Van VvdM-winnaar Frans van Hilten is de tweede roman Alles Stroomt verschenen bij uitgeverij U2pi! Zie ook het artikel hieronder.

Winnaar februari 2024

 

Zintuig

 - Albert Huberts - illustratie: Cindy van Veldhoven -

Achab blijft plotseling staan, waardoor Kerim tegen hem aan botst. Wat nu weer?
    ‘Wat ruik ik? Ruik jij het ook?’ Achab wendt zich opgewonden naar hem. ‘Dit heb ik nog nooit geroken. Kom op, zoek!’ Hij prikt met zijn wandelstok in Kerims bovenlijf.
    Kerim kijkt om zich heen terwijl hij de lucht opsnuift. Ze zijn op een marktplein vol mensen die tegen hem aanduwen, schreeuwend koopwaar aanprijzen, huilende kinderen voorttrekken. Hoe kan hij hier een geur ontdekken? In tegenstelling tot Achab kan hij wél zien, waardoor hij minder op geuren let. Dan vangt hij een vlaag op van een zoete geur, nee niet zoet, een plantengeur, een vochtige aarde geur. Hij draait zich rond, totdat de geur sterker wordt en hij op enkele meters afstand een groepje mensen ziet staan. Er wordt gepraat, gelachen, men heeft duidelijk plezier. Hij krijgt dat echter nauwelijks mee want hij heeft de bron van de geur ontdekt.
    ‘Heb je de geur gevonden?’ Achab pakt hem bij zijn beide bovenarmen beet en schudt hem heen en weer.
    Aarzelend fluistert hij: ‘Ja.’
    ‘En?’
    Hoe moet hij het mooiste wezen op aarde beschrijven aan een blinde? Zelfs aan een ziende zou hij haar niet kunnen schetsen. Zijn eigen ogen geloven niet wat hij ziet. Zij kan niet bestaan dus bestaat haar beschrijving niet.

Een maand eerder is hij naar Achab gegaan. In de deuropening van diens witgepleisterde huisje hangt een gordijn van houten kralen dat het inwendige scheidt van het stof en het rumoer van de stad. Langs de kralensnoeren ontsnapt een lucht vol kruidige geuren. Kerims maag knort, hij heeft honger, kan zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst fatsoenlijk heeft gegeten.
    ‘Kom binnen, kom binnen,’ klinkt het geërgerd vanuit het huis. ‘Je maag stoort me.’
    Hij duwt het gordijn opzij en stapt naar binnen, waar hij geen hand voor ogen ziet. Uit het donker klinkt de vraag: ‘Wie ben je?’
    ‘Kerim.’
    ‘Kerim.’ De stem herhaalt de naam. ‘Wat voor geluid maakten de kralen?’
    ‘Sorry?’
    ‘Je bent zojuist door het gordijn gekomen. Daarbij maakten de kralen een geluid. Beschrijf dat geluid.’
    Het klonk als houten kralen die tegen elkaar slaan, denkt Kerim. Zal de stem daar genoegen mee nemen? Waarschijnlijk niet. Het is een test. Hij haalt zich het geluid weer voor de geest en zegt dan: ‘Een waterval van takken.’
    Er klinkt geschuifel, uit het duister doemt een oude man op, kaarsrecht steunend op een stok, het grijswitte haar geknoopt in een hoge knot. Een lendendoek omgordt het knokige lijf, twee egaal witte ogen richten zich op Kerim. ‘Een waterval van takken. Niet slecht, helemaal niet slecht. Je vader zou wel eens gelijk kunnen hebben, jongen. Ga zitten.’ De man zet zich in kleermakerszit op de grond en Kerim gaat tegenover hem zitten, voelt een biezen mat onder zijn blote benen. Waarin zou zijn vader gelijk kunnen hebben?
    ‘Links van je staat een lamp. Steek die aan, als je dat prettig vindt.’ Kerim vindt op de tast een lucifersdoosje en steekt de olielamp aan. Het gele licht werpt een warm schijnsel over de kale ruimte waar langs de wanden in keurige rijen bezittingen staan opgestapeld. Hij onderscheidt kleding, boeken, kikkererwtenpannenkoeken, paperassen en eetgerei. Achter de man hangen aan spijkers bosjes gedroogde kruiden waaronder een pannetje pruttelt op een gasbrander; de bron van de geur die hij zojuist opsnoof. Zijn maag knort weer.
    ‘Beschrijf jezelf,’ zegt de man.
    ‘Ik ben 16 jaar…’
    ‘Beschrijf, niet omschrijf!’ Hij tikt twee keer hard met zijn stok op de grond. ‘Wees zorgvuldig. Taal is geen ratjetoe van willekeurige klanken en betekenissen. Taal is exact.’
    Kerim knikt, realiseert zich dan dat die beweging zinloos is en zegt: ‘Ja, meneer.’
    ‘Achab, mijn naam is Achab. Ga verder. Hoe zie je eruit?’
    ‘Ik ben een meter zeventig lang met kort zwart haar en bruine ogen, mager…’
    ‘Ja, dat hoor ik,’ grinnikt Achab. ‘Pak een pannenkoek, wil je.’ Hij wijst de stapel feilloos aan met zijn stok. ‘Dan eten we wat. Ik word gek van je maag.’
    Kerim scheurt een pannenkoek in tweeën, geeft een helft aan Achab en doopt een stukje in het pannetje dat de man tussen hen in heeft gezet. De scherpe saus smaakt even goed als hij ruikt.
    ‘Weet je waarom je vader je heeft gestuurd?’
    Die had hem alleen verteld dat Achab misschien een baan voor hem heeft. Een baan! Eindelijk zijn eigen geld verdienen, sparen voor zijn toekomst, een eigen gezin. ‘Hij zei dat u misschien werk voor me heeft.’
    ‘Heeft hij ook gezegd wat voor werk?’
    ‘Nee.’
    ‘Ik mis één van mijn vijf zintuigen, zoals je ziet. Daarom heb ik een beschrijver nodig. De laatste, die mij dertig jaar diende, is vorige week overleden en nu ben ik op zoek naar een opvolger. Als jij die baan krijgt wordt het jouw taak datgene wat ik mis met dat ene zintuig te vertalen naar een van de andere vier zintuigen, zodat ik het toch kan waarnemen, begrijp je?’
    Kerim kan zich er geen voorstelling van maken. ‘Kunt u een voorbeeld geven?’
    ‘Je hebt dat zelf al gedaan toen je het geluid van het kralengordijn beschreef als een waterval van takken. Je vertaalde van horen naar zien.’
    ‘Maar u kunt niet zien.’
    ‘Klopt. Hoe treffend je beschrijving ook was: ik heb er niets aan. Ik heb beschrijvingen nodig die vertalen van zien naar horen, voelen, ruiken of proeven. Duidelijk?’
    ‘Duidelijk.’ Het klinkt simpel. Hij zal zich geen twaalf uur per dag in het zweet hoeven te werken, zoals zijn vader doet in de haven.
    ‘In je beschrijving van jezelf gebruikte je woorden die ik kan voelen, zoals je lengte, je korte haar en dat je mager bent. Andere woorden zijn voor mij betekenisloos, zoals zwart en bruin. Probeer die eens te vervangen door een vertaling die ik kan begrijpen. Neem de tijd, want wat ik van je vraag is niet eenvoudig.’
    Zwart en bruin zijn kleuren, die kun je niet horen, voelen, ruiken of proeven. Hoe beschrijf je een kleur aan een blinde? Bij bruin denkt hij als eerste aan koffie, de geur van vers gebrande bonen. Is dat omdat koffie bruin is of ruikt koffie bruin? Hoe komt hij daar achter? En zwart? Zwart is niets, de afwezigheid van kleur. Nee, dat is niet waar, iets zonder kleur is doorzichtig. Zwart is neutraal, rust, stilte, plat, evenwicht. Ja, dit is de goede manier van denken. Toch? Wat kan hij hiermee? Hij sluit zijn ogen, denkt na, handen gevouwen tussen zijn benen. Dan kijkt hij op en vraagt: ‘Wilt u uw arm uitsteken?’ Achab strekt zijn rechterarm uit. Kerim legt zijn rechterhand dwars om de dunne onderarm, waarbij zijn duim en wijsvinger elkaar raken. Dan spant hij de spieren in zijn hand totdat die de arm stevig vast heeft zonder te knijpen. ‘Dit is zwart.’
    ‘En bruin?’
    Hij ontspant zijn hand, de onderarm rust in zijn greep. ‘Dit is bruin.’
    Achab gaat verzitten, vraagt dan: ‘En wit?’ Het klinkt gespannen.
    Kerim grijpt een stukje huid tussen duim en wijsvinger en knijpt flink.
    ‘Rood?’
    Hij wrijft hard over de onderarm tot zowel Achabs arm als zijn hand gloeien, houdt zijn hand dan stil. ‘Rood.’
    ‘Blauw.’
    Hij kijkt om zich heen, vindt een emmer water, zegt ‘momentje’, staat op en doopt zijn hand in de emmer tot die is afgekoeld. Hij veegt hem snel droog aan zijn hemd en pakt de arm vast zoals hij bij zwart deed. ‘Blauw.’
    ‘Groen.’
    Hij wrijft in zijn handen om die weer op temperatuur te brengen en glijdt er zacht mee over de arm. ‘Groen.’
    ‘Geel.’
    Net als bij wit pakt hij een stukje huid en trekt er deze keer aan. ‘Geel.’
    ‘Paars.’
    Hij aarzelt, pakt Achabs arm met beide handen, laat die echter weer los en zegt: ‘Dat is te moeilijk.’
    Achab trekt zijn benen bij elkaar, gaat op zijn knieën zitten, pakt Kerims hoofd tussen zijn handen en drukt een kus op diens voorhoofd. ‘Je vader had gelijk.’

Hij had zich afgevraagd wat een blinde met boeken doet. Daar is hij snel achter: hele dagen leest hij voor aan Achab, voortdurend door hem onderbroken met vragen over woorden. Hij heeft zich vreselijk vergist: dit is een loodzware baan, niet voor zijn lichaam, voor zijn geest. Iedere avond komt hij uitgeput thuis, valt met tollend hoofd in slaap, om ’s morgens vroeg nog nasuizend de korte voettocht naar de oude man te maken.
    Daarbij raakt Achab vaak in de war van Kerims beschrijvingen. Hij heeft tientallen jaren gewerkt met een beschrijver die de wereld op zijn eigen wijze voor hem vertaalde. Nu moet hij de overstap maken naar Kerims beschrijvingen en die brengen hem regelmatig van zijn stuk. Het zorgt voor discussies die zijn wereldbeeld aan het wankelen brengen.
    ‘Wolken?,’ vraagt Achab.
    ‘Gekaarde katoenpluizen die door de lucht drijven.’
    ‘Geen donsbollen?’
    ‘Ze zijn niet bol, ze zijn onregelmatiger van vorm.’
    ‘Ik heb altijd gedacht dat het donsbollen waren…’
    ‘Als u dat liever hebt.’
    ‘Nee, nee, katoenpluizen zijn goed, ik zal ze gaan voelen. Ik moet aan je wennen, dat is alles. En mist? Mist is toch ook een wolk? Een laaghangende wolk?’
    ‘Ja, ik geloof het wel.’
    ‘Mist is nat en koud en heeft geen structuur, tenminste, die voel ik niet. Hoe kan mist er dan uit zien als katoenpluis? Vertel me dat eens.’
    ‘Er is een verschil tussen uiterlijk en structuur.’
    ‘Leg uit.’
    ‘Ik kan aan uw stok niet zien dat hij van hout is, dat kan ik alleen voelen.’
    ‘Of horen.’ Achab klopt met een vuist op de bovenkant van de stok. ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Het is al donker, niet? Ruik ik dat goed?’
    ‘Ja.’
    ‘Ga maar, je hebt me meer dan genoeg gegeven om over na te denken.’
    Op weg naar huis vraagt Kerim zich af of die laatste opmerking van Achab een verwijt is dan wel een compliment.

De volgende opleidingsfase speelt zich buiten af, te midden van de kakofonie van indrukken die een grote stad eigen is. Aanvankelijk stelt Kerim zich beschermend op, krijgt echter al snel door dat dit nergens voor nodig is en zijn werkgever zich even gemakkelijk door de menigten beweegt als hijzelf. Sterker: hij leert achter de imponerende gestalte aan te lopen, die met zijn stok als een Mozes het tegemoetkomende verkeer weet te scheiden. Daarbij moet hij wel oppassen voor het onvoorspelbare gedrag van Achab, die om de zoveel tijd plots stilstaat en vragen roept als: ‘Wat voel ik?’, ‘Wat hoor ik daar?’ en ‘Hoe ziet die winkel eruit?’, om zonder aanziens des persoons met zijn stok te wijzen naar het object van zijn interesse. Deze combinatie van het overrompelende stadsgewoel met de dwingende geest van zijn werkgever is een zo mogelijk nog grotere aanslag op zijn gestel dan de sessies met de boeken.
Het loon maakt alles goed. Hij was verbaasd geweest over de hoeveelheid geld die hij na de eerste week kreeg toegestopt, had zelfs geprotesteerd, wat niet meer opleverde dan een ‘onzin, je bent het waard,’ van Achab.

‘En?,’ herhaalt Achab.
    ‘Het is een meisje, een vrouw,’ weet Kerim uit te brengen.
    ‘Een meisje of een vrouw?,’ vraagt Achab. ‘Wees exact.’
    ‘Een vrouw.’
    Achab zwijgt, snuift de geur weer op en vraagt dan: ‘Hoe ziet ze eruit?’
    Kerim heeft zich omgedraaid, kan niet langer naar haar kijken, heeft haar beeld echter haarscherp in zijn hoofd. Waar te beginnen? Hij besluit haar zo zakelijk mogelijk te beschrijven. Feiten, niet meer. Hij zegt op gedempte toon: ‘Ze is een halve kop kleiner dan ik, slank met lang, zwart haar tot op haar middel. Ze draagt een ivoorkleurige, mouwloze jurk, een zilverkleurige ketting en drie zilverkleurige armbanden om haar linker pols. Ze heeft lichtbruine sandalen aan.’
    Achab trekt hem bij het groepje vandaan en zegt: ‘Ze is beeldschoon.’
    ‘Hoe weet u dat?,’ vraagt Kerim verbaasd.
    ‘Twee dingen. Haar geur en je beschrijving.’
    Dat Achab aan de hand van de geur de conclusie kan trekken dat de vrouw mooi is, begrijpt Kerim wel. Zijn beschrijving was echter alleen maar een opsomming van feiten. ‘Mijn beschrijving?’
    Achab lacht met pretlichtjes in zijn blinde ogen. ‘Je was zo bang om haar te beschrijven dat je het bij een nuchtere aaneenschakeling van droge feiten liet. Daarom richtte ik me op wat je niet beschreef, wat je bewust weg liet. Dat was veelzeggender.’
    Kerim wil protesteren maar Achab loopt langs hem heen naar het groepje en hij volgt hem, wil hem tegenhouden maar is te laat.
    Achab stopt vlak achter de vrouw en tikt haar op een schouder. ‘Goedemiddag, mijn naam is Achab.’
    De vrouw draait zich om. ‘Goedemiddag.’
    ‘Ik hoop dat u mij niet brutaal vindt, maar mag ik vragen wat voor parfum u op hebt?’
    Een kort lachje ontsnapt haar. ‘Ik heb geen parfum op.’
    Achab knikt tevreden. ‘Dat vermoedde ik al. Helaas word ik nog brutaler door u te vragen of u morgen bij mij wilt lunchen.’
    Ze aarzelt, laat haar blik over Achab glijden, kijkt dan Kerim aan en vormt met haar mond geluidloos het woord ‘waarom’. Kerim haalt zijn schouders op. Tenslotte vraagt ze: ‘Mag ik iemand meenemen?’
    ‘Natuurlijk.’
    ‘In dat geval, graag.’
    Nadat Achab met haar een tijd heeft afgesproken en heeft uitgelegd waar hij woont, vertrekt hij met Kerim en zegt: ‘Ze is inderdaad beeldschoon.’

‘Ze komt eraan,’ zegt Achab. ‘Ik herken de geur.’
    Kerim ruikt niets anders dan de stoofpot boven het vuur en de versgebakken pannenkoeken. Toch gaat even later het kralengordijn opzij en stapt een jonge man naar binnen, die kort om zich heen kijkt en zegt: ‘Het is in orde, kom maar binnen.’ Dan stapt de vrouw door het gordijn.
    De man zegt tegen Achab: ‘Bedankt voor uw uitnodiging. Ik ben Badr, een broer van Farah.’ Hij wijst daarbij naar de vrouw.
    ‘Welkom, ik ben Achab en dat is Kerim, mijn beschrijver. Gaat u alstublieft zitten.’
    Ze gaan rond het vierkante kleed zitten waarop een schaal met pannenkoeken, vier kommen en glazen staan, naast bestek en linnen servetten. Achab schept de stoofpot in de kommen en deelt de pannenkoeken uit. Kerim schenkt water in de glazen. Als ze aan het lunchen zijn vraagt Farah aan Kerim: ‘Wat is een beschrijver?’
    ‘Achab kan niet zien. Ik vertaal wat hij niet zien kan naar één van de vier overige zintuigen, zodat hij dat toch kan waarnemen.’
    ‘Hoe bedoel je?’
    Als Kerim niet snel genoeg reageert, zegt Achab: ‘Ik rook je en vroeg hem je te beschrijven.’
    ‘Daarom vroeg je naar het parfum!’
    ‘Juist.’
    Badr fronst zijn wenkbrauwen. ‘Het lijkt me geen makkelijke baan.
  Achab neemt een slok water en zegt: ‘Niet iedereen is er geschikt voor. Kerim is er een duivelskunstenaar in, heeft alleen moeite met kleuren.’
    ‘Kleuren?,’ vraagt Badr.
    ‘Ja, hij weet me nog steeds niet duidelijk te maken wat paars is.’
    Badr en Farah barsten allebei in lachen uit. Kerim voelt zich opgelaten en is boos op Achab die hem tot mikpunt van spot heeft gemaakt. Als ze zijn uitgelachen, zegt hij tegen Farah: ‘Kleuren zijn inderdaad moeilijk. Toch denk ik dat ik steeds beter word in mijn beschrijvingen.’
    Achab haakt daar direct op in: ‘Je beschrijving van Farah gisteren was waardeloos.’
    ‘Waardeloos?,’ vraagt Farah. ‘Hoe heb je me beschreven?’
    Zelfs in het gedempte licht van de olielampen is te zien dat Kerim rood kleurt. Hij fluistert: ‘Dat doet er niet toe.’
    Badr redt hem: ‘Farah is ook lastig te beschrijven. Hoe beschrijf je volmaaktheid?’
    Farah geeft hem een stomp. ‘Doe niet zo idioot, wat moeten onze gastheren wel niet denken.’
    De rest van de lunch verloopt zonder dat Kerim in verlegenheid wordt gebracht. Het enige lastige moment is het afscheid nemen van Farah. Het idee haar aan te raken beangstigt hem zozeer, dat hij het bij een korte buiging laat en een: ‘Tot ziens.’

Als de gasten zijn vertrokken, ruimen ze de lunchspullen op. Achab vraagt: ‘Is het bezoek je bevallen? Vond je Farah aardig?’
    ‘Ach,’ zegt Kerim, nog balend van Achabs gedrag. ‘Ik zie haar toch nooit meer.’
    Die zegt met een wijsvinger tegen zijn neus: ‘Maar in ieder geval ruikt het hier nu heerlijk.’
    Kerim vindt dat daar geen grap over gemaakt mag worden en vraagt: ‘Wilt u uw arm uitsteken?’ Kerim legt beide handen om de uitgestoken arm en draait ze met een ruk tegen elkaar in.
    ‘Au!’ Achab trekt zijn arm terug en wrijft erover. ‘Waarom deed je dat?’
    ‘Dat is paars.
    

***


Albert Huberts
stamt af van Hoogeveense turfschippers en Limburgse boeren. Daar zit een verhaal in, dus schrijft hij verhalen.

Cindy van Veldhoven: "Creëren is de rode draad in mijn leven. Altijd al geweest! Het maakt me blij.. Al vele ideeën zijn opgeplopt en verwezenlijkt, daar is illustreren er één van. Binnenkort mijn schildering op de cover van een boek! Ik ben een gelukkig mens ;)"


Reacties

  1. Ontzettend goed geschreven. Dit smaakt naar meer 💖

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Bedankt jury, voor jullie waardering van Zintuig. Ik ben erg blij en ook wel wat verbaasd. En Cindy, je illustratie vind ik helemaal geweldig!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Van genoten. Wat goed! Gefeliciteerd met de overwinning!

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Wat een lekkere spanning tussen die twee! En dan die meesterlijke illustratie, en het slot: de volwassenwording!

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Genieten dit! Goed gedaan en gefeliciteerd met je overwinning!

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Prachtig verhaal. Neemt je mee in een andere wereld. Fijn leesbaar en origineel. Gefeliciteerd!

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!