Doorgaan naar hoofdcontent

November 2021



Winnaar november 2021




Slotakkoord

Piet Post

 

Hij houdt van de zorgvuldigheid waarmee de oude toneelknecht, met die ene ontbrekende stoel voor een altviool hoog boven zijn hoofd, over het podium loopt: tussen de gereedstaande instrumenten manoeuvrerend, ondertussen elke aanraking vermijdend in het besef dat een beschadiging licht veroorzaakt is. De meeste muzikanten zitten al, zich concentrerend op het laatste stuk van het concert, nog even die lastige passage doornemen, droog desnoods. Achter hem komen de laatsten door de gang voorbij. Hij hoort ze keuvelen en kwetteren, ook de pauze van een concert kan vol muziek zijn. Wat ze zeggen, weet hij niet, ook na al die jaren is zijn kennis van het Nederlands beperkt gebleven tot wat beleefdheden en een vloek, maar ongetwijfeld zullen er opmerkingen over hem bij zijn, dat hij nog altijd goed is, ondanks zijn leeftijd, dat soort dingen. Hem spreekt niemand aan, ze kennen hem, kort voor aanvang geen afleiding. Zo kan hij hier rustig staan in de schemer van de coulissen, ongestoord, een kop koffie in de hand, die hem door diezelfde toneelknecht is aangereikt, zich al glurend voorbereidend op het laatste concert van zijn laatste Europese serie. Haar ziet hij nog niet. Ze zal schuilgaan achter de andere cellisten.

Het wordt stil nu, de stemmen zwijgen en ook de instrumenten verstommen. De concertmeester, een jonge man nog, anderhalve contrabas lang en dun als een klarinet, verheft zich en laat de hoboïst opstaan voor het stemmen. Hier en daar wordt nog een snaar aangedraaid, de paukenist houdt nog eenmaal zijn oor boven zijn instrument. “Succes meneer,” fluistert de toneelknecht die naast hem is komen staan om het lege kopje aan te pakken. Hij recht zijn rug en zet die laatste stappen naar het licht. Het applaus dat van de volgepakte rijen klatert, is welgemeend, in dit land heeft men altijd van hem gehouden. Hij buigt naar het publiek, het klappen sterft weg als hij zich omdraait naar het gereed zittend orkest en de bok bestijgt.

Als hij zijn baton hief, begon het muziekstuk, zo is het jarenlang geweest. Nu hij oud is, heeft hij dat teruggebracht tot een handgebaar. Wat is het verschil: een fraai bewerkt stokje van twintig centimeter of een wijsvinger? In lengte weinig en in effect al helemaal niet. Alle orkestleden zijn gespitst op zijn beweging, wachten op de eerste inzet. Daarom, toen een recensent hem benoemde tot de man van het kleine gebaar, nu al weer bijna twintig jaar geleden, heeft hij het dirigeerstokje voorgoed in de kleine foedraal gelaten. Zonder gaat het even goed.

Eigenlijk is dit het mooiste moment van het muziekstuk, bedenkt hij voor de zoveelste keer, die laatste tellen voor aanvang, voordat het eerste geluid van een instrument klinken zal. De concentratie bij alle leden van het orkest is bijna voelbaar als een trilling op het podium. Achter hem, in de weer uitverkochte zaal, is daarvan het pendant te merken. Wie nu hoest wordt bijkans gevierendeeld. De drukte van de pauze is verstomd, de glazen en kopjes achtergelaten in de foyer waar het personeel weet dat niet meer met serviesgoed gelopen mag worden in de gangen als de rode lichten branden. Hierbinnen in de zaal is elk gespreksonderwerp afgerond of tenminste geparkeerd tot na de voorstelling. Eén stuk nog, weet men, de symfonie die hem ook in dit land beroemd gemaakt heeft als hoogtepunt in het werk van die ene componist die zijn broer had kunnen zijn. En nu het de laatste keer is dat hij de oceaan is over gestoken om hier in deze beroemde zaal te dirigeren, stond van te voren vast waarmee dat laatste concert besloten zou worden. Hoe vaak heeft hij het gedirigeerd? Honderd, tweehonderd keer misschien? Het woont in hem zoals het bloed in zijn aderen, de hartslag in zijn borst volgt het ritme van dit werk. Straks, als de fagot de eerste klanken ten gehore brengt, volgen zijn gebaren de noten die de gebaren volgen. Alsof de muziek uit zijn vingers komt. Na dat eerste signaal met zijn vinger ademt hij het stuk in en uit tot de laatste klanken zijn weggestorven.

Intens wordt de stilte nu, hij wacht nog heel even, laat zijn blik nog een keer gaan over het orkest, allen klaar voor dit meesterwerk, de instrumenten gestemd, de speelspanning in de borst, zich bewust van deze bijzondere gelegenheid. Met velen van hen heeft hij eerder gemusiceerd, jaarlijks kwam hij immers wel voor een paar concerten naar dit koude natte land en dat een paar decennia lang. Hij heeft nieuwe instrumentalisten zien komen, oude zien gaan. Hij heeft violistes grijs zien worden, trombonisten kaal. Hij heeft verliefdheden zien opbloeien in dit ensemble, bliksemflitsen van de celli naar het koper en weer terug, en ook weer zien eindigen, andere flitsen derhalve, maar ook heen en terug, smartelijk soms. Tot die keer dat hij zelf onderwerp werd van die flitsen, object zowel als subject, de goede waarnemers in het orkest zullen het gezien, gemerkt hebben, hoe goed zij beiden zelf ook hun gevoelens trachtten te verbergen. Zij, nieuw bij de cellisten, had hij ook zien komen. Maar niet zien gaan, gebleven was ze, al die jaren door, net als hij. En al die tijd, vanaf de eerste kennismaking, was er die spanning tussen hen geweest, opwindend in het algemeen, af en toe pijnlijk vanwege het naderend gedag, altijd weer onvermijdelijk. Hij herinnert zich de eerste handdruk, haar ogen neergeslagen, kort tevoren nog worstelend in de eenpersoonsstudio’s van het conservatorium en nu ineens oog in oog met een van de grootste dirigenten van het concertpodium, hij op zijn beurt getroffen door haar verschijning, geraffineerd en eenvoudig in dezelfde tel. Die eerste ontmoeting, hoe kort ook, was de opmaat geweest naar een samenspel dat al die jaren duren zou, zij destijds nog samen met Andries, een door granaatsplinters verlamde veteraan, hij met Liz, beiden loyaal aan hun partner als oude zwanen, maar niet bij machte weerstand te bieden aan wat tussen noten en tonen kwam aangezweefd maar evenmin doldriest genoeg om die trillingen te verzilveren. Hij herinnert zich van dat eerste jaar een etentje met een kleine groep, afsluiting van de concertreeks. Er was toen minstens een die de flitsen zag, een hand op zijn arm bij de toiletten, pas op, weet wat je doet, ze is getrouwd en jij ook, hij quasi verontwaardigd, zogenaamd niets begrijpend en alles ontkennend, maar tegen de blik van die ander, hoofd van het impresariaat, was niets bestand, het was de blik van iemand die alles gezien had en doorgrond, de blik van iemand die wíst. Hij had zich bedwongen die keer, maar een paar maanden later, bij de volgende Europese tournee, was het tot een rendez-vous gekomen in zijn hotel, hij zijn jacquet nog aan, zij in de stemmig zwarte japon die zij tijdens het concert had gedragen. Aan die ontmoeting terugdenkend, komen hem geen gespreksonderwerpen voor de geest. Misschien zou dat mooi zijn, om nu te kunnen zeggen dat zij gesproken hadden, dat zij elkaars levens hadden verkend die eerste keer, meningen en opvattingen hadden uitgewisseld, elkaars nieren hadden geproefd. Maar niets van dat alles, ruisende zijde herinnert hij zich en een knoop die van een overhemd springt, onhandig gedoe met lakens, met hunkerende handen de verkenning van een vrouwenlichaam dat evenzeer verlangt. Pas na afloop kwamen er woorden bij, kleine, gefluisterde woorden, voorzichtig, schuldig maar opgetogen ook omdat het nu eenmaal zo moest gaan, omdat dit onontkoombaar was, omdat zij het was, omdat hij het was.

Hij vraagt om aandacht, de beide wijsvingers als in een vermaning opgestoken. Dan is er zijn eerste wenk. De fagot sleept hem als altijd het stuk in, intens en zwaarmoedig. Na die eerste tonen sluit hij zijn ogen, heel even niets zien nu, alleen horen. Hij zweeft mee op de klanken van het orkest, een dwarsfluit heeft het hoogste woord. Spanning bouwt zich op, met zijn handen horizontaal maakt hij een neerwaartse beweging alsof hij ook die laatste klank wegdrukken wil. Heel zacht klinkt nog de klarinet tot ook dat geluid een tel wegsterft, de stilte waarin het hele orkest onhoorbaar ademhaalt om het volgende moment uit te barsten in een schril fortissimo-akkoord. De toon is gezet.

Sommige relaties starten als een aarzelende beek die zijn weg nog lijkt te zoeken, andere als een krachtige stroom, naar zee nu, naar zee! Die van hen begon als een stortvloed op een punt waar onverhoeds de wereld eindigt en zich een afgrond opent. Dit deel van de symfonie, het woeste akkoord, de kwetsbare aanloop ernaartoe, die ene tel rust en dan die ontlading en meteen daarna de krachtige doorwerking van het thema, zou de perfecte soundtrack zijn geweest bij hun eerste ontmoeting á deux.

Het eerste woord na die woeste vrijpartij was een verontschuldiging, van hem én van haar. Dit had niet moeten gebeuren, had nooit mogen gebeuren, alsof de een de ander tot iets gedwongen had, de ander zich aan de een had vergrepen. Pas later had hij dat stereofonisch excuus begrepen. Voor haar was er de gedachte aan haar zwaar gehandicapte man die zij voor de eerste keer bedrogen had, de man waar zij zielsveel van hield en die zij voor niets of niemand wilde verlaten. Die had zij nu toch bedrogen in de storm van haar passie. En voor hem was het vreemd genoeg niet veel anders. Ook zijn partner was tekort gedaan, beter gezegd, híj had haar tekort gedaan. En dat terwijl hij om niets of niemand meer gaf dan om haar, zijn Liz, al jaren geteisterd door MS, een ziekte die stapje voor stapje het beheer over haar lijf overnam. Pas achteraf, toen zij naast elkaar in het hotelbed zaten, het verfrommelde laken hoog opgetrokken alsof zij zich nu alsnog schaamden voor hun naaktheid, was dat er stukje bij beetje uitgekomen, dat zij beiden een lichamelijk beperkte partner hadden, dat zij beiden daarin de basis van hun leven en liefde ervoeren en dat zij beide daar ook niets aan wilden veranderen. En dat zij desondanks – huns ondanks – op elkaar gestuit waren, door een grillige wending van het lot.

Kan oneindigheid zichzelf verdubbelen, kun je tegelijk eindeloos veel houden van twee verschillende mensen? Nooit was het voor hem de vraag geweest of hij Liz zou verlaten, nooit voor haar de vraag of zij met een ander dan Andries iets zou beginnen. Toch was dit de start geweest voor hun verhouding, een beek die start als waterval, om zich daarna te voegen naar eerlang bestaande oevers.

Het was dus altijd bij die ene vrijpartij gebleven. Elke volgende ontmoeting, de honderden brieven (en later e-mails), de talloze telefoongesprekken, ze waren van elke vorm van lichamelijkheid gespeend, soulmates waren zij, geen bodymates. Allebei hadden zij soms overwogen hun partner deelgenoot te maken van deze bijzondere situatie, van de aanwezigheid van een zijspan dat het voertuig zelf alleen maar beter op koers houdt. Allebei hadden zij telkens weer besloten het niet te doen. Te kwetsbaar, te teer. Tussen hen was stilzwijgend afstemming gegroeid, zoals die alleen kan ontstaan tussen twee mensen die samen een bloedsomloop delen, tweelingen uit verschillende lijven.

Wat was het geweest al die tijd? Een romance of affaire kon je het niet noemen, een relatie met uitzicht op een vast dienstverband evenmin. Een liefde die eigenlijk vriendschap was, een vriendschap die geen liefde worden mocht? Een zindering had zij het genoemd, een permanente hunkering waarbij het hunkeren niet het voorstadium is van de vervulling van een verlangen, maar de vervulling zelf.

Het tweede deel begint, het allegro con grazia met zijn wals-karakter, zijn oude lijf danst mee op die opmerkelijke vijf achtste maat. Na het vrolijke en bijna opgeluchte begin, zakt de stemming toch weer in om naar het einde toe te vervallen in een sombere toon, er is geen uitzicht meer. Toch schemert ook daar de luchtigheid nog steeds door, de zon zit dicht achter de wolken.

Nu al weer bijna twintig jaar geleden was Liz gestorven, op een door haarzelf gekozen moment. De ziekte had haar ook de laatste waardigheid, de laatste levensvreugde ontnomen. De correspondentie had zich daarna nog geïntensiveerd, van zijn kant in elk geval. Geen dag ging voorbij of hij zocht contact met zijn celliste, al was het maar in een mail. Zodra hij na het concert op zijn hotelkamer was, klapte hij de laptop open om verder te gaan met het fascinerende gesprek dat zij nu al jaren voerden. Na de dood van haar man, nu een jaar geleden, waren ook haar berichten langer en veelvuldiger geworden. Natuurlijk was toen bij hem opgekomen dat zij nu, zij de zestig voorbij, hij zelfs bijna tachtig, voor een andere vorm zouden kunnen kiezen maar hij had er niet over durven beginnen. Hoe lang duurt rouw als je iemand eindeloos liefhebt? In de jaren daarvoor had hij wel eens een balletje opgeworpen, maar altijd had zij zijn vraag onbeantwoord gelaten.

Als de wals het einde nadert houden fagotten en pauken hardnekkig dezelfde toon aan, de D, een orgelpunt. Zo was al die tijd hun relatie voor hem geweest, het bewustzijn dat ze van elkaar waren, voor een stukje althans, onlosmakelijk verbonden, zij het niet permanent en niet alle dagen door. De grondtoon in zijn bestaan, een orgelpunt inderdaad, dat in een muziekstuk start als basisklank van de harmonie, maar gaandeweg ook een dissonant kan worden als omringende instrumenten naar een andere toon zijn gegaan. Na een hoestpauze laat hij het derde deel aan zijn handen ontspruiten.

Tot vorige week, toen hij haar bij de aanvang van deze slotserie had ontmoet, voor het eerst in maanden weer van gezicht tot gezicht, een tastend gebaar, een trillende kus, oude lippen die hun kracht hebben verloren maar niet hun warmte. Zij was niet afwijzend geweest maar ook niet toeschietelijk, aarzeling had hij gezien en het bedachtzaam afwenden van haar gezicht. Of ze er tenminste over wilde denken, had hij gevraagd toen hij haar de enveloppe met het ticket had toegestoken, maar de beweging van haar hoofd was nauwelijks als ja knikken te duiden geweest. En hij kende haar bezwaren, de kinderen in Nederland, een kleinkind op komst. Op die leeftijd is zo’n stap te groot voor broze benen.

De symfonie nadert zijn einde, de Pathetische, aanduiding waarvan de componist zelf niet weten wilde, voor hem was het gewoon nummer 6, zijn laatste. Het glas water uit de Newa is weer gedronken, al dan niet met bewuste bedoelingen, het leed wordt weer geleden. Van dit vierde deel heeft hij altijd gedacht dat de componist het als apart werk gemaakt heeft, op een druilerige avond, waarop een afspraak niet op kwam dagen, muziek als een drenzende regen, een laatste oprisping van al het geweld van de eerste drie delen waarna de strijkers het mogen afronden. De trombones komen even voorbij, de hoorns, zelfs de bastuba doet een duit in het zakje. Het groot koper sombert nog even, tot ten slotte contrabassen en pauken een hartslag suggereren. Dan sterft het weg.

Het applaus gaat langs hem heen, hij is al met zijn gedachten op Schiphol. Niet veel tijd is er, zijn koffer staat klaar in de kleedkamer. Een haastige handdruk hier en daar, we gaan elkaar zien, natuurlijk. En dan weg, de symfonie doorgaand in zijn hoofd, onontkoombaar, niet te stoppen. Haar ziet hij nergens, zij zal zelf gaan, denkt hij.



Hij speurt tot het laatst de gang af, de rij van wachtenden is opgedroogd, iedereen heeft zijn bescheiden getoond en is de slurf naar het gereedstaande toestel ingegaan. De motoren draaien al lang, in de cockpit controleren de piloten nog één keer de lampjes en de lichtjes, de metertjes en de wijzertjes, het cabinepersoneel schuift met de trolleys met dranken.

Achter de balie begint de incheck-medewerker zijn spullen op te ruimen, af en toe naar hem kijkend, die lange, oude man met het vaag bekende gezicht. Was dat niet ooit een voetbaltrainer, een minister misschien?

Ten slotte neemt hij een besluit, beter gezegd, hij neemt zijn verlies. Met een haastig gebaar overhandigt hij zijn instappas die de man geroutineerd verwerkt, niet verbaasd, hoe vaak komt het niet voor dat een passagier tot het uiterste draalt. Vliegangst heeft vele vormen. Hij wenst de man een goede reis, ja, een minister, dat was het.

In de tunnel naar het toestel is de nachtlucht binnengedrongen, het is er even koud als buiten. Zijn stappen zijn zwaar plotseling, noodzakelijke stappen maar tegelijk nutteloos. Ze brengen hem verder af van waar hij zijn wil in plaats van dichterbij. Zijn schoenen dreunen in de aflopende slurf, een neergang is het, een afgang, denkt hij. Dit had het hoogtepunt moeten zijn, samen hadden zij hier moeten lopen, zij naast hem, verwachtingsvol, hij met een glimlach op de lippen die erin gebeiteld scheen, voor iedereen waarneembaar, niet het einde van een reis, maar het begin van een volgende, samen, eindelijk samen op reis.

De stewardess heet hem welkom, kijkt op zijn instappas en wijst het toestel in, allicht, zij zou hem terug moeten wijzen naar de tunnel, naar de vertrekhal, dat moest er nog bij komen. Ze zegt nog iets dat hij niet verstaat, trekt hem aan zijn mouw zelfs maar hij loopt door, verloren is het nu, niets maakt het meer uit, wat had zij kunnen zeggen wat er nog toe deed. Ze herhaalt het nog, hoort hij, en nu dringt het tot hem door. “Uw vrouw is er al,” zegt zij. Een misverstand. Hij heeft geen vrouw meer, hij is alleen. Deze reis door de nacht zal hij alleen maken, zonder gezelschap, hoe lang hij daar ook aan gewerkt heeft, hoe hij ook gehoopt heeft dat het eindelijk passen zou.

De plaats naast de zijne is al bezet, ziet hij, men heeft het ticket kennelijk opnieuw verkocht, zo werkt dat tegenwoordig. Zonder zijn jas zelfs maar uit te doen, laat hij zich neervallen in zijn stoel. Een paar tonen van de klarinet zweven door zijn hoofd, de fluisterende aanloop naar het fortissimo-akkoord. De tel stilte. En dan overluid haar stem naast hem, verbaasd maar bereid elke verklaring te aanvaarden als ultieme waarheid.

“Waar bleef je nou zo lang?”



Piet Post woont in Epe en laat zich bij het schrijven vooral inspireren door de natuur en door observaties van mensen. Hij had 10 jaar lang een column in het onderwijstijdschrift Van 12 tot 18. Ook publiceerde hij de roman Nabestaan.


***

8 november 2021


Beste schrijvers, hieronder vinden jullie de shortlist van november 2021.

Anders dan vorige maand staan er deze keer drie schrijvers op die we al eerder zijn tegengekomen en slechts twee nieuwelingen. Eén van de shortlisters is een oud-winnaar. Wie van deze vijf gaat het deze maand worden? Dat houden we nog even geheim.

Wat we jullie al wel kunnen verklappen is dat we deze maand ook een XVVDM-verhaal publiceren en dat dat eveneens afkomstig zal zijn van de shortlist. De reden voor deze keuze is dat we dit verhaal heel bijzonder en superspannend vonden, maar dat het net niet gewonnen heeft. De vijf shortlisters maken dus dubbel kans op publicatie.

We proberen het winnende en het XVVDM-verhaal op dezelfde dag (10 november) te publiceren, maar het is nog even afwachten of dat gaat lukken.

Terwijl jullie wachten op de uitkomst, willen we jullie nog graag een plaatje laten zien dat we gisteren tegenkwamen op internet. Het is een foto van een manuscript van één van de beroemdste boeken van de Europese literatuur: De Gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojevski. Schrijf jij ook zo wanordelijk? En natuurlijk de belangrijkste vraag: weet jij nog hoe de broers heten? (bonuspunten voor wie snapt waarom we deze vraag stellen, want die vraag is afkomstig uit een ander beroemd, veel moderner boek). 

De gebroeders Karamazov

Nou, dat was het voor vandaag. We hopen je hier de tiende terug te zien voor het winnende en het XVVDM-verhaal. 

Hartelijke groet,

-- Maarten van Verhaal van de Maand


Shortlist november 2021

Op volgorde van binnenkomst


Niels Landstra - Het onmogelijke verlangen
Koen Gubbels - Wounded Knee
Boris De Spinnemeule - Inslaande golven
Harlinde Bormans - Rennen voor je leven
Piet Post - Slotakkoord






***

4 november 2021

Beste schrijvers, hieronder presenteren we de longlist van november 2021.

Zoals gezegd zijn er deze maand 85 verhalen binnengekomen die we gelezen hebben (en nog aan het lezen zijn) met 13 juryleden.

Sta je er deze keer niet op? Geef je verhaal dan een nieuwe kans en stuur het op naar Literair Magazine In De Luie Stoel. De uitgever heeft ons gevraagd dat aan jullie mede te delen. Doen hoor!

Sta je er wel op? Van harte gefeliciteerd! Vanaf hier wordt het spannend. Op 8 november maken we de shortlist bekend.

In de tussentijd kun je misschien nog mooi een oud filmpje met wat schrijftips van Charles Bukowski bekijken. "Elke regel moet vol heerlijk sap zitten," zegt hij onder andere.

Tot 8 november! Hartelijke groet,

-- Maarten van Verhaal van de Maand



Longlist november 2021

Op volgorde van binnenkomst


Niels Landstra - Het onmogelijke verlangen
Hanneke de Hoog - Engelenhaar
Reinout Boers - Tess
Luc Vos - Niemand!
Marijcke Cauwe - Hebzucht
Koen Gubbels - Wounded Knee
Pieter Drift - Vergeet het niet, denk niet na
Julia Burggraaf - Wanneer blote huid verdwijnt
Nick Van Loy - De Wachter van Rubjer Knude Fyr
Vincent Felix - De val
Boris De Spinnemeule - Inslaande golven
Tony Coppo - Plastic Drugs
Hans Dubois - Ongelukkige vrijheid
Harlinde Bormans - Rennen voor je leven
Jaap Ferwerda - Elfstedentocht
Brian Lauret - Droomdrinker
Ralph Dassen - Leven zonder kunst
Ben Maratos - Tot wederziens: Bem-te-vi
Piet Post - Slotakkoord
Jurrian Kuit - Traditionele keuken

***

1 november 2021

Beste schrijvers, 

de deadline voor VvdM-november is verstreken. We hebben op de valreep nog ontzettend veel verhalen ontvangen dus de juryeden zijn de komende dagen erg druk.

Deze maand zijn er in totaal 85 verhalen binnen gekomen die we lezen met 13 juryleden. Van deze 85 verhalen zijn er 40 afkomstig van schrijvers die nog niet eerder met VvdM hebben meegedaan. Iets minder dan de helft dus.

4 november maken we de longlist bekend, tot dan!

-- Maarten van Verhaal van de Maand