Van VvdM-longlister Martin Koot verscheen onlangs het indrukwekkende debuut Boreling bij uitgeverij Lucht.

November 2022 #2



Het jurycommentaar vind je hier.  *  De derde plaats vind je hier.

Tweede plaats november 2022

De schandlantaarn

Samuel de Weerd

Geloof me, Mo, ik wilde niet stelen, maar ik had geen keus. Je hebt geen idee hoe belangrijk deze ervaring voor me is, hoe veel je voor me betekent. Mijn levensweg leidde me met voorbedachte rade door dit vergrijsde winkelcentrum – er was geen ander pad meer dat ik kon kiezen.

Totdat jij als een mythische kolos van Turkse afkomst verscheen om me de weg te wijzen. De beruchte bewaker van de Plus – iedereen uit de buurt weet wie je bent. Misschien herkende jij andersom mijn gezicht ook wel, of misschien is dat ijdele hoop.

Ik had mijn bon al gescand, was zelfs al door de poortjes en dacht dat ik veilig was. Maar jij wachtte me op bij de uitgang van de supermarkt. Ineens stond ik oog in oog – of ja, oog in navel – met jou.

“Mag ik eerst even in je tas kijken?”

Er ging een stroomschok door me heen. Dezelfde schok die ik soms krijg wanneer ik in diepe focus zit te hacken en de buurtkinderen komen belletje trekken. Het was dezelfde schok die gekken in een inrichting vroeger kregen om hun verstand terug te krijgen. En door jouw schok heb ik mijn verstand terug. God, Mo, wat ben ik je dankbaar. Onze levens zijn nu voor altijd met elkaar vervlochten.

Bloed stroomt uit mijn neus. Ik probeerde weg te rennen – ik probeerde weg te rennen! –, maar je greep me bij mijn kraag. Toen ik me verzette, heb je me met mijn gezicht tegen de grond gebonkt en mijn handen op mijn rug gedraaid. Vervolgens heb je me aan deze schandlantaarnpaal voor de ingang van de Plus vastgebonden zodat ik niet meer kon ontsnappen. Omstanders belden de politie, die nu met hun auto op de stoep staan.

Jouw imposante lijf torent boven me uit. Je hebt je armen over elkaar en je houdt je hoofd scheef terwijl je peinzend op me neerkijkt, alsof ik een vogeltje met gebroken vleugels ben. Ik wil je zo graag uitleggen waarom ik dit heb gedaan, maar ik kan nog niet praten van de emoties.

“Normaal gesproken dragen we winkeldieven meteen over aan de politie,” zeg je. “Zeker degenen die zich met geweld verzetten. Maar jij bent een speciaal geval. Ik ga mijn best voor je doen, maar reken nergens op.” Daarna draai je jouw massieve rug naar me toe en loop je naar de agenten.

Ik wou dat ik je kon vertellen hoe dankbaar ik je ben, Mo. Hoe veel het voor me betekent dat je me aan deze schandlantaarn heb vastgezet. Nu weet ik eindelijk zeker dat ik geen seriemoordenaar ben.

Dat werd namelijk over mij gezegd door de buurtkinderen. Ik woon hier om de hoek en er is een speeltuin recht achter mijn huis. Vanuit mijn achtertuin kan ik meeluisteren hoe ze over mij roddelen – die enge buurman die altijd binnen zit met de gordijnen dicht.

Het probleem met kinderen is dat ze nog niet geleerd hebben om rekening te houden met andermans gevoel. Ze kunnen zich niet voorstellen dat het mij pijn doet wanneer ze mij een seriemoordenaar noemen. Maar die bruutheid heeft ook een positieve kant, omdat ze vaak eerlijker zijn dan volwassenen. Als ze je lelijk vinden, dan mag je dat weten ook.

Daarnaast voelen ze ook vaak dingen aan die volwassenen over het hoofd zien. Zo wist Claire bijvoorbeeld dat haar vader vreemdging, lang voordat iemand anders het in de gaten had. Volgens Claire keek papa naar buurvrouw Floor zoals Shrek naar prinses Fiona keek. Later is die affaire uitgekomen en toen is haar vader net als ik publiekelijk aan de schandpaal genageld. Heel de buurt wist ervan en ze spraken één voor één hun walging uit in de buurtwhatsapp voordat hij eruit werd geknikkerd. Claire’s intuïtie was onfeilbaar.

Zo bestond er ook een reële kans dat de kinderen uit de buurt mijn ware identiteit als seriemoordenaar intuïtief aanvoelden voordat ik er zelf überhaupt over had nagedacht.

Hopelijk begrijp je, beste Mo, dat ik als rationeel persoon deze mogelijkheid niet zomaar af kon schrijven zonder een goede onderbouwing. Het grootste tegenargument is natuurlijk dat ik niemand vermoord heb. Mijn rationele brein heeft een uitstekend geheugen en dat zou ik echt wel weten.

Toch bestaat vanuit objectief perspectief er een kans dat ik het in de toekomst nog ga doen. En toen ik op internet keek, werden mijn zorgen alleen maar groter. Mijn karakter past inderdaad precies in het profiel van een seriemoordenaar. Ik vink bijna alle kenmerken aan, moet je luisteren.

Ten eerste hebben seriemoordenaars een tekort aan empathie, en ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst medelijden met iemand had. Ik vond dat rotjoch Dave bijvoorbeeld totaal niet zielig toen ik van het balkon een emmer water over zijn hoofd gooide en zijn telefoon kapot maakte. Zonder enige emotie keek ik toe hoe hij midden op straat stond te huilen en het snot uit zijn bolle pestkop stroomde. Het deed me niets. Dan hadden hij en zijn vriendjes maar niet duizend keer belletje trek bij mij moeten doen, besjes op mijn ruit moeten schieten en hondenpoep door mijn brievenbus moeten doen. Hij mag blij zijn dat ik zo’n goede seriemoordenaar-impulscontrole heb en geen baksteen gooide.

Zijn vriendjes keken na die emmer water verschrikt naar me omhoog. Voordat ze op de vlucht sloegen riep één van hen: “Vuile seriemoordenaar!” Toen voelde ik wel een beetje empathie, maar alleen voor mezelf en dat telt niet.

Maar er zijn meer voorbeelden die mijn gebrek aan empathie aantonen, beste Mo. Toen Opa Gerard stierf, die aan de overkant woonde, had ik geen enkel medelijden met hem. Het was altijd al zijn plan geweest om zichzelf uit te hongeren wanneer zijn aandoening ondraaglijk werd. Hij had namelijk zware COPD door het roken, waardoor hij zich steeds benauwder voelde. Ik was de enige die van zijn verhongerplannen wist, maar ik zag geen enkele noodzaak om alarm te slaan. Hij was ongetrouwd, had geen kinderen, en zijn vriendin was al jaren daarvoor aan kanker overleden. Ik hoefde dus aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen.

De laatste avond dat ik hem langs ging, wisten we eigenlijk allebei dat hij die nacht zou sterven, want hij was nog magerder dan Claire uit de buurt, die anorexia heeft. Toch weerhield dat me er niet van om de hele avond met hem over de dood te praten. Hij genoot van zijn borrel en ik at rustig mijn nootjes. Misschien had een normaal mens hem die nootjes aangeboden of hem zelfs gedwongen om ze te eten, net zoals Dave en zijn vrienden laatst bij Claire deden in de speeltuin. Ze stonden in een kring om haar heen en lieten haar niet gaan voor ze twee Snickers naar binnen had gewerkt.

Maar als Opa Gerard anorexia had gehad, dan zou hij wijs genoeg zijn geweest om me om hulp te vragen. Hij vond het juist fijn dat ik zo onbewogen bleef onder zijn verhongerplannen. Daarom durfde hij ze met me te delen. Ik heb er dus ook nog steeds geen spijt van dat ik hem met rust heb gelaten.

Spijt hebben is sowieso iets onzinnigs, beste Mo. Een rationeel persoon maakt immers de beste beslissing op basis van alle informatie die op dat moment beschikbaar is. Het is logisch dat je op een later moment meer informatie hebt en dus een betere beslissing kunt maken – daar hoef je niet om te treuren. Zo ga ik al vanaf jonge leeftijd zonder spijt door het leven, en ook dat is blijkbaar een kenmerk van een seriemoordenaar.

Misschien begrijp je de zorgen over mijn karakter nu wat beter. En er is nog meer. Uit onderzoek blijkt dat koelbloedige moordenaars zo kalm en berekend zijn dat heftige prikkels bij hen niet dezelfde lichamelijke reactie geven als bij normale mensen. Ik kocht een Smartwatch en ontdekte tot mijn schrik dat mijn hartslag inderdaad een stuk lager is dan gemiddeld.

Dat zou natuurlijk ook kunnen komen door mijn beroep. Ik ben ethisch hacker en werk voornamelijk thuis, waardoor ik het grootste deel van mijn leven in zittende houding doorbreng. Dat klonk in eerste instantie als een aannemelijke verklaring, totdat het bleek dat mijn hartslag in spannende situaties ook niet omhoog ging. Laatst klopte de vader van Dave bij me aan omdat hij kwaad was dat ik de telefoon van zijn zoon kapot had gemaakt. Hij greep me bij mijn keel en duwde me tegen de muur. Via mijn Smartwatch kon ik achteraf precies zien wat mijn hartslag was tijdens die paar minuten dat hij me bedreigde en uitschold. Je begrijpt, beste Mo, dat mijn verontrusting groeide toen ik zag dat er niet eens drie slagen extra waren bijgekomen.

Ook tijdens de begrafenis van Opa Gerard bleef mijn hartslag laag. Ik heb niet gehuild en niet gespeecht, omdat ik geen verbondenheid voelde met het publiek en Opa Gerard er zelf toch niets van zou horen.

Na afloop kwam er een boze buurman naar me toe, die vertelde dat ik de meest harteloze persoon was die hij kende. Dat hij niet begreep hoe een weldenkend mens een oude vriend – toen besefte ik pas dat Opa Gerard mijn vriend was geweest – zo koelbloedig kon laten sterven.

“Er is echt iets goed mis in jouw hoofd,” zei hij tegen mij.

Nu waren het niet alleen de kinderen, maar ook de volwassenen die iets raars opmerkten aan mijn persoonlijkheid. Dan moest er toch wel echt iets aan de hand zijn.

De verhalen die de kinderen in de speeltuin aan elkaar vertelden werden ook steeds extremer. Zo geloofde Dave bijvoorbeeld dat ik Opa Gerard wekenlang in zijn kelder had opgesloten en hem na zijn dood in stukjes had gesneden en in zijn eigen achtertuin had begraven.

In de dagen na de dood van Opa Gerard ben ik nog een paar keer met zijn notaris bij hem thuis geweest, omdat hij een paar onbenullige objecten zoals een wereldbol aan mij had nagelaten. Op een van die bezoeken zagen we een paar buurtkinderen als ratten door de tuin rennen en over de hekken klimmen. Ze lieten gaten achter in de grond, waar ze hadden gegraven op zoek naar de botten van Opa Gerard.

Kijk, Mo, ik wist natuurlijk wel dat die verhalen feitelijk niet klopten. Maar wat nou als ze echt iets aanvoelden bij mij waar ik zelf nog niet van op de hoogte was? Geïsoleerde computernerds lopen sowieso meer risico om uiteindelijk in gestoorde gekken te ontaarden, dat weet iedereen. Wat nou als het een keer mis ging?

Met mijn hoge intelligentie zou ik een moord nog best kunnen verbergen voor de buurtbewoners, maar die gedachte maakte mij alleen maar onrustiger. Grootheidswaanzin is ook een kenmerk van seriemoordenaar. Bovendien besteed ik mijn tijd liever aan hacken dan aan het verbergen van zo’n moord. Het is ook compleet overbodig; ik hoef helemaal niemand te vermoorden.

Na lange peinzen besefte ik dat er maar één manier was om het tegendeel te bewijzen: iets ongelofelijk irrationeels doen – en daad zo ongelofelijk dom en onlogisch dat het maximale angst, schaamte, en spijt in mij los kon maken. Al die emoties waren empirisch tegenbewijs zonder dat er doden zouden vallen.

En zo kwam ik uiteindelijk tegenover jou in de Plus terecht met een tas vol gestolen boodschappen.

Gelukkig heb ik door jou nu zekerheid, lieve Mo, want hier aan deze schandlantaarn klopt mijn hart in mijn keel. Ik kan niet op mijn Smartwatch kijken, maar hij slaat waarschijnlijk torenhoog uit. Als ik door de politie word meegenomen en een strafblad krijg, dan zal ik mijn baan als ethisch hacker verliezen. Bij dat vooruitzicht is al mijn koelbloedigheid verdwenen, want wat moet ik anders doen?

En nog iets belangrijks: ik voel eindelijk empathie. Empathie voor jou, beste Mo, omdat ik tijdens ons gevecht je shirt heb gescheurd terwijl jij de enige bent die me probeert te helpen. Jij pleit voor me bij de politie. Je probeert ze ervan te overtuigen dat het meer nut heeft om me een paar uur aan deze schandpaal te laten staan dan om me mee te nemen naar het bureau.

Waar ik me wel zorgen over maak, is dat ik nog steeds geen spijt heb. Het voelen van al deze intense emoties was het stelen namelijk dubbel en dwars waard.

“Dit is de eerste keer dat hij in overtreding gaat”, hoor ik jou tegen de politie zeggen. “Een lesje kan nu nog impact hebben. Misschien kunnen we z’n toekomst redden.”

Jij weet wat een strafblad voor me betekent. Jij begrijpt mij, anders zou je niet zo je best voor me doen. Je bent de enige persoon in lange tijd met wie ik me wél verbonden voel. Ik zal je alles uitleggen als ik weer kan praten.

Ik denk dat onze verbinding is ontstaan door het intense geweld dat tussen ons heeft plaatsgevonden toen ik me probeerde los te rukken. Zulk geweld kan namelijk een band voor het leven scheppen. Dat weet ik van de oorlogsdocumentaires die ik met Opa Gerard keek, waar veteranen over hun ervaringen vertelden. In die documentaires kwamen vele variaties voorbij van het verhaal over twee vijandige soldaten die samen in een mortierpit terecht kwamen. Degene die er levend uit klom zou het stervende gezicht van de ander nooit meer vergeten.

Zo is het ook met ons, Mo. Het verschil is dat wij beide levend uit de Plus zijn gekomen en dat wij daarom allebei voor altijd in elkaars hoofd zullen voortleven. Deze ervaring met jou zal ik nooit meer vergeten en ik zweer het, ik zal nooit meer stelen. Als je ervoor zorgt dat ik niet naar het bureau hoef, dan komt alles goed. Mijn toekomst.

En tot mijn grote opluchting gaan de agenten uiteindelijk akkoord met jouw voorstel. Ik moet hier nog vier uur aan de schandlantaarn blijven staan, mijn boete direct aan de Plus betalen, en ik krijg een winkelverbod. Maar geen strafblad.

“Als je maar beseft wat een geluk je met mij hebt gehad,” zegt je tegen me wanneer de agenten weg zijn. “Als je dit bij een andere supermarkt had geflikt, dan zat je nu een nacht in de cel.”

Geloof me, Mo, dat besef ik me maar al te goed.

Daarna ga je weer naar binnen en laat je me alleen achter voor het publiek dat zich op de stoep heeft verzameld. Ik zie vele bekende gezichten en ook een paar kinderen. Deze scene inspireert waarschijnlijk tot nog meer horrorverhalen in de speeltuin.

Er worden ook foto’s gemaakt voor de buurtwhatsapp. De hele buurt zal weten dat ik steel. Iedereen zal me een harteloze egoïst vinden, net als op Opa Gerard’s begrafenis. En deze keer schaam ik me wél, terwijl seriemoordenaars erom bekend staan dat ze er juist van genieten wanneer hun misdaden het grote publiek bereiken. God, Mo, wat ben ik opgelucht.

Ik richt mijn blik op de vlaggen boven de plus, die zachtjes golven in de wind. Het begint al snel te miezeren. Gelukkig ben ik niet interessant genoeg om nat voor te worden, dus de groep op de stoep wordt snel kleiner. Het is eind oktober, de straten liggen vol met bladeren, en ik heb het koud in mijn doorweekte overhemd.

Dit zal de eerste winter zijn zonder Opa Gerard, en ik merk dat ik er tegenop zie. In de winter spelen de buurtkinderen namelijk veel minder in de speeltuin en door het ontbreken van hun geschreeuw is de stilte in huis verstikkend. Soms denk ik zelfs dat ik ze hoor spelen buiten, maar als ik dan naar het raam toe loop is de straat leeg en grijs. Alleen met sneeuw gebeurt er weer wat, want dan gooien ze sneeuwballen op mijn ruit.

Tijdens die donkere dagen was Opa Gerard met zijn oorlogsdocumentaires en zijn huis vol onbenullige spullen en frutsels vaak mijn enige lichtpuntje. Hij was van zichzelf al zo ongelofelijk gezellig dat ik het niet uitmaakte dat ik het karakter van een seriemoordenaar heb.

Ik wou dat hij me hier aan deze paal kon zien staan, want dan had hij zich doodgelachen. Misschien wel letterlijk, met die hoest van hem. Bij die gedachte moet ik ook een beetje lachen om mezelf, maar ik stop meteen wanneer ik besef dat zulke duistere humor ook bij een seriemoordenaar past. De rest van mijn tijd zit ik in respectvolle stilte uit.

*

De volgende dag voel ik me erg goed. Het zonnetje schijnt, en ik ga gelijk terug naar de Plus. Tijdens die vier uur aan de schandpaal besefte ik namelijk dat ik een nieuwe vriend nodig heb voor de winter, en door onze sterke band ben jij, beste Mo, de beste kandidaat. Je werkt zo dichtbij dat het een kleine moeite voor je is om na werk even bij mij thuis langs te komen. Bovendien moet ik je nog vertellen hoe mijn brein werkt nu ik weer kan praten.

Maar wanneer ik op je af loop, betrekt je gezicht als een hemel vol donderswolken. Zo boos heb ik je gisteren nog niet gezien.

“Waarom doe je dit nou?” vraagt je. “Je hebt verdomme een winkelverbod gekregen.”

Ik zeg dat ik je wil bedanken voor je wijze lessen. Dat ik voor eeuwig bij je in het krijt sta. En of je misschien af en toe op de koffie zou willen komen.

Je haalt diep adem, pakt me bij mijn schouders vast, en praat tegen alsof ik een vervelend kind ben dat niet van jou is.

“Luister,” zeg je. “De enige reden dat ik de politie wegstuurde is omdat wij er meer aan verdienen de dief direct betaalt en het niet via de rechter gaat. Bovendien krijg ik er op die manier nog een marge bovenop. Het was dus eigenbelang. Ik ben je vriend niet. Knoop dat in je oren.”

Dierlijke rauwheid. Blijkbaar kunnen volwassenen net zo hard zijn als kinderen – alwéér een goede les. Dus ik bedank je nogmaals voor je al je hulp en loop haastig weg, het schaamrood op mijn kaken. Nu weet ik al helemaal zeker dat ik geen seriemoordenaar ben, want ik heb verschrikkelijk veel spijt dat ik hier ben teruggekomen.


Samuel de Weerd (1993) woont in Utrecht en werkt nog niet. Hij is net afgestudeerd van een Master in Energy Science aan de Universiteit Utrecht en heeft ook een Master Creative Writing in zijn zak. Komende maanden neemt hij de tijd om zijn fantasie de ruimte te geven.

Reacties

Literaire Tijdschriften

Iets toe te voegen? Stuur je mail naar VerhaalvdMaand [at] gmail.com!