Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

XVVDM september 2021




Tekening

Jaap Ferwerda
XVVDM september 2021

Beluister hier het onderstaande verhaal. 
Het wordt voorgelezen door Marc Graetz.


Bij ons thuis stond een beeldje vervaardigd uit duisternis. Als de conversatie over hel en verdoemenis, of de listen en lagen van den Boze ging, en dat gebeurde nogal eens, moest ik altijd aan dat beeldje denken. Het stelde een magere vrouw voor in een lang gewaad dat nog geen enkel bloot gaf, en met een zonderlinge hoofdtooi, die mijn vader altijd aanprees om het vakmanschap van de houtsnijder. Want ook daarover handelde de conversatie in mijn ouderlijk huis niet zelden, over Kunst. Natuurlijk wel alleen die met een hoofdletter K, want andere kunst was geen kunst, mijn vader was daar zeer stellig in. Iemand die een potlood kon hanteren was daarmee nog geen kunstenaar. Het draaide erom of hij het Hogere kon vastleggen - mijn vader sprak veel in kapitalen als het om het onstoffelijke ging - en of hij een Voortreffelijk Ambachtsman was. Alleen van Voortreffelijke Ambachtslieden viel Kunst te verwachten. Dit alles hoorde thuis onder het Welbehagen van de Heer. Wij moesten dan ook niet denken dat er bij ons iets anders over de drempel kwam. Elk siervoorwerp diende te worden beoordeeld op zijn Gehalte door iemand met Smaak, en dat was hij.
Het duistere beeldje stond op de schouw opgesteld tegen de achtergrond van een diep donkerrode fluwelen lap die mijn moeder smaakvol aan twee punten had bevestigd zodat hij in wijde plooien afhing. Tegen dit decor was het beeldje bijna onzichtbaar geworden; boven de schouw viel naar mijn gevoel een zwart gat in de wand, waarin rode vlammen een somber soort verlevendiging aanbrachten, niet ongelijk aan het portret van de hel dat mijn vader graag schetste. Van het beeldje van de vrouw waren alleen glimlichtjes te zien op de uitstekende delen. Die lichtjes vormden samen een gezichtje dat afwisselend dreinend, opdringerig, of wraakzuchtig stond. Ik bracht veel tijd door met het bestuderen van de gesteldheid in en om ons huishouden en het beeldje speelde daar een voorname rol in. Op dagen dat het wraakzucht uitstraalde was er weinig hoop en ging alles mis, ik had daar veel ervaring mee. De laatste tijd kwam dat vaak voor.
Wij hadden een matige relatie met de buren. Het waren oude mensen, Duifje en Uri Perlberger, en ik beschouwde ze als knorrig. Ze bewogen zich langzaam, allebei met een wandelstok, en kwamen alleen op straat voor een bezoek aan de kruidenier, die op de hoek zat. Als ik toevallig op straat speelde keken ze mij met donkere ogen aan en wachtten tot ik groette voordat zij zelf iets zeiden. Meer contact kwam niet in me op. Mijn vader daarentegen was af en toe bij hen te vinden en kwam dan opgetogen terug met mededelingen over de formidabele collectie Echte Kunst die die mensen hadden. Schilderijen, tekeningen, grafiek, allemaal prachtig ingelijst. Hij noemde daarbij namen die mij niets zeiden, maar hem tot grote vreugde stemden. Alleen de naam Toorop is mij om een bepaalde reden bijgebleven. Mijn moeder deed dan van tuttut en keek verheerlijkt, want ze zag graag dat mijn vader het naar zijn zin had.
Omdat de tijden zo waren ging de familie Perlberger verhuizen, maar een paar dagen voor hun vertrek kwam er een officier aan de deur. Ik speelde op de stoep en zag dat Duifje opendeed en totaal verstarde bij de aanblik van de lange Duitser. Het duurde enige tijd voordat zij zich weer kon bewegen en al die tijd hoorde ik hoe de officier haar vriendelijk toesprak. Tenslotte liet ze hem binnen. Die Duitsers waren zo kwaad nog niet, dacht ik bij mijzelf, en speelde verder. Ik had twee slakken gevonden die ik om het hardst liet kruipen. Ze begrepen er niet veel van, maar gaandeweg veranderde ik de spelregels waardoor de strijd toch ordelijk verliep. De Duitser werd een half uurtje later uitgelaten door Uri. Het viel me op dat Uri zich terughoudend gedroeg, hoewel de Duitser nog steeds de vriendelijkheid zelf was. Er werden geen handen geschud.
Ik werd binnengeroepen door mijn moeder want het was zaterdagmiddag en ik moest in bad. In de keuken werd de wasteil voor de helft gevuld met koud water waar ettelijke ketels water aan werden toegevoegd die op het stadsgasstel waren gekookt. Terwijl ik met mijn bootjes zat te spelen kwam mijn vader binnenstormen met het bericht dat die stomme Duitsers de kunstcollectie van de Perlbergers hadden meegenomen. Er was een auto komen voorrijden waar alles in gepropt was door een officier en een soldaat en ze waren vriendelijk wuivend weggereden, terwijl Uri in de deuropening stond. Hij had meteen gevraagd wat er gebeurd was en Uri had met een stalen gezicht gezegd dat hij alles verkocht had. Hij ging nu toch weg en hij kon al die rommel niet meenemen.
‘Rommel! zei hij,’ riep mijn vader. ‘Had hij het maar aan mij verkocht!’
‘Ach schat,’ zei mijn moeder, ‘daar hebben wij toch het geld niet voor.’
‘Janee, maar het ging ver onder de waarde,’ riep mijn vader. ‘Die stomme mof heeft er een koopje aan. O die prachtige Toorop!’
Daarop werd ik uit bad gehaald en gooide mijn vader de teil leeg.
In de dagen daarna werd er veel achter deuren gesmiespeld. Mijn vader verkeerde in hoge staat van agitatie, ook als hij niet smiespelde. Ik zag dat wel, want hij ijsbeerde meer dan normaal, met zijn handen op zijn rug, en af en toe hardop pratend tegen niemand. Dan stoof hij naar de keuken, deed de deur dicht en praatte op mijn moeder in, die er kennelijk anders over dacht. Op een morgen leek het pleit beslecht. Mijn vader zag er weer hoogst tevreden uit en mijn moeder erg ongelukkig. Hij zette zijn hoed op, boog zich naar haar over en gaf haar een kus.
‘Met Gods hulp zal ik dit er waratje wel goed van afbrengen vrouw,’ zei hij en mijn moeder slaakte een diepe zucht. Zij liet hem uit en ging bedrukt zitten kijken op de bank in de kamer met haar handen tussen haar knieën.
‘Wat is er mamma?’ vroeg ik.
‘Ach jongen,’ zuchtte ze, ‘je vader gaat naar de Duitsers.’ En daar bleef het bij. Ik ging in een hoekje zitten bedenken wat mijn vader bij de Duitsers ging doen. Hij zou misschien een uniform aan krijgen met van die mooie glanzende laarzen. Maar we liepen dan wel een risico dat de mensen hem rotmof zouden gaan noemen. Dat was minder.
Uren later kwam mijn vader terug met een pak gewikkeld in kranten onder zijn arm en een opgetogen glimlach op zijn gezicht.
‘Het is gelukt vrouw,’ riep hij al voor hij binnenkwam. In de huiskamer onthulde hij met sacrale gebaren de inhoud van het pak. Langzaam werd de ene krant na de andere afgepeld. Intussen keek hij naar het gezicht van mijn moeder om te zien of daarop al enige blijdschap was af te lezen. Maar mijn moeder bleef een zorgelijke frons houden. Tenslotte vielen de laatste windselen en kwam er een zwarthouten lijst aan het licht met een tekening in passepartout achter glas.
‘En?’ riep mijn vader triomfantelijk. ‘De Toorop! De Toorop zelf! Vijfenzeventig gulden! Vind je hem niet prachtig?’ De tekening stelde een meisje voor dat aan tafel in een lijvig plaatjesboek zat te bladeren. Achter haar was behang te zien versierd met grote gestileerde bloemen, en een soort dienblad met in het midden...
‘Kijk pappa,’ riep ik, ‘dat is de ster van meneer en mevrouw Perlberger.’ Ik zag dat hij een beetje schrok, ook mijn moeder vertrok haar gezicht even, maar boog zich bewonderend over de tekening.
‘Hij is wel mooi man,’ zei ze. ‘Maar toch, vijfenzeventig gulden...’
‘Welnee!’ riep mijn vader, ‘hij is wel tien keer zoveel waard! Eerst wilde die Duitser niet eens toegeven dat hij die kunst had. Hij loodste me snel mee naar een zijkamertje. Ik geloof dat de anderen er niet van mochten weten. En in dat kamertje nam hij me van hoofd tot voeten op, alsof hij dacht: Wat moet je nou, sloeber? Maar toen ik over die Toorop begon keek hij plotseling op, zo van: die man heeft er verstand van. En toen gedroeg hij zich heel anders, bood me een kop koffie aan, heerlijke koffie moet ik zeggen, en toen zei hij: Doet u maar eens een bod, alles op z’n Duits hè, maar ik redde me prima. En toen zei ik: Nee, eerst wil ik hem van dichtbij zien, of er niks aan mankeert en zo. Ik ben niet gek. Dat zei ik er niet bij, maar dat had hij al begrepen. Ik voelde me ook heel veilig in de zekerheid van het geloof.’
Middenin zijn verhaal klonk er lawaai van buiten. Er stopte een vrachtauto voor de deur en er werd geroepen in het Nederlands en het Duits. Ik liep naar het raam en zei: ‘Meneer en mevrouw Perlberger gaan met de verhuiswagen mee! Ik ga kijken.’ En ik liep naar buiten, gevolgd door mijn vader en moeder. De vrachtauto had een zeildoeken kap en bankjes langs de kanten, waarop al een tiental mannen, vrouwen en kinderen zaten, allemaal met zo’n ster op als de buren. Ik vond dat ze er niet blij uitzagen en ook dat de Duitsers die Uri en Duifje de laadbak in hielpen niet beleefd deden. Uri viel voorover tussen de benen van de mensen die er al zaten en de Duitsers keken niet of hij zich bezeerd had. Even later reed de vrachtwagen weg. Wij stonden op de stoep en wuifden, en onze oude buren wuifden terug.
Terug in de huiskamer was de feestelijke stemming van mijn vader verdwenen. De tekening werd tegen de muur gezet en mijn moeder ruimde de verpakking op. Pas na het avondeten legde mijn vader het kunstwerk weer op tafel en zei bewonderend:
‘Moet je die lijnvoering eens zien! Toorop, dat was pas een Kunstenaar! En een Ambachtsman hè, vergeet dat niet.’ Hij glimlachte vergenoegd en zei: ‘Ik moest natuurlijk zwaar afdingen bij die Duitser, maar ik gaf geen krimp. Hij zag wel dat ik niet gemakkelijk ben.’
‘Ik denk,’ zei hij even later, ‘dat dit Charley voorstelt.’ En op de vragende blik van mijn moeder: ‘Charley, dat is de dochter van Jan, die is zelf ook gaan schilderen, maar wat groffer dan haar vader. Ik weet niet of je dat wel Kunst kunt noemen.’ Hij liet een tijdje zijn blikken over de tekening dwalen en zei: ‘Ik ben benieuwd of er nog iets achterop staat. Vaak gebruiken die Kunstenaars een blad aan twee kanten hè. Ze zijn arm en dan moeten ze wel. Nooddruft bepaalt vaak het Kunstenaarschap. Van Gogh, Rembrandt...’
Met een schroevendraaier lichtte hij de nietjes, waarmee het karton aan de achterkant op de lijst was vastgezet, er een voor een uit, op zijn gemak om het genot zo lang mogelijk te rekken. Mijn moeder en ik keken gespannen toe. Toen het karton eenmaal verwijderd was bleek er nog een dik papier ter bescherming van de tekening te zijn aangebracht. Ook dat werd door mijn vader verwijderd en toen zagen we dan eindelijk de achterkant van de tekening. Die was bedrukt met een breipatroon.
‘Ach,’ zei mijn moeder, ‘wat schattig, een babypakje!’ Maar mijn vader werd zo bleek als zeep. Hij kneep zijn lippen op elkaar, ademde zwaar door zijn neus en sperde zijn ogen wijdopen.
‘Bedrog!’ riep hij en het klonk of hij ging huilen.
‘Maar het is toch Voortreffelijk Ambachtelijk werk,’ sprak mijn moeder bedremmeld. ‘Nee!’ kreet mijn vader. ‘Het is niks! Het is rommel! Het is drukwerk! Het is een re-pro-duc-tie! Ik ben besodemieterd! Het zijn die rotmoffen! Het zijn die rotjoden! Gooooodverdomme!’
Dit laatste was een woord dat ik nog nooit eerder gehoord had, maar ik begreep dat het erg was, want mijn moeder sloeg een hand voor haar mond en riep:
‘Man toch!’
En daarop barstte mijn vader inderdaad in huilen uit.

De volgende dag ging hij naar de ambachtsschool die was gevorderd als kazerne en ik moest mee aan het handje, ik vermoed als zachtmaker. Hij vroeg belet bij de Duitser en werd toegelaten. Hij stak zijn verhaal af en wilde zijn geld terug, maar de Duitser moest alleen maar lachen. Wij gingen weer naar huis en mijn vader zei tegen mijn moeder:
‘Hij zei: Sie hätten besser hinschauen sollen. Es war doch ganz klar Mensch.’ Hij ging aan tafel zitten met zijn hoofd in zijn handen en keek star voor zich uit, af en toe mompelend:
‘Vijfenzeventig gulden, vijfenzeventig gulden...’
Mijn moeder waagde zich niet in zijn nabijheid en hield zich de hele dag op in de keuken. Pas tegen de avond kwam hij weer in beweging. Hij stond op, pakte het zwarte beeldje van de schoorsteenmantel en begon ermee op de lijst met het kunstwerk in te hakken tot de splinters hem om de oren vlogen. Zowel de lijst als het beeldje werden geheel vernietigd. Toen ging hij hijgend zitten en zei:
‘Zo denken wij hier over de Kunst.’

Jaap Ferwerda woont in Arnhem en is leraar Engels en CKV. Hij heeft twee zoons en vijf kleindochters. Hij schrijft korte verhalen en gedichten en is eerder gepubliceerd in Tirade (DBNL), De Tweede Ronde(DBNL), Gierik/NVT en Gpunt. Hij bewondert Nabokov, Günter Grass, Van Zomeren, Achterberg, Vroman, Wigman.

Reacties

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!