Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

November 2022 #3

  


Het jurycommentaar van november vind je hier.

Derde plaats november 2022

Julians hut

Jasper Rebel

De woede die mij al maanden als een tweede huid had omgeven, strak en elastisch als een pak van latex waaruit ik maar niet kon ontsnappen, leek die ochtend voor het eerst verdwenen. Verbaasd spoelde ik een vieze beker om in de gootsteen die nog vol stond met halflege bierflesjes en afhaal chinees en terwijl de koffie uit het apparaat druppelde keek ik in de spiegel naar wat er van me was overgebleven: Diepe groeven droeg ik, waardoor het leek alsof mijn ogen zo zwaar waren dat ze een deel van mijn gezicht omlaag konden duwen. Nadat ik een plens water in mijn gezicht had gegooid, stapte ik naar buiten en liep het lange kronkelende pad af naar het donkerste deel van mijn tuin, daar waar het gras het liet afweten en meters hoge varens en bramenstruiken zich als ontembare beesten, koppig zowel in het zicht als ondergronds bleven vermenigvuldigen.

Al na enkele passen merkte ik dat de frisse lucht me goed deed alsof de lente niet alleen warmere lucht maar ook frisse energie had meegebracht en terwijl ik het tuinpad verder afliep, bedacht ik me met een glimlach op mijn gezicht dat vandaag niet alleen het einde zou zijn van een pijnlijk proces, maar vooral ook een nieuw begin.

Na een tiental meters lopen doemde de boomhut op: een enorme houten constructie die vastgeschroefd was tussen een oude es en een kaarsrechte spar en die als een kraanvogel met gespreide vleugels in de lucht hing. Hij leunde op een tweetal grote zware palen die gelijk vogelpoten diep in de zachte kleigrond waren ingegraven. Trots bekeek ik van een afstand het resultaat van deze monsterklus die op bijna gewelddadige wijze mijn dagen in zijn greep had genomen. Vandaag zou ik er de laatste hand aan leggen en daarna kon ik eindelijk weer terug naar mijn normale bestaan, zonder de afkeurende blikken van mijn buren die steeds maar stonden te kijken hoe ik met een broodtrommel en een fles om in te plassen omhoog klauterde, onhandig omdat het trappetje natuurlijk niet voor mij gebouwd was, maar precies was afgemeten op de lengte van mijn zoon, Julian. Nu was de tuin leeg, alsof het lijden de moeite van het bekijken waard was geweest, maar de triomf het best in stilte kon worden gevierd.

Toen ik recht tegenover het bouwwerk stond en mijn ogen liet wennen aan het licht, bekroop me echter een onheilspellend gevoel. Mijn opluchting maakte plaats voor een diep gevoelde ongerustheid en toen ineens zag ik het. Het was alsof iemand een touw om mijn nek had gedraaid en er met zijn volle gewicht aan was gaan hangen. Vol ongeloof keek ik naar wat gisteren een nagenoeg voltooid meesterwerk was geweest. In plaats van de kloeke draagconstructie die gisteren nog zo stoer en onoverwinnelijk had geleken, zag ik dat één van de dragende palen, een kolossale balk, onherstelbaar was beschadigd.

Hij stond in een knik, het hout was gespleten en de hut die nu nog maar op één poot leunde, dreigde elk moment met een hels kabaal en een grote stofwolk ineen te storten. Van de opgewektheid die mij die ochtend leek te hebben verlost van weer een zwaarmoedige dag, was nu niets meer over en ik voelde hoe een bekende intense, beklemmende woedde over me heen rolde en me in zijn bezit nam en me liet stampvoeten als een bijna uitgestorven dier. Ik vloekte en schold. Als de buren het konden horen, dan was dat terecht. Zij hadden niet al maanden elke ochtend de wekker gezet, zij hadden niet gemerkt hoe mijn doorgaans gave handen langzaam veranderd waren in ruwe werkinstrumenten! Er leek een hap uit de balk te zijn gehakt en overal zaten butsen, putten en barsten alsof een gedrogeerde otter de hele nacht los was gegaan op de paal die was ingesmeerd met vis, alsof zombies in een uiterste poging om zich te bevrijden uit de hel hadden gepoogd hun navelstreng door te bijten. In werkelijkheid moest dit zijn toegebracht door een bijl en wie anders kon daarvoor verantwoordelijk zijn dan mijn eigen buren. Was híj het geweest: mijn buurman die mij elke dag een boze blik toewierp met zijn wenkbrauwloze samengeknepen ogen terwijl hij dat veel te kleine brilletje steeds weer op zijn neus terugduwde? Ik beeldde mij in dat hij soms, als ik weer boven in de hut en veilig buiten zicht geklommen was, op de grond spuwde. Of was het mijn buurvrouw geweest, dat tengere vrouwtje dat altijd maar aan het vragen was? Vragen hoe het met me ging, of ik het wel volhield. Ze veinsde interesse in mij, in het donkere gat waar ik al maanden in zat en waar ik uit probeerde te kruipen door als een wildeman te klussen aan deze hut die aanvankelijk bedoeld was als een klein project: een paar weken samen met mijn zoon. Ik zou zagen en hij zou gaan lakken. Het project dat van weken in maanden over gegaan was, waarbij ik altijd probeerde zo precies mogelijk te werken zodat niemand last van me had. Zij stond dan onderaan de boom, nét aan haar kant van de heg te kijken en duimen te draaien. Ze hoopte dat het project zou mislukken, dat ik eindelijk in zou zien dat het bouwen van een boomhut voor een jongetje dat er nooit in zou kunnen klimmen een kansloos plan was.

Julian, die nu 8 jaar oud zou zijn geweest, was sinds zijn geboorte al onhandig. Zijn vriendjes zaten steevast bovenin een van de grote bomen langs het spoor te spelen, ze deden vogelgeluiden na en wie het hoogst kon klimmen was die dag de koning. Julian stond dan onderaan te kijken en gaf aanwijzingen. Zelf ging hij niet. Hij keek op tegen zijn vriendjes die zichzelf, lenig als kleine opgewonden aapjes, om een boomstam konden slingeren. Meerdere keren moest ik hem vanaf een laaghangende tak weer naar beneden tillen. Soms stond hij een hele ochtend alleen maar te kijken, zijn handen op zijn rug en zijn blonde haartjes nat van het zweet. Verlangend keek hij naar waar hij naar toe wilde, geduldig dat het hem nu nog niet lukte. Maar ooit wel. ‘Als ik straks 7 ben klim ik in één keer naar boven papa, ik heb de hele route al bedacht.’ Toen hij 7 werd probeerde hij het weer, maar ook nu moest ik hem halen. Een van zijn vriendjes was naar ons huis gekomen, had zijn fietsje tegen de schutting gegooid en had luidkeels om hulp geroepen. Eenmaal bij het spoor zag ik Julian zitten, op niet meer dan 1 meter hoogte met twee armen om een zijtak geslagen. Toen ik hem uit de boom had getild, klampte hij zich meer boos dan bang aan mij vast. Hij had de kracht niet, hij kon zijn benen niet omhoog gooien of zich aan zijn armen omhoog trekken. De rest van die middag bleef hij op zijn kamer en met zijn rug naar de deur keek hij naar buiten, naar de bomen achter in onze tuin. Toen het fietsen en zwemmen ook niet lukte waren we voor het eerst met een dokter gaan praten.

Ik keek naar de draagbalk die compleet verwoest was en stelde me voor hoe mijn buurman - ja hij moest het zijn geweest - ’s nachts naar de tuin gegaan was en over het pad vol nachtelijke slakken was gelopen, het ene na het andere beestje plettend met zijn laarzen en hoe hij de bijl uit mijn schuurtje had genomen om met een uiterste krachtsinspanning op de paal in te staan hakken. Ik zag helder voor me hoe hij bij een eerste slag misschien nog wel aan zijn kracht getwijfeld had en ik fantaseerde hoe het zweet in zijn ogen druppelde. Hij had vast dat kleine rotbrilletje af moeten doen om in zijn ogen te wrijven en daarna was hij als een wilde neushoorn op het hout in bijven beuken, om uiteindelijk tevreden te zien hoe de eerste scheur ontstond en hoe het hout langzaam begon te knikken, hoe de nerven als een zich voortplantende barst in een dun vloertje van ijs splijtten en hoe uiteindelijk het hout het begaf en de boomhut een aantal centimeter naar beneden kwam om nog nét op de andere poot te blijven rusten.

Toen we drie specialisten en meerdere scans verder waren werd duidelijk dat Julian nooit in een boom zou kunnen klimmen en dat het erger zou worden. Langzaam aan zou hij gaan merken dat zijn kracht afnam en dat hij geen tas meer kon dragen, hij zou niet meer zelf naar school kunnen lopen en binnen moeten blijven bij het speelkwartier, met zijn neus tegen het glas kijkend naar hoe zijn vriendjes renden en stoeiden en hoog in de bomen konden klimmen. Dan zou hij thuis blijven, op bed liggen lezen totdat zijn ziekte zich nog verder in zijn lichaam zou vreten, eerst in zijn zenuwen en dan in zijn spieren om tenslotte ook zijn wilskracht te breken. En dan nog werd het erger, veel erger totdat hij zo zwak zou zijn dat hij niet meer kon ademhalen. Na het nieuws van de kinderarts, zat ik weken aaneen verdwaasd aan de keukentafel, geen enkele positieve gedachte wist zijn weg naar binnen te vinden. De wereld, die ooit een speeltuin was geweest, stond definitief stil. Ik wilde het Julian zo graag vertellen, mijn angsten met hem delen en hem aan kunnen kijken in de volle wetenschap dat we voor altijd eerlijk tegen elkaar zouden zijn, maar ik deed het niet. In plaats daarvan ben ik begonnen met het bouwen van de hut. Julian zou door die hut alsnog tot boven in de bomen kunnen komen om daar naar de vogels te kijken, naar de beestjes en de blaadjes. Hij zou naar beneden kunnen roepen: ‘kijk papa hoe hoog ik ben!’ De boomhut moest er komen, achterin de tuin, tussen de oude es en de kaarsrechte spar.

Even deed de razernij in mij net alsof het plaats maakte voor wie ik eigenlijk was: een vader met verdriet. Ik ademde uit, zo diep uit en het verbaasde me hoe vol mijn longen waren geweest. Het moment van voltooing dat ik vanavond had willen vieren, waarmee ik eindelijk echt afscheid zou kunnen nemen van Julian, was afgeblazen en ik probeerde te beseffen wat dat betekende, terwijl mijn boosheid nog borrelde, zachtjes, vlak onder de oppervlakte. Ik hoorde de buren aan komen lopen over het grindpad van hun eigen tuin. Zij liep kordaat voorop, de handen vol goede moed uit de mauwen gestoken en ze nam geen blad voor de mond. ‘Johan, het gaat niet goed zo.’ Ik had deze mate van bemoeienis niet voelen aankomen. Ik ademde weer uit, maar nu lukte het niet meer en langzaam voelde ik me weer volstromen met een irrationeel verhit gevoel dat als een hete spuitende, allesvernietigende geiser via mijn poriën een weg naar buiten baande. ‘Natuurlijk gaat het niet goed met me’ antwoordde ik heftiger dan bedoeld. ‘Heb je gezien wat IEMAND met de hut gedaan heeft?’ In de stilte die zijn verbijsterde buurvrouw liet vallen stapte haar man naar voren. Hij vond moeizaam zijn woorden alsof hij zenuwachtig was. ‘Ik was in de tuin vannacht Johan, hier bij de hut.’ Terwijl hij sprak brandde het bloed in mijn ogen. Ik deed een stap in zijn richting en berekende de afstand tot de man, de heg was een obstakel, maar als ik vaart genoeg maakte zou ik er dwars doorheen kunnen springen. Ik had hem bij zijn nek kunnen grijpen en mijn handen om zijn hals kunnen wringen, zodat ik kon knijpen, knijpen totdat er niets meer te knijpen viel. Zijn vrouw zou er tussenkomen, maar ik kon haar hebben. ‘Johan’ zei de buurman nog een keer, terwijl hij zijn kleine brilletje verder op zijn neus schoof. ‘Zou je niet eens bij ons in de tuin komen zitten met een kop koffie, gewoon even rustig praten en vertellen hoe het met je is.’ Ik geloofde mijn oren niet. Hij, die mijn leven wilde ruïneren wilde daarna even rustig met koffie en koekjes alles bespreekbaar maken? ‘Ik ben vannacht wakker geworden van geschreeuw’ zei de buurman ‘en in mijn badjas en op mijn slippers ben ik gaan kijken Johan.’ Achter ons klonk nu een onheilspellend gekraak. We draaiden ons tegelijk om naar de hut. Even gebeurde er niets en was alles stil, alsof niet alleen de tijd maar ook de wil van het onvermijdelijke tot stand was gekomen. Toen zag ik hoe de tweede dragende paal langzaam naar buiten helde. De kromming in het hout leek het heel even te houden en bijna haalde ik opgelucht adem, maar de paal knapte. Met een luid geraas kwam de hut naar beneden en vielen de planken als kanonskogels op elkaar. In enkele seconden was mijn houten ziel en zaligheid veranderd in één groot mikado spel. Het voelde alsof mijn organen uit mijn buik gerukt waren en de leegte in mij was opgevuld met schaamte. Enige tijd stonden we naast elkaar en spraken niet. ‘Het is misschien ook wel goed zo Johan’ zei de buurman na een tijdje zachtjes. ’Nu kun je het afsluiten en verder gaan met je leven.’ Zwijgend liep hij terug naar zijn vrouw en samen liepen ze het pad af naar hun huis. Ze lieten me achter bij de ravage, zowel die van het hout van de hut, als die van de staat van mijn ziel. Verslagen ging ik op het gras zitten en keek naar mijn schoenen. Ze waren smeriger dan ooit. Ik deed ze uit en bekeek het profiel: tussen de zwarte pukkels van rubber zaten kleffe stukken slijmerig vlees; dode slakken en een nog levende die vast zat en probeerde los te komen.

Ik keek naar wat er van de hut geworden was: een stapel planken die niet meer door de liefde voor mijn zoon bijeen gehouden werd. Achter mij stond het huis waarin die ene kamer ongebruikt bleef, waar Julian’s spullen onaangeroerd waren blijven staan als een museum dat bezoekers weerde en waar zelfs de eigenaar er liever niet meer binnen kwam. Ik zat vast in mijn verdriet dat ik met niemand kon delen. Deze hut was niets anders dan een verdoving, uitstel gedrag om maar niet te hoeven inzien dat alles echt voorbij was. Ik moest een einde maken aan deze waanzin. De varens en de bramen zouden binnen enkele weken het hout overwoekeren, niets zou me meer doen denken aan de hut die er nooit gekomen was en ik kon mijzelf in de spiegel aankijken en het verdriet en het verlies eindelijk aanvaarden om vervolgens het huis op te ruimen, zijn spullen weg te geven en door te gaan met mijn eigen leven. Ik haalde diep adem en liet alles inzinken, via mijn ogen, naar mijn brein, naar de oudste kernen van de hersenen die verbanden kunnen leggen en langzaam daalde het besef in wat er was gebeurd. In mijn gedachten keerde ik terug naar afgelopen nacht en herinnerde me weer helder hoe ik het pad was afgelopen, dwars door de zee van slakken en had zelf uit het schuurtje de bijl gepakt. Ik voelde nu ook de pijn die ik in mijn armen had toen ik uithaalde, hoe ik al mijn kracht nodig had om de enorme balk te doen splijten en hoe ik mijn hand open had gehaald aan het staal toen ik hem los moest wrikken. En nu keek ik naar de puinhopen die ik zelf had veroorzaakt, verlamd als een insect dat al te lang aan een vliegenvel zat vastgeplakt. Tussen het gevallen hout en de zorgvuldig gezaagde planken lag een klein rond bordje. Ik stapte er naar toe en pakte het voorzichtig op. Het was vlak geschuurd totdat het hout zacht geworden was, gelakt en gebeitst zodat het elk weertype had kunnen weerstaan. Ik wreef er met mijn hand overheen en las de letters die zorgvuldig in het hout waren gesneden: “Julians hut”. Ik zakte door mijn knieën, en snikkend viel alles uit elkaar.

Na twee weken plannen, waarin ik steeds naar Julians ogen had gekeken, hoe ze glinsterden bij elke nieuwe bouwtekening die ik hem had laten zien, gingen de twee grote palen in de grond. Julian zat in een stoel in de schaduw te kijken en hij glimlachte van trots terwijl ik met een grote moker het hout de diepte in sloeg en waarbij elke klap resoneerde in zijn borstkas. Na een dag werk, stonden de palen fier overeind en in één keer was duidelijk hoe enorm groot en hoog de hut zou worden. Mijn zoon keek verlangend naar het bladerdak dat weer een stap dichterbij gekomen was, vol geloof in de goede afloop en vol vertrouwen in zijn vader. Na die dag was hij niet veel meer buiten geweest en meer en meer bleef hij in bed of lag hij onder twee rafelige paardendekens bij de open haard in het huis. Als ik binnenliep om te vragen hoe het met hem ging, probeerde hij een positief antwoord te geven, maar geloofwaardig was het niet. Hij ging al enige tijd niet meer naar school en zijn vriendjes die eerst nog huiswerk kwamen brengen en vrolijk vertelden over wat er die dag in de klas gebeurd was, bleven nu steeds vaker weg; Julian was zo dun en mager geworden dat ze eigenlijk niet meer naar binnen durfden. Overdag was ik buiten bezig met de hut en ’s avonds las ik hem voor, waarbij hij vaak al na enkele bladzijden in slaap viel. Toen ik op een vrijdag het huis binnenliep om hem een glas water te brengen, leek hij eigenlijk meer slapend dan wakker, zelfs als hij zijn ogen open had. Af en toe sprak hij een paar woorden, op andere momenten reageerde hij eigenlijk niet meer. Tenslotte was de dokter gekomen die mij met tranen in zijn ogen vertelde dat Julian langzaam weg zou zakken. Geneesmiddelen konden nu niet meer baten en ik zou rekening moeten houden met het ergste. Die nacht heb ik naast mijn zoon op de grond geslapen. Nooit meer mocht hij alleen zijn, mijn jongen, nog altijd die blonde haartjes en dat neusje dat omhoog wees. ‘Gaan we de boomhut nou niet meer afkrijgen papa?’ vroeg hij met een zachte stem, bijna onhoorbaar. Pas na minuten kon ik, durfde ik te antwoorden. Ik wilde niet dat hij mijn snik zou horen, ik wilde niet dat hij zou voelen dat ik het kwijt was, dat ik niet meer wist wat te zeggen, dat mijn leven kapot was; dat kwam daarna wel. Nu moest ik dappere papa zijn. ‘Natuurlijk wel’ zei ik nauwelijks verstaanbaar. Julian legde zijn hoofd achterover op het kussen, zijn neusje naar het plafond, zijn blonde haartjes plakkerig tegen zijn hoofdje aan. Zijn ogen waren gesloten en zijn ademhaling werd langzamer. ‘papa, ik voel dat ik klim’ zei hij zachtjes. ‘Ik zie de vogels en de takken. Ik ben boven, boven in de boom.’ Toen was het stil geworden in het huis, zo stil als het daar nu nog steeds was.

De zon was inmiddels verder geklommen en de warmte was voelbaar op mijn huid. Ik probeerde te besluiten hoe ik verder moest en ik zag mijzelf de spullen van mijn zoon opruimen en in een container gooien. Ik zag zijn lege kamer waarin ik een logeerbed zou zetten en ik voelde hoe de geur van mijn zoon langzaam uit de gordijnen zou vertrekken. Ik realiseerde me plots dat ik die geur, zonder zijn kamer, zonder zijn spullen niet meer zou kunnen oproepen. Even probeerde ik het en een paniek overviel me. Ik pakte het bord met de naam van de hut op, streelde het hout en realiseerde me toen pas ten volle dat ik er nog niet aan toe was om afscheid te nemen. Zo lang het bouwen voortduurde, die zoete lichamelijke kwelling waardoor ik ’s avonds al vroeg in slaap viel en ik nooit in stilte aan tafel hoefde te zitten om onder ogen te zien dat ik er alleen voor stond; zo lang ik werkte aan de boomhut was Julian er nog. Ook nu weer was het verstand hopeloos achtergebleven bij wat mijn lichaam al had geweten en direct had opgelost. Op mijn sokken liep ik naar de stapel hout en begon die te sorteren. Het voelde goed, de repeterende inspanning, waarbij mijn spieren me lieten voelen dat ik voortgang had geboekt. Binnen een uur lagen alle balken netjes op stapeltjes bij elkaar, precies op de plek waar ooit de boomhut voor schaduw had gezorgd. Van de woede die mij zo lang in zijn greep had gehouden, was nu niets meer over. Hij was weggenomen door een daad van agressie midden in de nacht, toen mijn lichaam het heft in handen had genomen. Met een rolmaat liep ik naar de oude es en de kaarsrechte spar en kalm, bijna sereen zwijgend zette ik streepjes op de boom. De nieuwe hut zou hoger worden, hoger dan de vorige. Het project zou me opslurpen en overnemen en voor het eerst voelde dat prima. Misschien, bedacht ik tevreden, kwam Julians hut wel nooit meer af.


Jasper Rebel is arts en beginnend schrijver. Hij was eerder verbonden aan cabaret gezelschap ‘Schering en Inslag’ waarmee hij o.a. in de finale stond van het Leids Cabaretfestival en een serie ultra korte films opnam voor SBS6. Als student publiceerde hij zijn eerste verhaal in het tijdschrift Babel en werd een gedicht van hem geplaatst in de uitgave ‘de week van het gedicht’. Daarna stortte Jasper zich op zijn medische carrière en bleef het even stil. Nu pakt hij de draad weer op. Hij publiceerde zijn eerste korte verhaal bij Revisor. Jasper is 43 jaar en woont en werkt in Amsterdam.

***

Reacties

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!