Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

Tweede plaats april 2023


De zin van mijn leven

- Frank van der Werff - illustratie: Mariken Maas -

Hij rolde er zo uit. Ik was halverwege een verhaal en liet zoals gewoonlijk mijn handen het werk doen. Achteloos. Ik zie een scene voor me en dan is het alsof mijn vingers als een oude ratelende telexmachine de gebeurtenissen vastleggen. Na de laatste alinea hoef ik het doorgaans alleen nog een keertje vluchtig na te lezen, hier en daar een zin in tweeën te knippen en een enkel kommaatje of uitroepteken te plaatsen. De laatste hand kun je tenslotte niet aan een paar kritiekloze tengels overlaten.

Zo ging het op deze zondagavond ook. Ik zat op de bank met mijn laptop op schoot en legde de gebeurtenis vast die zich in mijn hoofd afspeelde, zonder dat ik al een plot voor ogen had. Vaak volgde dat vanzelf. En anders kon ik het stukje misschien nog een keer inweven in één van mijn vele nog niet voltooide romans. Ik was nog even gestoord geweest door mijn broer, de archeoloog, die vanuit Houston belde om mij voor de zoveelste keer te vertellen hoe succesvol zijn onderzoek naar een oude cultuur in Midden-Amerika verliep. Om de flow waarin ik zat niet kwijt te raken had ik maar half naar zijn woorden geluisterd, het kort gehouden en voorgesteld het gesprek een andere keer voort te zetten. De twee personages in mijn verhaal zag ik voor mijn ogen bakkeleien. Een futiele maar heerlijke scène van een jong stel dat nu een half jaar samenwoonde met als inzet: achtergebleven kruimels op het aanrecht. Hij was de dader en zij degene die zich eraan stoorde. Net als gisteren, eergisteren en, nu ze erover nadacht: “Zolang we hier wonen en jij je brood op het aanrecht smeert.”
Vervolgens zei de mannelijke helft van het duo iets wat als een belediging door de ontvangster kon worden opgevat. Móest worden opgevat. Maar zonder dat hij erbij stilstond gaf hij haar daarmee een grandioze voorzet. Vergelijkbaar met een bal die in het zestienmetergebied door een verdediger zo slecht wordt geraakt dat hij precies voor de aanstormende spits belandt. Die alleen nog maar hoeft uit te halen. En dat deed zij dan ook verwoestend. Hangen! Lachend klapte ik in mijn handen. Lik op stuk!

Pas nadat ik de laatste punt onder het stuk had gezet, een slok wijn had genomen en mijn stoel iets naar achteren schoof om het nog eens rustig na te lezen, viel mijn blik op de zin. Het was alsof hij licht gaf te midden van die talloze andere regels. Op dát moment draaide er iets in mijn hoofd. Opwellend oogvocht troebleerde mijn blik. Ik voelde me vreemd en rook aan mijn glas, alsof daarin de oorzaak van mijn plotselinge duizeligheid te vinden was. Toen las ik de zin opnieuw, daarna de hele alinea en vervolgens zakte ik achterover terwijl ik naar het plafond staarde.

Zo moeten mensen zich voelen op het moment dat ze op televisie ook het allerlaatste getal van hun eigen lot zien verschijnen. Sommigen zullen gaan juichen en beginnen op hetzelfde moment in gedachten al met het uitgeven van de miljoenen van de zojuist gewonnen jackpot. Anderen zullen de tv rustig uitzetten, zichzelf een kopje thee inschenken en berustend achterover leunen in de wetenschap dat zijn of haar leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Terwijl het willen winnen de reden van het kopen van het lot is geweest, is dat winnen tegelijkertijd ook het moment om heel even terug te verlangen naar die paar minuten daarvoor, toen alles nog gewoon en overzichtelijk was.

Ondanks het feit dat de zondagavond al was overgegaan in de nacht en de meeste mensen met een druk en werkzaam leven hun nest vermoedelijk al hadden opgezocht, belde ik de uitgever met wie ik eerder die maand nog contact had gehad. Nadat ik driemaal mijn naam had gezegd, en hij tweemaal ‘Wíe?’ had geroepen, drong kennelijk tot hem door wie hij voor zich had. Nog voor ik de kans kreeg een verklaring te geven voor deze nachtelijke telefonische overval riep hij: ‘Al zet je een pistool op mijn hoofd. Ik doe niks met je manuscript. En zeker niet als je mij loopt te stalken. Je hebt het veel te hoog in je bol. Voor je eigen bestwil raad ik je aan op tijd te gaan slapen en misschien moet je stoppen met drinken.’
Ik kon mij niet herinneren dat we het tijdens ons gesprek over drankgewoontes hadden gehad. Mogelijk dacht hij dat ik mezelf moed ingedronken had, voordat ik hem ’s nachts lastig durfde te vallen.
‘Het gaat niet over het manuscript,’ zei ik zacht.
Er moet toch een vibratie of toon in mijn stem hebben gezeten die hem nieuwsgierig maakte, want na een korte stilte zei hij: ‘Het is niet de manier en zeker niet het moment maar vooruit, wat heb je op je lever?’

Ik was nog niet halverwege de zin toen hij riep: ‘Stop, stop!’
Hij klonk buiten adem. Het duurde heel even voor hij verder ging.
‘Sluit al je deuren en ramen. Ik stuur een taxi.’
Ik had geen raam openstaan en de enige deur waardoor de veredelde inloopkast, die ik mijn woning noemde, eventueel binnen te dringen zou zijn, zat op slot. Maar met dat te noemen kwam ik er niet vanaf.
‘Schuif iets voor je deur, zet je telefoon uit en praat met niemand. Je bent briljant!’
Na die laatste opmerking was ik op mijn hoede. In mijn poging mijn schrijverschap van de grond te tillen en daarin niet op te geven, had ik mijzelf regelmatig een goedkoop complimentje gegeven, maar met het ontvangen van applaus van derden had ik tot dusverre weinig ervaring. Sterker nog, ik had het moeten doen met woorden van dezelfde strekking als de commentaren die op mijn basisschoolrapporten onder de rubriek ‘lichamelijke opvoeding’ terugkeerden. Meestal iets als: ‘Hij doet in ieder geval zijn best.’ Laat staan dat het woord ‘briljant’ in combinatie met mijn eigen persoon mij ooit ter ore was gekomen.

De uitgever, die zich ineens mijn uitgever noemde, schoof mij die maandagochtend in de boardroom van zijn prachtige pand een de Herengracht een contract onder mijn neus, waarna hij achteroverleunend met zijn duimen de veerkracht van zijn bretels testte. Zijn naam kan ik hier niet noemen in verband met een later opgestelde geheimhoudingsovereenkomst. Wat ik wel kan zeggen is dat hij Nederland sinds kort de reputatie heeft even staalhard te zijn als zijn achternaam doet vermoeden, tegen mij was hij zacht als het Vlaamse stopwoordje waar zijn naam een afkorting van lijkt. In het contract keerden begrippen als ‘exclusief’ en ‘op straffe van’ meerdere malen terug. Het woord ‘lijfeigene’ had er ook niet in misstaan, maar ik verkeerde in een stemming alsof ik een cocktail van opiaten toegediend had gekregen. Met uitzicht over de gracht tekende ik blind zowel het contract als mijn lot.
Mijn uitgever bleek de eerdere bezwaren tegen het publiceren van mijn boek volledig te zijn vergeten. Hij stelde slechts één eis: ‘Die zin moet in dit boek!’ Daarbij timmerde hij met zijn wijsvinger op het verfomfaaide manuscript dat een medewerkster net voor mijn komst uit hun papiercontainer had weten te redden en waarop met een dikke rode stift een paginagroot kruis was aangebracht. Voor het geval ik slechthorend was of traag van begrip, riep hij nog een keer: ‘Die zin moet in dit boek!’
Met een glans in zijn ogen keek hij vervolgens richting de gracht, alsof hij elk moment een vlucht gebraden kippetjes door het openstaande raam verwachtte.

Een jonge redactrice werd mij als mijn vaste contactpersoon voorgesteld en ik mocht de zin oplezen in programma’s op radio en tv en in boekwinkels. De zin haalde alle serieuze kranten en het journaal, en op een feestje werd mij verteld dat onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die daar aanwezig bleek, persoonlijk naar mij op zoek was om enkele woorden en uiteraard de zin met mij te delen. In een boekenprogramma van de VPRO werd ondertussen fel gediscussieerd over de themavraag van die avond: ‘Zal literatuur ooit nog hetzelfde zijn na de zin?’ Voor- en tegenstanders sloegen elkaar verbaal de hersens in.

Mijn uitgever belde mij op een gegeven moment op met de mededeling: ‘Er ligt binnenkort een hele berg geld voor je deur.’ Daar voegde hij aan toe: ‘En dat is dan nog maar een voorschot.’
Om te voorkomen dat ik onverstandige investeringen zou doen met die berg geld die ik binnenkort voor mijn deur zou aantreffen, stelde mijn bank mij voor aan een vermogensbeheerder. Die adviseerde mij naast diverse ‘risicoloze’ financiële producten, om in Panama een paspoort en een bescheiden huis aan te schaffen, waar volgens zijn omschrijving de belasting niet zo crimineel was als bij ons. ‘Nul,’ fluisterde hij met zijn hand naast zijn mond en een ondeugende glimlach, terwijl hij zich naar mij toeboog.
‘Het hoeft niet meteen een kasteel te zijn,’ zei hij, ‘maar een kippenhok is ook overdreven.’
Ik kocht een huis met veranda waar desnoods een hele kippenfokkerij in paste en dat uitzicht bood op drie palmbomen en een gele muur met prikkeldraad. Tot zover het goede nieuws.

Roem en rijkdom wennen snel. Na twee maanden was ik dagelijks een halve ochtend bezig om de beursberichten te ontcijferen en bleek financieel onafhankelijk zijn ook een soort werk. Ik lunchte met mijn adviseur om verstandige investeringen in West-Afrika te bespreken, en niet te vergeten in Kazachstan. Een opkomende markt.
Rijkdom als werk, wie had dat ooit gedacht. Een rotbaantje. Ik kwam erachter dat als je eenmaal veel geld hebt, je in een soort kramp schiet, veroorzaakt door angst om een deel, of misschien wel alles te verliezen.
Ik begon te rekenen en besloot dat als ik al het overbodige zou weggeven, ik van dat wat restte, aangevuld met wat lezinkjes, interviews en het op de markt brengen van een nieuw boek over mijn avonturen sinds het publiceren van de zin, een redelijk comfortabel leven zou kunnen leiden. Maar dan zonder sores die te maken hebben met het bezit van (veel) geld. Ik maakte een enkel familielid blij, waaronder mijn broer, de archeoloog, die aan de andere kant van de oceaan binnenkort hoopte te promoveren en die ik een flink bedrag toekende. De goede doelen die ik daarnaast uitkoos, beloofden mijn naam te eren. Een stichting, die zesentachtig jaar de naam van de oprichter had gedragen, wisselde die na mijn gulle gift subiet om met die van mij.

Het noodlot sloeg toe toen er op een avond werd aangebeld. Ik was nog niet halverwege het eerste hoofdstuk van ‘De zin van mijn leven’ en zat nog te dimdammen over de chronologie van de gebeurtenissen. Beginnen met de zin en dan via terugblikken stapsgewijs daar weer bij terugkeren. Tegenover de mogelijkheid om gewoon de kalender te volgen, vanaf het moment dat ik van de mavo werd afgetrapt, om daarna met een grote boog uiteindelijk in het heden uit te komen. Bijvoorbeeld bij het moment waarop ik vrijwel al het overbodige had weggegeven.

Ik had inmiddels de gewoonte ontwikkeld om tijdens mijn schrijverij alles wat mij kon storen uit te schakelen. Mobiele telefoon, tv, radio. Maar mijn deurbel was nog zo’n veredelde mechanische fietsbel, dus toen die rinkelde, waarbij op hetzelfde moment op de deur werd geklopt, kon ik mijn rust wel vergeten en trok ik geïrriteerd de deur open.
Een bak licht verblindde mijn zicht en een vrouwenstem klonk ergens tussen al die lampen: ‘Wilt u een reactie op de beschuldigingen geven?’
Was ik eerder op de hoogte geweest van wat er speelde dan had ik rustig kunnen overdenken hoe met deze kwestie om te gaan. Dan had ik een evenwichtig antwoord kunnen formuleren, hierin tot op zekere hoogte begripvol meegaand met de verslaggeefster, één van de vele die zich voor mijn halletje verdrongen overigens. Een reactie waarin ik begrip zou tonen voor degenen die direct aan plagiaat zouden denken, maar dat, als je naar de feiten en omstandigheden zou kijken al snel duidelijk zou zijn dat hiervan geen enkele sprake was. Bepaalde uitvindingen zijn in de geschiedenis los van elkaar in verschillende culturen ontstaan, denk maar aan de baksteen.
En zo kan een tekst in de huidige westerse wereld door iemand worden bedacht, terwijl een vergelijkbare zin duizenden jaren geleden in Midden Amerika door inmiddels herontdekte culturen kan zijn gebruikt. Dat mijn zin toevallig door mij is gemunt, vrijwel op hetzelfde moment dat er ergens op een universiteit in de Verenigde Staten een handschrift van een vergeten volk ontcijferd werd, met precies diezelfde zin in een gravure op een stuk leisteen, was voor velen teveel toeval.
Dat ik scheldend de mensen voor mijn deur had weggeduwd deed de rest, terwijl dat uitsluitend was omdat ik er niet van hou om gestoord te worden tijdens mijn werk. Inmiddels hobby.

Het ging nog vlotter dan de snelheid waarmee ik het eerste deel van mijn vermogen eerder vrijwillig had afgestaan. Het contract met mijn, nu wel briesende uitgever werd door een rechter ontbonden, het voorschot in een bodemprocedure teruggeëist. De stichting die mijn naam had aangenomen werd opgeheven. Ik werd nog één keer uitgenodigd in een talkshow, waar het grootste deel van het publiek mij woedende blikken toewierp en de interviewer vroeg: ‘Zou het niet een stuk sportiever zijn wanneer je vertelt hoe het werkelijk zit?’

Ik tik deze woorden op één van de zes computers in de openbare ruimte van de plaatselijke bibliotheek. De gemeente waar ik haastig naartoe ben verhuisd, heeft mij naast een bijstandsuitkering een gratis bibliotheekkaart verstrekt en de mogelijkheid om deel te nemen aan een workshop voor mensen die de overgang naar de digitale wereld niet goed hebben kunnen bijbenen. Die overgang heb ik weliswaar niet gemist, maar het geeft mij tenminste de gelegenheid om van een computer gebruik te kunnen maken en nog één keer mijn verhaal te kunnen doen. Het verhaal dat u nu leest.
Verder geeft het mij mogelijkheid via mail contact met mijn broer te onderhouden. Hij is de enige van mijn familieleden die mij nog te woord wil staan en heeft mij nu al uitgenodigd voor zijn promotie binnenkort aan de Houston University waar hij zijn proefschrift zal verdedigen met als titel: ‘Een opmerkelijk geschrift van een verdwenen volk’.

***

Frank van der Werff 
(1965) heeft in 1990 een mediabureau opgezet gespecialiseerd in het realiseren van uitgaven voor de recreatiebranche en is daar nog steeds mede-eigenaar van. Hij heeft vele korte verhalen geschreven en hoopt dit jaar zijn eerste roman te voltooien.



Mariken Maas is als jonge maker gevestigd in Amsterdam waar ze afstudeert aan de Breitner academie. Naast het maken van educatief materiaal voor verschillende instanties is ze druk bezig met haar beeldende praktijk en haar baan in de thuiszorg waar ze ontzettend van geniet.

Reacties

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!