Het dier was verschrompeld en nogal amateuristisch op een sokkel bevestigd. Het had geen vacht meer en was zijn kraalogen kwijt. De nek zat in een kramp en het leek alsof de pootjes op het moment van zijn dood elk voor zich een andere kant op hadden willen spartelen. Iemand had de nageltjes met Tipp-ex gelakt.
Die nacht kon ik niet slapen. Ik maakte Helena wakker en zei dat ik de grot in wilde.

Het was er koud. De eindeloze zomer had ons weerloos gemaakt. We zagen bijna niets, hoorden kleine dingen dichtbij en verder weg, voelden diertjes in onze haren en op onze huid. Niet veel later las ik dat de meeste grotten bewoond worden door troglofielen, kleine grottenminnende wezens in de vorm van spinnen, veelpotigen en witte salamandertjes.
Ik was kalm, maar Helena’s ademhaling en hartslag gingen alsmaar sneller. We zeiden niets tot we aan een grotere kruising kwamen. De hoofdgang werd recht op recht doorkruist door een gang van ongeveer dezelfde breedte. We stopten in het midden. Ik wilde verder, maar Helena bleef staan. Mijn hand gleed uit de hare. Ze zei mijn naam. Ik draaide me om en hield de zaklamp tussen ons in.
‘Wat scheelt er toch met jou?’
Haar stem trilde en was hoger dan normaal.
‘Ben je ziek ofzo?’
Ze had tranen in haar ogen.
‘Antwoord dan!’
Ze was bang en kreeg het benauwd. Ik raakte haar schouder aan, maar ze duwde me van zich af. Ze riep dat ik met mijn gore poten van haar lijf moest blijven. Dat ze gewoon uit die stomme grot wilde. Helena trok de zaklamp uit mijn hand en liet hem kapot vallen op de grond. Ik hoorde haar hijgen in het donker, voelde haar adem op mijn gezicht.
‘Je bent een vieze gluurder. Niemand gaat je ooit nog willen.’

Die zomer had Helena voor de eerste keer seks gehad. Na een nacht in het jeugdhuis fietsten we samen met Daan dronken over de meanderende paden langs de Maas en bleven we bij haar slapen.
Daan en Helena hadden honger en deelden een diepvriespizza in de keuken voor ze naar bed gingen. Ik ging voor hen naar boven en verstopte me in de kleine inloopkast op Helena’s slaapkamer. De deur liet ik op een kier. Ik deed mijn ogen dicht en dacht een tijdje aan Daan en aan Helena en aan hun naakte lichamen. Nog voor ze de kamer in kwamen viel ik in slaap.
Wanneer ik die ochtend wakker werd rook het naar drank en roest in de kleine kast. Mijn benen plakten en er zat een donkerrode ronde vlek op het tapijt, de randen uitgehard, het midden nog nat. Ik dopte mijn vinger in mijn bloed en proefde ervan, veegde hem schoon aan de wollen mat en kroop de kamer uit.
Daarna begon Helena zich anders te gedragen. De veranderingen waren eerst subtiel, haast onzichtbaar, maar dag na dag werden haar bewegingen een beetje bitser, haar opmerkingen bijtender. Wanneer ik de mensen en de dingen om ons heen beschreef, begon ze plots haar wenkbrauwen te fronsen, alsmaar harder. De dikke blauwe ader op haar hals trok niet meer weg.
De dag voordat we de grot in gingen zei ze dat we op de universiteit elk onze eigen weg zouden gaan. Het speet haar verschrikkelijk, maar het was beter voor ons allebei. Ik zei dat ik haar begreep.

In het pikkedonker bleven we een tijdje tegenover elkaar staan. Helena’s ademhaling vertraagde. Ze begon te snikken. Ik voelde dat haar vingers de mijne zochten. Ik omhelsde haar, streelde haar haar en haar huid.
Fluisterde zachtjes ‘tot ziens’ in haar oor.
Liet haar los, zette een stap opzij.
Mijn hand vond de wand. Ik ging gewoon rechtdoor, in de richting vanwaar we waren gekomen. Helena begon te panikeren. Ze schreeuwde dat ik haar niet mocht achterlaten, maar ik ging gewoon rechtdoor. Dat ze niet wist welke kant op te gaan. Haar geschreeuw veranderde in een gehuil en dan in een gesnik en dan in niets meer.
Toen ik de grot uit kwam stond de zon nog hoog. Ik warmde me op en ging naar huis.

Die avond stonden Helena’s ouders aan onze deur. Terwijl ik uitlegde wat er gebeurd was, keek ik gebiologeerd naar de grimassen die met elke zin die uit mijn mond kwam dieper in hun gezichten zonken.
Een zoekteam ging diezelfde avond nog ondergronds. Met lampen van honderden lumen ontwrichtten ze in een nanoseconde het kleine leven in de grot, maar van Helena vonden ze geen spoor. Mij bekeken ze met achterdocht.
Toen ik weken later voor de zoveelste keer vertelde dat we gewoon rechtdoor waren gelopen, zei een onderzoekster dat dat niet kon. Ze zei dat de kalksteengroeve opnieuw in kaart was gebracht. Dat het stelsel veel groter bleek te zijn dan iemand ooit ergens genoteerd had. De hoofdgang vertakte zich al snel en ontplooide zich tot een doolhof met honderden splitsingen en kruispunten en doodlopende paden. Speleologen en mergelgrotdeskundigen zaten met de handen in het haar. Met meetlinten, lasers en kompassen hadden ze zo goed mogelijk geprobeerd om de gangen van de grot te vatten, maar die lieten zich maar niet vertalen naar vlakke lijnen op papier. Helena werd nooit gevonden.
Het dorp sloot de grot daarna voorgoed af. Aan de ingang plaatsten ze een stalen poort en in de scheuren die ze hogerop de heuvel vonden goten ze beton.

Jaren later denk ik nog steeds aan het moment in de kast. Aan het verlangen in mijn eenzame lichaam net voor het in slaap viel. Wanneer ik mezelf aanraak beeld ik me in hoe ik Daan en Helena eindelijk seks zie hebben. Hoe hij na de daad naar haar borsten kijkt en zegt dat hij haar graag ziet.
Maar het liefst van al denk ik aan Helena. Zoals nu. Dan kijk ik naar haar. Dan zie ik hoe ze speciaal voor mij in een donker hoekje bewaard is gebleven. Hoe ze nog steeds is zoals ze was en altijd al deel uitmaakte van de grot. In mijn dromen lijkt ze in niets op de steenmarter. Ze is perfect en haar huid geeft licht.

***

Nena
De Keersmaecker (1991) woont in Vlaanderen. Ze schrijft korte verhalen en poëzie. Haar teksten verkennen de grenzen tussen wat echt is en wat niet. Haar werk werd nog niet eerder gepubliceerd. 

Miranda Litjens
tekent en schildert al heel wat jaartjes en dit heeft zo zijn invloed op haar manier van kijken en doen. Ze wordt er vooral heel blij van!

Reacties

Een reactie posten