Winnaar mei 2024


De list

- Frans Weiland - illustratie: Michele D'Asaro -

“Ik ga direct naar haar toe. Bedankt.”
“Sterkte ermee.”
Het was de buurman van zijn moeder.
Hij had haar 's nachts van de straat moet halen; ze liep wezenloos rond in haar nachtjapon.
Frank bleef lang staan met de telefoon in zijn hand. Nog altijd bewoonde ze het ouderlijk huis in Hoorn. Ze hield vast aan het leven dat ze daar had geleid, vanaf haar vijfentwintigste. Nu was ze tweeëntachtig.
Zijn eerste gedachte was: het had erger gekund. Hij had de gaskraan bij de oven dichtgedraaid; ze kon alleen nog gebruik maken van de magnetron. Hij had een hekwerk laten plaatsen bij de trap; ze kon alleen nog maar beneden slapen. Hij had afspraken gemaakt met buren, de wijkverpleegster, de sociaal werkster. Ze liep weg en vergat waar ze woonde. Ze verstopte geld dat ze niet meer kon terugvinden. Elke betrokkene begreep de ernst van de situatie, maar ze wilde haar huis niet uit.
Hij at een boterham, dronk koffie, groette zijn vrouw, schoot zijn jas aan en stapte de auto in.

Hij reed vanuit Haarlem over de snelweg naar Alkmaar, door de Beemster, langs boerderijen, vaarten, ringdijken. Bomen in de verte leken te zweven. Het riet wuifde, het gras glansde, maar zijn gedachten waren bedrukt. Hij moest denken aan zijn vader; wat hij zou hebben gezegd. Zijn vader had alleen een sprankelende vrouw gekend, een klassieke schoonheid, iemand van wie je makkelijk kon houden. Deze onttakeling was hem bespaard gebleven.
Het silhouet van Hoorn rees op: de mintgroene koepel van de kerk, de huizen aan de Westerdijk, de zeewering met de blauwzwarte basaltblokken, reusachtige iepen erboven die traag en majestueus bewogen – wolkenflarden, lichtpatronen, golven.
Hij reed de stad in en parkeerde zijn auto voor de deur van zijn ouderlijk huis
Zijn sleutel hoefde hij niet te pakken. Ze weigerde de deur op slot te doen.
In de keuken hing een weeë geur. De kraan stond wijd open. Hij draaide hem dicht. Het lampje in de magnetron brandde, maar de tijdsklok stond op nul. Er lag een zwartgeblakerde quiche.
Hij schakelde het apparaat uit.


Langzaam liep hij de kamer in. Het was er warm, de radiator stond op 29. Hij had een papier opgehangen met grote letters: “NAAR LINKS: KOUDER, NAAR RECHTS: WARMER”'. Hij draaide de knop op 18. In de kamer was niemand.
Hij liep naar achteren. Daar zag hij zijn moeder liggen. Ze sliep, rechtop, met twee kussens in haar rug. Hij nam haar aandachtig op. De bleke wangen waren ingevallen, de haren grijs; ze nam de moeite niet mee ze te verven, of ze kon het niet meer. Ze ademde door haar mond. Haar gezichtsuitdrukking was verkrampt, alsof ze een nare droom had.
Hij schoof het zware gordijn opzij en opende het bovenraam.
Het geluid maakte haar wakker.
“Wat is dat?” Ze keek verwilderd om zich heen.
“Ik ben het,” zei hij met opzettelijke rust in zijn stem.
“Frank?”
“Ja.”
“Ik kom net binnen. Ik dacht, ik laat je even slapen. Maar het is hier een beetje benauwd, daarom deed ik het raam open.”
“Heel goed. Ik heb zo naar gedroomd. Een rat zo groot als een man wilde me terugbrengen naar huis, maar ik wilde niet. Ik vond hem zo eng; hij had scheve ogen en een glibberige staart, maar ik wilde ook graag naar huis.” Ze liet haar blik op hem rusten. “Ik wil altijd zo graag naar huis.”
“Je bent nu thuis, alles is goed.”
“Ja. Hoe laat is het?”
“Twee uur.”
“O, ja.”
“Je moet je medicijnen innemen.”
“Heb ik al gedaan.”
“Weet je dat zeker?”
“Ja.”
“Heb je het opgeschreven?”
“Nee.”
“Dat zou je toch doen?”
“Ik moet zo veel, ik moet zo veel. Ga maar naar de kamer. Dan kom ik er uit en kleed ik me aan.”
Ze was doodsbang voor ratten en muizen. Hij had een ultrasonisch apparaatje geplaatst. Hij wist niet of het echt werkte. Zijn moeder morste met eten, de vuilnisemmer stond vaak open. Hij zei weleens: “Voor een muis is een kruimel een maaltijd.” Dan lachte ze wat en een keer merkte ze op: “Voor mij inmiddels ook.” Het was waar, ze kreeg bijna niets meer naar binnen.
Hij nam vaak een doos Belgische bonbons mee. Die lustte ze graag. “Zulke bonbons hadden we vroeger niet,” zei ze dan. Hij kocht ook weleens appeltaart met slagroom, vanwege de calorieën, maar ze at er meestal niet meer dan een paar hapjes van.
“Ik zal koffie zetten,” riep ze.
“Hoeft niet. Doe ik wel.”
Ze zette al jaren geen koffie meer.
Het aan- en uit kleden ging nog. Ze verscheen schuifelend op haar sloffen in de kamer.
“Zo, daar ben ik dan.” Ze glimlachte en stak haar armen uit. Hij kuste haar, legde een hand op haar schouders en vroeg hoe het met haar ging.
“Moe, altijd moe.” Ze nam plaats op de met roze velours beklede bank.
Zijn blik viel op het pijpenrek van zijn vader.
“Ik droom verschrikkelijk, maar dat heb ik altijd gedaan.”
“Bedoel je dat je heel veel droomt of dat je verschrikkelijke dromen hebt?” glimlachte hij.
Ze keek hem niet-begrijpend aan.
“Weet jij hoe laat het is? Vandaag komt mijn moeder op bezoek. Ze loopt moeilijk, ik wil haar afhalen van het station.”
Haar moeder was al vijftig jaar dood.
“Je mag geen auto meer rijden, dat weet je toch?” Hij hield het bij deze pijnlijke waarheid.
“En waarom niet?” vroeg ze verbaasd.
“De auto is niet door de APK gekomen.” Hij haatte het te liegen. Maar je doet het uit liefde, had zijn vrouw gezegd.
“Dan kopen we toch een nieuwe?”
“Je moet zuinig zijn, er kan iets met je gebeuren, misschien moet je op een dag naar een duur verzorgingshuis.”
“Ik ga niet naar een verzorgingshuis.”
“Ik heb iets voor je meegebracht. Alsjeblieft.”
Ze nam het pakje aan en opende het met trillende handen. Hij keek naar haar ouderdomsvlekken. Ze had haar ringen nooit meer om; door medicijngebruik waren haar vingers gezwollen.
“Een cadeau? Voor mij? Wat moet een oude vrouw als ik nog met spullen? Of is het iets lekkers?”
“Waar je zo van houdt.”
“Belgische.”
“Lekker, voor bij de koffie.” Hij stond op, liep naar de keuken en zette koffie. Zijn oog viel op scheuren in de verf en vetvlekken. Er moest zoveel gebeuren, dat hij tot niets kwam.
Hij moest denken aan wat ze zojuist zei: ”Ik wil zo graag naar huis.” Ze had in het ziekenhuis gelegen. Sindsdien was ze nog meer gedesoriënteerd geraakt.
Ze hield van doosjes met vogeltjes erop. Hij nam er vaak een voor haar mee. Haar voorkeur ging uit naar roodborstjes. Hij vermoedde vanwege haar katholieke opvoeding. Er was haar ooit verteld dat een vogeltje Christus aan het kruis had proberen te troosten. Daarbij was bloed op het borstje gedruppeld.
Ze had een verrekijker waarmee ze tuurde naar vogels. Niet dat ze er verstand van had. Namen hoefde ze niet te weten. Haar genot was woordloos, zonder kennis en misschien daarom des te dieper.
“Je bent zeker gauw jarig,” merkte ze op.
“Nee hoor, het is pas november. Ik ben jarig in augustus.”
“Is het al november? Maar ik ben helemaal niet op vakantie geweest.”
“Jawel, je bent met ons mee geweest naar Frankrijk.”
“O, ja.”
Ze staarde voor zich uit met een vertrokken gezicht. Ze wist dat ze steeds minder wist.
Hij nam een prentenboek in zijn handen. Het ging over elfjes en kabouters.
“Weet je nog?” vroeg hij. Hij hield haar een afbeelding voor van een elfje. Ze stond op een boomblad midden in een rivier. “Dit plaatje was anders dan anders. Het elfje maakte zich zorgen. Als kind voelde ik dat. Je moest er eindeloos verhaaltjes over vertellen.”
“Ja, dat weet ik nog. Deze bonbon is lekker, er zit mokka in.”
“Ik was steeds bang dat het zou verdrinken.”
“Het liep altijd goed af, toch?”
“Jawel.” Hij glimlachte en sloot het boek.
Ze had chocola op haar lippen. Hij reikte haar een servet aan en zei dat ze een beetje had gemorst. Hij voelde dat ze zich ervoor schaamde.
“Zit je nog goed in je kleren?” vroeg hij.
“Waarom vraag je dat?”
“Anders gaan we even de stad in, of bestel ik wat online.”
"Ik kom toch nergens meer.”
“Niet zo somber. Je gaat van de zomer weer met ons mee op vakantie en dan wil ik niet bij de grens teruggestuurd worden omdat jij er uitziet als een oude zwerfster.”
“Dat gebeurt heus niet,” lachte ze. “En anders stop je me maar in de kofferbak.”
“Misschien dit jaar Spanje. Ik wil strand en zon.”
“Werk je nog zo hard, jongen?”
“Ik doe veel fiscale strafzaken. Nog steeds met plezier.”
“Dat is belangrijk. Je vader klaagt altijd zo. Maar hij is al een paar dagen niet thuis geweest. Denk jij dat hij bij die andere vrouw is?”
“Nee echt niet, daar is hij niet, maak je geen zorgen.”
“Dat doe ik wel.” Ze zweeg een beetje nijdig en vervolgde: “Hij is vast bij haar, maar dat krijgt hij te horen. Ik laat niet over me heen lopen.”
Hij kon haar niet zeggen dat zijn vader al tien jaar dood was. Dat haar man nooit meer zou terugkeren. Haar waandenkbeeld was gruwelijk maar zachter dan de werkelijkheid.
Die andere vrouw. Hij wist niet of ze echt bestond. Hij kon er niet meer naar vragen.

Ze waren even in de tuin gaan zitten, hoewel het fris was.
De lucht was streperig en kleurrijk als uitgelopen verf. Schaduwen van bomen trokken zich samen en vielen uiteen.
Ze keerde haar gezicht naar de zon en sloot even haar ogen.
Hij snoof de buitenlucht op. Er hing een heerlijke bedorven geur van oude bloemen.
Het ijzeren hek ging knarsend open. Daar was Henri, de buurman die gebeld had, een rijzige, houterig bewegende man, die knipperde tegen het zonlicht en zich verontschuldigde voor zijn dikke wang.
“De tandarts haat me.”
“Jou ook al?” Ze lachten. “Ga zitten. Fijn je weer eens te zien.”
Ze dronken thee en wisselden nieuwtjes uit; wie er allemaal verhuisd, ziek of dood waren.
Zijn moeder luisterde aandachtig maar er ging veel langs haar heen. Hij herhaalde de woorden van de buurman maar ook haar gehoor ging achteruit en ze weigerde een apparaat.
“Met alle respect,” begon Frits op een moment dat ze alleen waren, “het gaat niet langer zo. Ik heb het over gehad met mijn vrouw. We moeten haar zo vaak te hulp schieten. Dat geeft niets, daar zijn buren voor, maar het gaat om haar veiligheid. Ik hoef je niet te wijzen op alle risico's die ze loopt.” Hij keek hem schuin aan.
Een vogel zong met een menselijke stem.
Een gordijn bolde door de terrasdeur op naar buiten.
“Ze wil haar huis niet uit,” zei Frank.
“Ik weet het.”
“Haar wilsonbekwaam laten verklaren, is een enorme toestand. Kan heel lang duren, met allerlei onderzoeken. Het voelt ook als verraad. Het is toch mijn moeder,” sprak Frank met trage, langgerekte stem.
Tot leven gekomen lichtreflexen schoten over de ramen. Het gras, dat te lang was, boog onder de wind.
“Toch moet er iets gebeuren.”
“Ik zal erover nadenken.”

Hij nam zijn moeder mee voor een wandeling. Eerst wilde ze er niets van weten maar hij overtuigde haar door te zeggen dat ze mensen zou zien. Hij liep graag door de oude binnenstad en langs de haven omdat hij er was opgegroeid.
Hij had haar dik aangekleed. Ze keek langdurig naar een treurwilg en hij wees haar op een karper die aan de oppervlakte verscheen. Nieuwe winkels kwamen en gingen, maar aan de oude haven veranderde gelukkig weinig.
“Westerhaven,” zei hij bewust onnadrukkelijk toen ze het bejaardenhuis passeerden. “Wat een prachtig uitzicht hebben die mensen, over het Hoornse Hop.”
“Ja, zeker,” zei zijn moeder zacht.
Op dat moment was zijn beslissing genomen.
Ze lunchten in de Waag. Hij foeterde op de “politieke correcte sukkels” die het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op de Rode Steen weg wilden hebben.
“Wat is er dommer dan de geschiedenis willen veranderen?”
Zijn moeder lachte minzaam. Haar eigen verleden ebde weg, wat deed een algemeen verleden er dan nog toe? Ze liepen terug over de markt, want het was zaterdag.
Hij begroette een oude vriend die een groente- en fruitkraam had. Vroeger reden ze samen door de stad op een witte Puch. De handen van zijn vriend gingen door een kist aardappelen, hij pakte een paar appels, trok het loof van een paar winterwortels, maakte een grap, lachte. Vaag voelde Frank een mengeling van heimwee en pijn omdat hun werelden nu zo verschillend waren en misschien ook wel omdat hij diep in zijn hart naar zo een lichamelijk, eenvoudig leven verlangde.
“Pak aan, voor je kinderen.”
Hij kreeg altijd een zak fruit mee.
Een paar uur later waren ze weer thuis.
Zijn moeder was koud geworden. Hij bedekte haar benen met een plaid en zette de verwarming hoger.
“Naar rechts is warmer, naar links is kouder.”
“Dat weet ik toch. Kom je gauw weer?”
Hij knikte en kuste haar.
Toen hij wegreed, wist hij dat ze hem nakeek tot ze hem niet meer zag.
Hij voelde zich slecht. Hij loog, hij deed niet genoeg, hij kon de echte zware dingen zoals haar persoonlijke verzorging niet aan.
En nu welde er een duister plan bij hem op.

Hij was er de hele week mee bezig. De doktersverklaring ging nog wel, een advies van het
zorgkantoor was snel geregeld, maar een plaats in Westerhaven leverde problemen op: er bestond een wachtlijst. Ze kon terecht in Grootebroek, maar daar kende ze niemand. De eenzaamheid van haar dementie kon er geen eenzaamheid bij hebben. Een luxe opvanghuis in het centrum van de stad had plaats maar het verblijf was duur. Hij dacht aan het geld van de erfenis en haatte zichzelf daarom.
Zijn vader verscheen in een droom en zei: “Straks ben je hier. Doe het goede.” Het maakte indruk op hem. Hij geloofde niet in geesten maar wel in de behoefte van het onderbewustzijn om zich uit te drukken.
Blijkbaar moest hij kiezen voor de dure optie.
Maar het liep anders.
Toen hij verstrooid wat aan het scrollen was over de website van Westerhaven viel zijn oog op de naam van iemand uit het bestuur. Het was een vrouw die hij kende van de middelbare school.
Trudy.
Hij belde haar.

Een paar maanden later kreeg hij een toezegging: zijn moeder mocht haar intrek nemen in Westerhaven.
Er moest nu nog een hindernis worden genomen: hij moest haar het huis uit zien te krijgen.
Op een zondagmiddag achtte hij de tijd rijp voor zijn list.
Ze dronken thee. Hij maakte haar complimenten over de tuin: de bloemen stonden er prachtig bij.
“De vogeltjes komen er graag.”
“Dat weet ik. Je moet gewoon zorgen dat er van alles groeit. Dan heb je altijd zaden en insecten. In veel tuinen is het tegenwoordig een en al steen. Zo zielloos.”
Hij reikte haar een doos met bonbons aan en ze nam er een uit.
“Eet je goed de laatste tijd, of alleen bonbons?” lachte hij.
“Op mijn leeftijd heb je nooit trek. Zal je dat niet aan mijn moeder vertellen?”
“Ik zal niets zeggen.”
“Ze is altijd zo bezorgd om me.”
“Dat weet ik.”
Ze zaten een tijdje zwijgend tegenover elkaar. Zij bladerde in een tijdschrift, hij checkte zijn berichten.
Toen haalde hij een brief tevoorschijn uit de zak van zijn jasje.
“Ik heb een vervelend bericht. Het gaat over dit huis, over jou. Je moet niet boos worden, dat heeft geen zin, maar er gaat iets ingrijpends gebeuren.”
“Iets ergs?” vroeg ze zacht.
“Nee, dat niet, want je zult erop vooruitgaan, maar ik heb een brief gekregen van de gemeente.
Ik zal de belangrijkste passages aan je voorlezen:
Beste mevrouw van Garderen, namens de gemeentelijke dienst openbare werken en de commissie burgerlijke noodvoorzieningen bij calamiteiten, deel ik u het volgende mee. Door noodzakelijke werkzaamheden aan gasleiding en riolering in de door u bewoonde straat, zijnde Geestweg, is het noodzakelijk dat u tijdelijk elders gehuisvest wordt. De kans op verzakking in verband met afgravingen en explosies veroorzaakt door weggelekt gas is dermate groot, dat evacuatie van de bewoners binnen drie maanden volgens richtlijn 347 uit het wetboek van gemeentelijke verordeningen, dient plaats te vinden.
Ze knipperde met haar ogen en kuchte.
Een frisse wind verjoeg de wolken en voerde ze naar het IJsselmeer.
Aan de overkant brandde een raam in de zon, alsof er een vergrootglas op hem werd gericht.
“Wat betekent dit?” vroeg ze na een stilte.
“Het betekent dat je tijdelijk je huis uit moet.”
“Dat wil ik niet.”
“Het moet, volgens de wet. Ze gaan de boel openbreken: de vloer in huis, de tuin, de straat. Er kan gas vrijkomen, dat is levensgevaarlijk.”
“Hoe kan dat zomaar?” Ze vestigde haar niet-begrijpende ogen op hem. Hij zag haar vermoeide uitdrukking en hoorde hoe haar stem opeens zachter werd.
“Grondverzakkingen, veroorzaakt door hevige regenval. En dat komt weer door de klimaatverandering.”
“Wat vreselijk. Dus ik moet mijn huis uit.”
“Tijdelijk. Je kunt terecht in Westerhaven. Daar krijg je een prachtige kamer. Er zal goed voor je worden gezorgd.”
“Maar ik wil niet.”
“Het kan niet anders. Werk alsjeblieft mee. Je brengt ons anders in grote problemen. Ik ken de wet, dat is mijn vak. Je kunt er niets tegen beginnen..
Hij las verder: U zult worden ondergebracht in Huize Westerhaven, alwaar u een ruim en comfortabel appartement ter beschikking zal worden gesteld. De gemeente Hoorn zal zorg dragen voor alle kosten die verband houden met de verhuizing en noodzakelijk aangebrachte voorzieningen. De precieze verhuisdatum zal op korte termijn kenbaar worden gemaakt.
“Alsjeblieft.” Hij overhandigde haar de brief, hoewel hij wist dat het lezen niet meer ging.
“Laat maar, als jij het zegt.”
“Ik help je bij alles. Je hoeft helemaal niets te doen. Je mag je meubilair en je dierbare spulletjes meenemen.”
“En mijn klerenkast?”
“Kan gewoon mee.”
“En mijn boudoir?”
“Ook, alleen moet je er wel rekening mee houden dat het kleiner is.”
“O.” Ze liet deze ene letter wegsterven met een zucht.
Een glimp van de zon deed de bomen oplichten. Een hond in de straat begon te blaffen.
“En mijn tuin dan?” vroeg ze verschrikt.
“Ik doe het onderhoud, maak je daarover geen zorgen.”
Haar ogen staarden hem zonder knipperen aan. Ze begon haar handen te wringen.
“Je eigen bed gaat ook mee.”
“En is er een keuken?”
“Natuurlijk.”
“Ik moet toch koffie kunnen zetten.. voor als jij komt, of mijn vader.” Het was alsof haar blik zich plotseling afzonderde van haar omgeving.
“Je kunt er koffie bestellen. Je drukt op een knopje, je zegt: ik wil een kan koffie op mijn kamer en dan komen ze.”
“Echt?” Ze wendde zich terug tot hem, haar gezicht stond afgetrokken.
“Ja, ook het eten wordt verzorgd. Je hoeft niets meer te doen. Je zult zien: je gaat erop vooruit.”
“Maar ik lust dat ziekenhuiseten niet.”
“Het is geen ziekenhuiseten. Ze willen dat de mensen vitamines krijgen. Dat is echt allemaal verbeterd vergeleken met vroeger.”
“Ik geloof er niks van.” Ze trok haar wenkbrauwen naar elkaar toe en de twee groeven in de wangen die van de neusvleugels naar de mond liepen, verdiepten zich.
In de verte, boven de grasdijk, glinsterde het meer fel tussen de bomen. Het was een bewegende, golvende stilte.
Hij had gedaan wat hij moest doen, hij had gedaan wat hij niet moest doen. Langzaam stond hij op. Hij liep naar het raam en kruiste zijn handen op zijn rug. Klimop golfde langs een zijde van de tuin.

Ergens in het midden van de kamer waarin haar nauwkeurig neergezette spulletjes hem vertederden
en ontroerden zat zij op de troon van haar met roze velours beklede stoel in de halve zwartheid van de schemering. De golven van het IJsselmeer klotsten tegen de dijk en wit schuim krulde op als de laatste flitsen van lichtheid in de ten einde lopende dag.
“Waar ben ik nu?” vroeg ze. Ze keek hem aan, hij keek niet terug.
“In Westerhaven, vlak bij je huis.”
“Wanneer mag ik weer naar huis?”
“Heel gauw.”
“Weet mijn vader dat ik hier ben?”
“Ja”
“En mijn moeder?”
Hij knikte. “Toe, eet wat. Je lust toch wel fruit?”
Haar tengere gestalte boog zich naar het bord, maar ze raakte niets aan.
“Het eten is hier vies.”
“Aankomende week neem ik je mee naar een restaurant. Kan je weer eens goed eten. Afgesproken?”
“Ach, jongen, vroeger kwam ik graag in restaurants. Met je vader. We bestelden altijd champagne,
ook als we krap bij kas zaten. Je vader was een echte heer. Altijd in het pak, stropdas om, al kon hij die zelf niet vastknopen.”
Hij moest lachen. “Echt niet?”
“Nee. Hij was zo onhandig.. maar een echte gentleman. Kom daar nu maar eens om. In spijkerbroeken en op gymschoenen lopen ze rond, bloes uit hun broek, ongeschoren. Zelfs bij de opera.. Nergens vind je nog iets van stijl. Die tijd is voorbij.”
“Ik draag ook een spijkerbroek.”
“Ja, maar toch niet als je naar de opera gaat, mag ik hopen? Of als je je vrouw meeneemt naar een chique restaurant?”
Hij glimlachte.
In de diepte ritselde wind door een paar rododendrons. Bloemen waren hoog opgeschoten na de voorjaarsregens.
Een paar roeiers in de verte hielden hun riemen in en gleden bewegingloos voort.
“Er komen hier geen vogels,” zei ze.
“In het meer barst het ervan.”
“Ze komen niet hier, op mijn balkon.”
“In de winter komen ze wel, als je vetbolletjes ophangt. Neem ik wel voor je mee.”
“Ze zijn er niet. Vogels houden niet van steen. Ze houden niet van doodsheid.”
Haar stem klonk eentonig, de woorden sprak ze langgerekt.
“En als ik een vogelkooi voor je koop? Met een paar kanariepietjes erin?”
“Nee.” Ze schudde haar hoofd.
“Of een papegaai?”
“Die worden heel oud. En als ik dan dood ben? Wie zorgt er dan voor dat beestje?”
“Ik.”
“Jij bent geen man voor dieren.”
“De kinderen wel.”
“Ja, die wel misschien, maar ik hoef geen vogels in een kooi. Een kooi is voor hun een gevangenis.”
“Zo erg toch niet?”
“Erger. Een gevangene kan lopen als hij wordt gelucht, maar zij kunnen niet vliegen.” Ze zweeg en trok rimpels.

Hij nam haar mee op een wandeling door het verzorgingstehuis. Er waren verschillende recreatieruimten. Sommige bejaarden knikten vriendelijk of glimlachten, de meeste zagen niets.
Meeuwen met hun vreugdeloze kreten scheerden over de binnenplaats.
“Er is hier niets,” fluisterde ze. “Ik zie ook helemaal geen bekenden.”
“Misschien kom je ze nu misschien niet tegen.”
“In de eetzaal zie ik ze ook niet. Je zit naast allemaal vreemden. Onopgevoede mensen met smerige manieren. Ik wil naar huis.”
“Kom.”
Hij leidde haar weer terug naar de kamer.
“De volgende keer kunnen we beter naar buiten gaan, naar de haven.”
“Ik ga niet achter de rollator.”
“Maar lopen is te gevaarlijk.”
“Welnee.”
Een jongetje gooide een steen in het water; langzaam verspreidde de kringvormige beweging zich voort over een grote oppervlakte; zwanen vlogen weg, waterhoentjes vormden een uitwaaierende schijf en meeuwen kwamen krijsend aanvliegen.
Hij voelde zich bedrukt en schuldig toen hij naar huis reed.

Ze hield woord, ze kwam de belofte aan zichzelf na: ze ging naar huis.
Midden in de nacht verliet ze Westerhaven. De portier had zitten slapen.
Ze zei herhaaldelijk dat ze niet wist waar ze was, maar ze vond feilloos de weg.
Een sleutel had ze niet meer. Ze was in de tuin gaan zitten, in een stoel die er nog stond. Het was koud die nacht. Hoe lang ze er heeft gezeten, weet niemand, maar om zes uur 's ochtends werd ze ontdekt door de buurman. Ze rilde van de kou, ze was onderkoeld. Hij bracht haar naar binnen en belde een ambulance. Ze werd afgevoerd naar het ziekenhuis, waar ze een paar dagen later overleed aan een longontsteking.
Frank, zijn vrouw en kinderen waren in de gelegenheid afscheid van haar te nemen. Ze zei dat ze van iedereen hield, dat ze niets moesten vertellen tegen haar moeder en dat ze extra lief moesten zijn tegen haar man. De erfenis moest uit handen blijven van “die vrouw.”
Uiteindelijk bleef er niets dan zachtheid over, in haar ogen, in haar wezen.
Frank dacht: als het waar is dat mensen sterven zoals ze hebben geleefd, heeft ze gekregen waar ze recht op had: een vredig einde zonder pijn.
Toen alles achter de rug was, bezocht hij nog eenmaal haar appartement, met zijn vrouw en kinderen.
Ze namen de doosjes met vogeltjes mee, de koekoeksklok en nog een paar snuisterijen. Hij verzamelde foto's en paperassen. Toen hij foto's van zijn vader vond, schoot hij vol. Op de begrafenis had hij niet gehuild maar met het heengaan van zijn moeder was ook zijn vader een stukje meer dood.
Ik kan nu niets meer vragen over vroeger, dacht hij.
Het verleden was vanaf nu onaf en voorbij.
Wetenschappers zouden het toeval hebben genoemd, gelovigen de hand van God, hijzelf hield het op Jungiaanse synchroniciteit, maar toen hij zich nog eenmaal omdraaide naar het balkon om een laatste blik te werpen op het IJsselmeer, op het uitzicht dat zo schitterend was, maar waarvan ze niet had
willen of kunnen genieten, kwamen er drie kleine roodborstjes aansnorren. Ze fladderden bijna tegen het ruit, landden op de vensterbank, kwetterden uit volle borst en vlogen toen weer weg even snel als ze waren gekomen.
“Een groet,” dacht hij.
Ze groette hem vanuit de hemel of vanuit welke plek dan ook waar ze eindelijk thuis was.

Castricum, 21 februari 2024



Frans Weiland
is getrouwd en heeft twee - inmiddels volwassen - kinderen. In het dagelijks leven is hij leraar Frans, verbonden aan het Jac. P. Thijsse college in Castricum, waar hij ook woont. Hij heeft een poëzie-site: https://www.poezie-site.nl Er staan gedichten van hemzelf op, maar ook zijn favoriete gedichten, Franse jeugdgedichten en werk van de Nederlandse dichter Hans Tentje, die hij zeer bewondert. Een thema dat hij de laatste jaren aan het verfijnen is, is de illusionaire werking van geheugen en tijdsbesef. Hij schrijft ook verhalen en is bezig met het tiende. Ze gaan allemaal over mensen die nogal opgesloten zitten in zichzelf, gevoelig en complex zijn en klem komen te zitten in hun bestaan. Over anderhalf jaar wil hij aan een roman beginnen die al bijna zijn leven lang in zijn hoofd zit.

Michele D'Asaro
is geboren en getogen in Rome en woont sinds zijn studietijd in Nijmegen. Na omzwervingen in onderzoek en wetenschapspopularisering is hij nu docent wis- en scheikunde voor internationale studenten. In zijn vrije tijd schildert hij graag, een passie die hij eindelijk met de buitenwereld begint te delen na deze jarenlang in de onderste lade te hebben verborgen.


Reacties

  1. Wat fijn, eindelijk weer eens een echt mooi verhaal. Het werd tijd!
    Gefeliciteerd!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik vind de meeste winnende verhalen mooi. Is een kwestie van smaak, denk ik.

      Verwijderen
  2. Ja echt heel mooi en een mooie illustratie ook. ❤️

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Gefeliciteerd Frans! Een prachtig en invoelend verhaal rond een heel erg actueel thema.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. PS: en wat een mooie illustratie!

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Een gevoelig en tastbaar verhaal. Mooi gedaan. Detailopmerking over de drie roodborstjes die komen aansnorren. Het lijkt me dat het woord 'aansnorren' (het maken van een snorrend geluid) hier niet op zijn plaats is. Dat is meer iets voor brommers. En roodborstjes zijn ware territorium-hooligans. Ze dulden geen soortgenoot bij zich in de buurt, komen om die reden alleen solitair in de natuur voor.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. De enige Nederlandse vogel die een snorrend geluid maakt is een Snor. Deze houdt zich niet op in de bewoonde wereld.

      Verwijderen
  6. In de bio van Frans staat Hans Tentje. Zullen we daar Hans Tentije van maken? Anders doen we deze grote dichter echt tekort…….

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Toch vreemd dat de jury een verhaal van ruim 4.500 woorden laat winnen terwijl de max op 3.000 ligt. Heel bijzonder.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Precies! En dit verhaal had ook gemakkelijk in 3000 verteld kunnen worden. Er staan behoorlijk wat overbodigs in

      Verwijderen
  8. Mooi en herkenbaar verhaal. Ben het eens met de opmerking dat roodborstjes niet snorren, maar dat is het enige.

    BeantwoordenVerwijderen
  9. Ik heb het verhaal in één keer uitgelezen, wat nogal ongewoon is voor een chaoot als ik, zelfs bij kortverhalen. Dus dat wil wat zeggen. Gefeliciteerd Frans 👏🏻

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!